Heilige Serapion de Sindoniet

Heiligenleven

De heilige Serapion de Sindoniet

 

 

serapion_1.jpg

 

 

De heilige Serapion was afkomstig uit Sidon, maar met een woordspeling werd hij Sindoniet genoemd : nadat hij zelfs zijn kleren aan de armen had weggegeven toen hij monnik werd, bedekte hij zijn naaktheid met een laken (sindona). Hij behield slechts een Evangelieboek ( in die tijd van alleen handgeschreven boeken was elke boek een kostbaar bezit), waarin hij steeds las totdat hij het uit het hoofd kende. En toen iemand hem vroeg wie hem van al zijn kleren had beroofd, antwoordde hij : ‘Dit’, en hij wees op zijn Evangelieboek. Daarna verkocht hij ook dat om de opbrengst aan de armen te kunnen geven.

Eens ging hij met zijn leerling naar de stad en liet zich door hem verkopen aan een heidense theatergroep, die in gemeenschap leefde. Hij diende hen trouw als een slaaf en volbracht hun bevelen. Overdag at hij niets, ’s avonds nam hij wat brood en water, ’s nachts bad hij urenlang en zegde zachtjes een van de Evangelies op. De goedhartige lieden die hij diende, kregen meer respect voor hem en kwamen onder zijn bekoring. Tenslotte lieten zij zich dopen en schonken hem uit dankbaarheid de vrijheid, omdat hij hen had vrijgemaakt uit de slavernij van de zonde en de gevangenschap van de duivel. Toen maakte Serapion zich bekend als kluizenaar die niemands slaaf was, en hij gaf hun het geld dat zij voor hem betaald hadden terug. Hij was daar niet meer nodig, al wilden zij hem nog zo graag bij zich houden : hij moest ook anderen tot Christus brengen. De Geest bracht hem eens naar Rome, waar hij hoorde spreken over een maagd, een rekluse, die nooit met een man wilde spreken. Hij ging naar haar kluis en liet haar dienares zeggen dat er een abba uit Egypte gekomen was om haar te spreken. Zij vond het echter niet nodig om met een man te spreken. Serapion bleef toen bij de ingang van de kluis staan, dag en nacht. Toen zij na drie dagen nog bleef weigeren, gaf hij de boodschap dat God hem gezonden had voor haar geestelijk nut. Daarop liet zij hem binnen. Serapion vroeg haar toen : ‘Waarom zit ge hier ?’. Zij antwoordde : ‘Ik zit niet, ik ben onderweg’.’Waarheen ?’ ‘Ik ben onderweg naar mijn Heer’.’Leeft ge of zijt ge gestorven ?’ ‘Ik geloof dat ik naar het vlees gestorven ben, want het vlees gaat niet naar God’. ‘Als ik dat moet geloven, kom dan naar buiten en doe wat ik zeg’’Ik leef hier nu al 25 jaar ingesloten, en als ik naar buiten kom, wat zullen de mensen dan zeggen ?’ ‘Voelt een dode dan of de mensen hem prijzen of beledigen ? ‘Kom naar buiten om tot inzicht te komen van uw dwaling’.

Uit deze woorden begreep zij dat hij een wijs en heilig man was, en omwille van de nederigheid gehoorzaamde zij en kwam naar buiten. Toen zei Serapion : ‘Ga naakt door de stad zonder u te schamen, dan weet ge of ge werkelijk aan de wereld gestorven zijt’. Toen begreep ze dat zij te hoog van zichzelf had gedacht, en zij keerde in haar kluis terug met groter deemoed, terwijl Serapion terugkeerde naar de woestijn.

Over zichzelf vertelde hij : ‘Toen ik jong was en onder gehoorzaamheid stond van abba Theodoros, viel het vasten mij zo zwaar dat ik brood van tafel stal om het ’s nachts heimelijk op te eten. Maar dat bezorgde me zoveel wroeging dat het verdriet groter scheen dan het genot van het eten. Toch kon ik me er niet van losrukken. Eens kwamen er echter broeders die erover spraken dat men zijn geheimste gedachten aan zijn geestelijke vader moet zeggen. Het leek me of dit woord speciaal tot mij was gericht, en ik begon te wenen, wierp me op de grond en vertelde hoe ik gezondigd had. Toen zei mijn Oudvader : ‘Vertrouw op God, mijn kind, want door deze deemoed heb je de demon overwonnen, en nu heeft hij geen macht meer over je’. En ik voelde hoe een vlam uitging van mijn borst en sinds die dag ben ik, met Gods hulp, niet meer in die zonde gevallen.

Zo gaf hij onderricht door woorden en daden, en overtuigde ook door wonderen die op zijn gebed geschiedden. En na een vruchtbaar leven is hij opgegaan tot Christus, naar Wie hij zozeer verlangd had, in het jaar 388, toen hij ruim 60 jaar oud was.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag

14e zondag na Pinksteren : Van het bruiloftsmaal

14e zondag na Pinksteren

“van het bruilofsmaal”

 

 

bruidsmaaltijd.jpg

 

Parabel van het bruilofsmaal. Maurice de Sully, Sermons, Italie, Gênes, XIVe siècle. (Cote : BNF Richelieu Manuscrits Français 187

 

 

2 Kor. 1,21-2,4

 [21] En God zelf heeft ons samen met u in Christus* bevestigd en ons gezalfd*. [22] Hij heeft op ons zijn zegel* gedrukt en ons de Geest als onderpand* gegeven. [23] Ik roep God aan als mijn getuige*, ik zweer bij mijn leven: alleen om u te sparen ben ik nog niet naar Korinte gekomen. [24] Niet dat wij heer en meester zijn van uw geloof; wij willen alleen bijdragen tot uw vreugde. Want in het geloof staat u stevig genoeg

 [4] Toen ik schreef, was het dan ook met een bedrukt en beklemd gemoed en onder veel tranen. Ik wilde u niet verdrietig maken, maar u een blijk geven van de innige liefde die ik u toedraag.

EVANGELIE

Mattheus 22,1-14

Gelijkenis van een bruiloftsfeest [1] Opnieuw sprak Jezus tot hen in gelijkenissen: [2] ‘Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. [3] Hij stuurde zijn slaven om de gasten te roepen die voor de bruiloft genodigd waren, maar ze wilden niet komen. [4] Hij stuurde weer andere slaven met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: Kijk, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en het mestvee zijn geslacht, en alles staat gereed. Kom naar de bruiloft.” [5] Maar ze trokken zich er niets van aan en gingen hun eigen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. [6] De overigen grepen zijn slaven vast, mishandelden en vermoordden hen. [7] De koning werd woedend. Hij stuurde zijn soldaten, liet die moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. [8] Toen zei hij tegen zijn slaven: “Het bruiloftsmaal is klaar, maar de genodigden waren het niet waard. [9] Ga nu dus naar de kruispunten van de wegen, en nodig iedereen die je maar tegenkomt uit voor de bruiloft.” [10] Die slaven gingen naar de wegen en brachten iedereen mee die ze tegenkwamen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal liep vol met gasten. [11] Maar toen de koning binnenkwam en de gasten zag, merkte hij iemand op die geen bruiloftskleding aan had. [12] Hij zei tegen hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleding?” Hij wist niets te zeggen. [13] Toen zei de koning tegen de dienaren: “Bind hem aan handen en voeten en werp hem in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars. [14] Immers, velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitgekozen.’

 

 

“Komt naar het bruiloftsmaal”

 

 Als in de zichtbare wereld een heel klein volk zich verzet tegen de koning door hem de oorlog te verklaren, dan neemt de laatste geen moeite om tegen hen in actie te komen, maar hij stuurt zijn soldaten met hun generaals en deze binden de strijd aan. Als daarentegen het volk dat tegen hem in opstand komt erg machtig is en in staat is om zijn koninkrijk te verwoesten, dan ziet de koning zich verplicht om zelf, met zijn hofhouding en zijn legeractie te voeren en de strijd aan te gaan. Zie dus hoe waardig u bent! God zelf is met zijn eigen leger, daarmee bedoel ik de engelen en de heiligen, de strijd komen voeren; Hijzelf komt u beschermen om u te verlossen van de dood. Heb dus vertrouwen en bemerk de voorzienigheid waarvan u het onderwerp bent. Nog een voorbeeld uit het leven. Stellen we ons een koning voor die eenarm en ziek mens ontmoet en geen afkeer van deze persoon heeft, maar die de wonden geneest met heilzame middelen. Hij neemt hem op in zijn paleis, bekleedt hem met een purperen kleed, omgordt hem met een diadeem en nodigt hem uit aan zijn tafel. Zo benadert Christus, de hemelse koning een ziek mens, Hij geneest hem, laat hem aan zijn koninklijke tafel zitten, en dat zonder zijn vrijheid geweld aan te doen, maar door hem met overreding ertoe brengt om een dergelijke hoge eer te aanvaarden. In de Schrift staat overigens geschreven dat de Heer zijn dienstknecht en stuurde om hen die graag zouden willen komen, uit te nodigen, en Hij kondigde hen aan: “Mijn maaltijd is gereed!” Maar zij die geroepen waren, verontschuldigden zich… Ziet u, Degene die de oproep deed, was klaar, maarde geroepenen hielden de boot af; ze zijn dus verantwoordelijk voor hun eigen lot. Dat is de grote waardigheid van de christenen. De Heer heeft voor hen het Koninkrijk bereid, en Hij nodigt hen uit om binnen te komen; maar ze weigeren om te komen. Ten aanzien van de gave die ze moeten ontvangen, kan men zeggen dat als iemand… ellende verdraagt sinds de schepping van Adam tot aan het einde van de wereld, dat hij niets heeft gedaan in vergelijking met de heerlijkheid die hij zal erven, want hij zal regeren met Christus tot aan het einde der tijden. Glorie aan Hem die deze ziel zo lief heeft, dat Hij zichzelf aan haar heeft gegeven en heeft toevertrouwd, zo is zijn genade! Glorie aan zijne Majesteit!

over de kerkvaders

Over de Kerkvaders

 

 

1 Literatuur.

  • Berthold Altaner – Alfred Stuiber, Patrologie. Leben und Lehre der Kirchenväter, Freiburg – Basel – Wien, Herder, 1978.

2 Wat zijn kerkvaders?

Wij noemen kerkvaders (in strikte zin): die kerkelijke schrijvers die duidelijk

  1. orthodox zijn,
  2. een heilige levenswandel leiden,
  3. door de Kerk erkend zijn en
  4. uit de oudheid stammen.

Het patristisch tijdvak (het tijdperk waarbinnen men spreekt van kerkvaders) eindigt in het Westen met paus Gregorius de Grote (590-604) en Isidorus van Sevilla (±560-633), ook wel met Beda (672-735) en in het Oosten met Johannes Damascenus (±650-±750).

2.1 De apostolische vaders.

Tot de apostolische vaders rekenen wij de auteurs uit het oer-Christendom waarvan we kunnen vaststellen dat zij leerlingen of toehoorders zijn van de apostelen of dat zij zeer kort na de apostolische tijd geschreven hebben en waarvan we weten dat zij in hun leer in hoge mate drager zijn van de apostolische overlevering. Chronologisch staan zijn zeer dicht bij het N.T, waarbij ze ook heel dicht aansluiten w.b. inhoud en vorm van hun werken.[1]Strikt genomen horen er enkel Clemens, Ignatius, Polycarpus, Barnabas en Papias onder. De overige schriften kan men in een andere categorie, als vroeg-Christelijke geschriften plaatsen. Tot hen horen (min of meer) in chronologische volgorde:

  • De Barnabasbrief (vóór 140)
  • De eerste Clemensbrief (Brief van de bisschop van Rome aan de kerk van Korinte) (ca 95)
  • De zeven brieven van Ignatius van Antiochië (+ ca 110)
  • De brief van Polycarpus aan de kerk van Filippi (+156)
  • De Marteldood van Polycarpus (ca 156)
  • De Pastor Hermas (voor 150)
  • De Didachè (100-150) of de leer van de Twaalf apostelen
  • De Diognetusbrief (120-210)
  • Ook Quadratus wordt soms hiertoe gerekend.
  • Papias van Hiërapolis, een leerling van de apostel Johannes, schreef rond 130 vijf boeken, waarvan slechts kleine fragmenten bewaard zijn.

De archaïsche theologie van de apostolische vaders sluit zeer nauw aan bij de Schrift en bij de Joodse “theologie”. In tegenstelling tot latere schrijvers hebben zij nog geen systematisch gebruik gemaakt van de hellenistische gedachtewereld om hun geloof te verklaren. Kenmerkend voor hun werk is de sterke ethische nuancering en een sterke eschatologische gerichtheid.

Deze theologische geschriften zijn allemaal gericht tot Christenen. De geloofsverantwoording die we erin aantreffen is een immanente kerkelijke die zich uitput in het aantonen van de conformiteit van de aangereikte leer zowel met de reeds vastliggende overlevering van de leer als ook van de overeenkomst met de geboden (ἐντολαι) die voortvloeien uit de relatie met de persoon van Jezus Christus.

Er zijn al aanzetten aanwezig die op een uitbreiding van de geloofsverantwoording in de richting van de filosofische rede. Dit vinden we met name wanneer ze hellenistische voorstellingen over het heersen van God over de natuur overnemen en in het aantonen van de aannemelijkheid van de Christelijke wonderen, m.n. de verrijzenis. Om de transcendentie van God te verklaren nemen ze begrippen over uit de hellenistische kosmotheologie, vooral van het neo-platonisme en de Stoa. Ze doen ook een beroep op de Griekse Logos om de redelijke mogelijkheid van de verrijzenis (van het lichaam?) aan te tonen. Vaak gebruiken ze de argumenten die de Stoa gebruikt om de voortdurende kosmische vernieuwing door het vuur te bewijzen. Deze argumenten komen uit een cyclische geschiedenisopvatting en moeten daarom een nieuwe betekenis krijgen voor gebruik binnen de lineaire geschiedenisopvatting van het Christendom.

Bij de apostolische vaders blijft de nadruk liggen op de schriftargumentatie. Deze moet in ruime zin gezien worden. Men put zich niet uit in letterlijke citaten maar in citaten in de zin van de Schrift. Slechts zeer sporadisch maken zij gebruik van de Griekse categorieën om Gods ingrijpen in de natuur te verduidelijken. Hun geschriften zijn gelegenheidswerkjes. Een systematische en algemene theologie ontbreekt.

2.2 De apologeten.

Na de apostolische vaders breekt de tijd aan van de apologeten. Zij zijn Christenen uit de tweede eeuw die hun werken wijden aan een verdediging (apologie) van het Christendom in de hellenistische wereld. Tot hen behoren een twaalftal namen:

  • Marcianus Aristides (Apologie aan K. Antonius Pius (138-161)) of Hadranus (117-38) uit Athene.
  • Justinus (+165 Rome), twee apologieën en twee dialogen.
  • Tatianus, leerling van Justinus in Rome, diverse geschriften. Bekend (deels) is zijn Diatessaron. Rond 172 breuk met kerk van Rome, werd enkratiet: verwierpen huwelijk, wijn- en vleesgebruik.
  • Athenagoras, filosoof uit Athene, een verdediging van de Christenen aan Marcus Aurelius (ca 177) en “Over de opstanding van de doden”.
  • Theophilus van Antiochië, bekeerling en dan bisschop van Antiochië, 3 boeken aan Autolycus (kort na 180), diverse geschriften verloren.
  • Quadratus (Kodratus), apologie in 123/4 of 129 aan keizer Hadrianus (Eus. H.E. IV,23,3), enkel fragment bij Eusebius (IV,3,1-2)
  • Hermias, onbekende auteur, (spotschrift Διασυρμος των ἔξω φιλοσοφων), in tien eerder grove dan leuke hoofdstukken worden heidense aanvallen op het wezen van God, de ziel… weerlegd. (2de helft 2de eeuw of being 3de eeuw)
  • De spreuken van Sextus (180-210) Dit zijn 451 spreuken die onder de naam van Sextus verzameld werden, vermoedelijk in Alexandrië. M.n. ethische uitspraken van filosofen (neo-pythagoreeërs, stoa, platonisme) die apologetisch voor het Christendom werken.
  • Aristo(n) van Pella, verloren dialoog tussen Jason en Papiskus over Christus (ca 140). Dit is kennelijk de oudste apologie tegen Joden.
  • Miltiades, redenaar uit Kl.-Azië, drie verloren Apologiën (Eus. H.E. V,17,5) onder keizer Marcus Aurelius (161-180) en mederegent Verus (161-169).
  • Apollinaris van Hiërapolis, 4 apologieën onder Marcus Aurelius. Allemaal verloren.
  • Melito van Sardes, Apologie rond 172. Enkel fragmenten bekend. In 1940 is een preek van hem teruggevonden.
  • Ireneüs van Lyon (+ ca 202)
  • de schrijver van het Kerugma van Petrus
  • Clemens van Alexandrië, Proteptikos
  • Arnobius (Adv. nationes)
  • Ps.-Justinus, Oratio ad Graecos
  • Tertullianus, (+ ca 220) [N.- Afrika] Apologeticus, Ad Nationes, Adv. Judaeos (andere werken van hem zijn montanistisch)
  • Minucius Felix, Octavius.

Zij zijn allen bekeerde heidenen. Zij gebruiken voor het eerst elementen uit de Griekse filosofie om hun geloof te verdedigen. Centraal staat bij hen het probleem van Gods transcendentie. Zij moeten optreden tegen twee fronten: het judaïserend hellenisme (Jodendom), het hellenisme met het gnosticisme. De aanleiding om te schrijven is meestal hun zorg om de Christelijke leer zuiver te houden. Zij beginnen voor het eerst een systematische theologie op te zetten. De confrontatie met Jodendom en heidendom werkt een negatieve theologie in de hand: God is ongeboren, onbegrijpbaar, onuitspreekbaar, God is geest (niet-lichamelijk).

In hun godsleer brengen zij de nodige correcties aan aan het Grieks-filosofische denken: zij leren het monotheïsme, de schepping, Gods voorzienigheid, en een doelgerichtheid en zinvolheid van wereld en geschiedenis.

Hun grote verdienste is dat zij in Griekse denkcategorieën hebben nagedacht over de handelende God uit de Bijbelse geschiedenis.

2.2.1 Hun geloofsverantwoording.

Hun geloofsverantwoording richt zich m.n. op drie terreinen: verrijzenis van het lichaam, de profetie en de logos-theologie.

2.2.1.1 De verrijzenis

De apologeten nemen de analogieën van 1 Clem. 24-25 als argumenten voor de verrijzenis van het lichaam (De Feniks) over en verrijken ze. Justinus neemt bv. het ontstaan van een mens als uitgangspunt (Apol. I,19,2-3), via de parallel tussen de schepping en de verrijzenis (Apol.. I, 19,5) voert hij alles op Gods almacht terug (Apol. I,19,6; I,18,6).

Alle apologeten legen het christelijk geloof uit als een ethisch monotheïsme, waarbij ze vasthouden aan eschatologische voorstellingen. Helaas bood de Griekse filosofie nauwelijks een helpende had om de verrijzenis van het lichaam te helpen verantwoorden. Algemeen werd de eschatologie moraliserend behandeld: de verrijzenis wordt beschouwd in het kader van beloning en straf, overeenkomstig de daden van dit aardse leven.

2.2.1.2 De profetie

De argumentatie die gebouwd werd op de voorspelling van de profeten is meer een verantwoording voor de reeds gelovenden. De profetie moet geloofd worden omdat de voorspellingen vervuld zijn (vgl. Justinus, Apol. I, 52). Meestal beschouwen de apologeten de profeten als verwijzingen en argumenten uit het O.T., die getuigen voor de waarheid van het Christendom.

Justinus levert eigenlijk de mooiste en verst doorgevoerde argumentatie. Voor hem zijn de profetieën die naar Jezus verwijzen niet alleen een verwijzing naar een bovennatuurlijke waarheid, maar ook naar een historische waarheid, die voor alle volkeren geldt. De Openbaring krijgt zo een uitleg vanuit de hele wereldgeschiedenis. Daarmee heeft Justinus een enorm belangrijk idee gelanceerd dat door Ireneüs tot volledige ontplooiing gebracht zal worden. Het gebruik van de profetie is een theologische prestatie van de apologeten. Er kleeft echter één nadeel aan, In latere tijden kom het Christelijk tijdgevoel door een mystieke uitleg van de profetie te eenzijdig op het nu gericht zijn.

2.2.1.3 De logos-theologie

Twee zaken hebben een bijzondere betekenis in de geloofsverantwoording van de apologeten: a. het theologoumenon van Justinus die de deelname van de mensheid aan de Logos-Christus leert en b. de verrijking van de Christologie met het Logos-predikaat.

Justinus legt een verbinding tussen het menselijk verstand (λογος) en de persoonlijke openbaringslogos van het N.T. (=Jezus Christus). Zo wordt de Openbaring van het N.T. gelded voor alle mensen. iedere mens draagt in zich een kiem (σπερμα) van de Logos.

De apologeten onderlijnen m.n. het belang voor het Christendom voor de hele wereld. De tijd van de apologeten is ook de tijd van de eerste martelaarsacten.

2.3 Geschriften uit het leven van de jonge gemeenten uit de 2de en 3de eeuw.

2.3.1 Diverse geschriften.

Onder deze hoort de Traditio Apostolica (ca 215) van Hippolytus. Die hierin m.n. het leven, liturgie en gebruiken in de jonge Kerk beschrijft.

De Didaskalia geschreven door een onbekende bisschop uit de eerste helft van de derde eeuw, waarschijnlijk voor een heiden-Christelijke gemeente uit Syrië. Grieks origineel verloren.

2.3.2 De oudste doopsymbola.

Reeds in het N.T. vinden we min of meer formele geloofsbelijdenissen of symbola, in Jezus als de Christus (Hand. 8,37) of de Heer (1 Kor. 12,13; Rom. 10,9; Fil. 2,11) en zijn heilswerk (1 Ko. 15,3v).[2] Ook belijdenissen die de Vader en Jezus tezamen noemen (1 Kor. 8,6), soms ook met de H. Geest (2 Kor. 13,14; 1 Kor. 12,4). Deze teksten zijn nog geen bewijs voor het bestaan van apostolische geloofsbelijdenissen. De eerste vaste tekst dateert uit het midden van de 2de eeuw. Doopbelijdenissen in vraagvorm (met drie vragen) zijn het oudst, we vinden ze bij Justinus, Ap. 61; Ireneüs, Epideixis 3; Tertullianus, de spec. 4; de bapt. 2; cor. 3; adv. Prax. 26; Hippolytus, Trad. ap. 21; Cyprianus, Ep. 69,7; Dionysius van Alexandrië (in Eusebius, H.E. 7,9); later ook bij Ambrosius, de Sacr. 2,7,20 en in het Sacr. Gelasianum n. 449.

Het oudste aanduiding voor het bestaan van het zogenaamde Symbolum apostolorum, (men dacht dat het van de apostelen zelf kwam) vinden we op het eind van de 4de eeuw (Ambrosius, ep. 42,5; Rufinus, comm. in symb. apost.).

We vinden de tekst al eerder bij Hippolytus (trad. ap. 21), maar dan in zijn persoonlijke versie ervan. Toch bestond de officiële tekst reeds in het begin van de derde eeuw. We vinden de Griekse tekst bij Marcellus van Ancyra in een brief aan paus Julius (ca 340; bij Epifanius, Haer. 72,3). In het midden van de 3de eeuw bestond er ook een Latijnse versie. In het westen wordt deze versie standaard, in het oosten blijven meerdere versies circuleren.

2.3.3 Oude preken.

Hieronder valt bv. 2 Clemens (Eusebius, H.E. 3,38,4). Het is de oudste preek van de jonge kerk die bekend is. Hij stamt vermoedelijk van vóór 150.

De paaspreek van Melito van Sardes (+160-190). Door papyrusvondsten hebben we weer de volledige tekst. De rest van zijn werken die opgesomd worden door Eusebius zijn verloren gegaan.

2.3.4 Martelaarsacten.

De martelaarsacten van tijdgenoten die historisch betrouwbaar zijn, in tegenstelling tot latere martelaarslegenden vanaf de 4de eeuw kan men in twee groepen verdelen: martyrium of passio: bericht over het lijden of de acta, het protocol van hun proces. (hierover verder meer)

2.3.5 Minucius Felix.

De eerste Latijnse auteur is Municius Felix, een Romeinse advocaat, van wie de dialoog Octavius (ca 200) overgeleverd is, een filosofische behandeling van het Christendom gericht aan heidenen. Het werk is afhankelijk van Tertullianus, Ad Nationes.

2.3.6 Tertullianus.

Tertullianus (160-na 220). Hij keerde rond 195 als bekeerde Christen uit Rome terug naar Carthago, waar zijn rijke auteurswerk voor de Kerk begon. Hiëronymus (Vir. ill. 53) bericht dat hij priester was, hetgeen waarschijnlijk niet waar is. Ten laatste in 207 trad hij uit de Kerk. Hij is de origineelste en na Augustinus ook de meest individueel denkende kerkelijke scrhijver uit het Westen. De datering van zijn werken is moeilijk. Meestal moet men zich tevreden stellen met te bepalen of ze uit zijn katholieke dan wel zijn montanistische tijd zijn.

2.3.7 Hippolytus.

Hippolytus (+ Rome ca 235). Hij werd vóór 160 in het Griekse Oosten geboren. Hij zou zolens Photius een leerling van Ireneüs zijn en priester in Roem onder paus Victor (189-198). Hij leerde een subordinationisme als bestrijding van het modalisme. In 235 werd hij “tegenpaus” van paus Pontianus, onder de vervolging van Maximus Thrax. Pontianus deed tijdens zijn leven afstand. Men koos Antherus. Het kan zijn dat hierdoor het schisma beëindigd werd. Ze werden beiden naar Sardinië verbannen, waar zij zich waarschijnlijk verzoend hebben. Zij zijn beiden de marteldood gestorven. Zijn werken zijn m.n. verzamelingen van theologische meningen enz. Hij is niet zo een zelfstandig denker.

2.3.8 Pausbrieven uit de 3de eeuw.

We bezitten brieven van de pausen Callixtus (217-222), Pontianus (230-235), Cornelius (251-3), Lucius I (253-4); Stefanus I (254-7); Xystus (=Sixtus) II (257-8); Dionysius (259-68).

2.4 De eigenlijke kerkvaders.

Het zich uitdrukkelijk beroepen op het getuigenis van het verleden, d.w.z. de voorgangers (m.n. vroegere bisschoppen) vinden we pas vanaf de vierde eeuw wat regelmatiger. Vanaf die tijd werd het begrip “vader” steeds meer gebruikt. Nl. de vader is verwijst naar de vorige generatie, de opvoeder, de traditie, het gezag … . De meeste kerkvaders zijn bisschoppen. Er zijn echter ook enkele priesters (Hiëronymus) bij, een diaken (Efrem de Syriër) en één leek bij (Prosper van Aquitanië). Een opsomming (vet gedrukt zijn de belangrijksten):

  • Westen:
  • Cyprianus (+258)
  • Ambrosius (339-397)
  • Augustinus (354-430)
  • Hiëronymus (347-420)
  • paus Leo de Grote (440-461)
  • paus Gregorius de Grote (590-604)
  • Oosten:
  • Clemens van Alexandrië (140/150-216/7)
  • Origines (185-254)
  • Athanasius (ca 295-373)
  • drie Cappadociërs:
  • Basilius de Grote (329-379)
  • Gregorius van Nyssa (334-394)
  • Gregorius van Nazianze (330-390)
  • Johannes Chrysostomus (344/354-407)

De tijd van de kerkvaders (patristische tijd) eindigde omdat er geen grote theologen meer waren.

3 Voetnoten

  1. Diverse auteurs maken andere indelingen, vgl. Althaner, 43-44.
  2. Altaner, 85-87.

Bron : Apowiki

Faustinus van Rome :”De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft”

Faustinus van Rome (2e helft van de vierde eeuw), priester De Drie-eenheid, 39-40, CCL 69, 340-341

 

Faustinus en Jovita(vincenzo_foppa).jpg

Faustinus en Jovita (Vincenzo Foppa) “De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft”

Onze Verlosser is waarlijk de Christus, dat wil zeggen: de Gezalfde, geworden in zijn menswording. Hij werd immers zowel de ware koning als de ware priester: Hij is beide, zodat er aan de Verlosser niets ontbreekt. Luister hoe Hijzelf zegt dat Hij koning geworden is: ‘Ik werd door Hem tot koning aangesteld op de Sion, zijn heilige berg’ (Ps. 2, 6, Vulg.). Luister ook naar het getuigenis van de Vader, dat bevestigt dat Hij priester is: ‘Voor eeuwig zijt gij priester, naar de orde van Melchisédek’ (Ps. 110, 4, Vulg.)… Op grond van zijn menswording is de Verlosser dus zowel priester als koning. Hij is hiertoe echter niet lichamelijk maar geestelijk gezalfd. De koningen en de priesters van de Israëlieten waren koning en priester door een lichamelijke zalving met olie. Niemand van hen had beide functies: ze waren óf koning óf priester. De volmaaktheid en de volheid in alles komt alleen aan Christus toe, Hij die ook de wet is komen vervullen.
Ook al bekleedde geen enkele Israëliet beide functies, toch werden ze ‘gezalfden’ genoemd, indien ze lichamelijk gezalfd waren met de olie van hetzij koningen of priesters. Maar de Verlosser die de ware Christus is, werd door de heilige Geest gezalfd, zodat vervuld zou worden wat over Hem geschreven staat: ‘Daarom bent u door God, uw God, gezalfd met vreugde-olie waarin gij uw broeders overtreft’ (Ps. 45, 8, Vulg.). Hij staat boven hen die, evenals Hij, de naam van ‘gezalfde’ dragen, omdat Hij gezalfd werd met vreugde-olie, dat wil zeggen: met de heilige Geest.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

13e zondag na Pinksteren : de onrechtvaardige pachters

13e zondag na Pinksteren

DEe onrechtvaardige pachters

 

onrechtvaardige pachters.jpg

 

Lezingen :

1 Kor.16,13-24

]Blijf waakzaam, sta vast in het geloof, wees moedig en sterk. Laat alles bij u gebeuren met liefde. Ik heb nog een verzoek aan u, broeders en zusters: u weet dat Stefanas en zijn gezin de eerste bekeerlingen van Achaje zijn en dat zij altijd klaarstaan voor de heiligen. Aanvaard dan ook van uw kant de leiding van zulke mensen en van allen die hun werk en moeite delen. Ik verheug mij over de aanwezigheid hier van Stefanas Fortunatus en Achaïkus; zij hebben voor mij het gemis van u vergoed, zij hebben mijn zorgen verlicht, en daarmee ook de uwe. Houd zulke mensen in ere. De gemeenten van Asia laten u groeten. Veel groeten in de Heer, van Aquilaen Prisca en van de gemeente bij hen aan huis. Alle broeders groeten u. Groet elkaar met de heilige kus.Deze groet schrijf ik met eigen hand: Paulus. Wie de Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranatha De genade van de Heer Jezus is met u, en mijn liefde is met u allen in Christus Jezus.

Evangelie : Matth.21,33-42

Gelijkenis van de vruchten Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij zette hem met een omheining af, groef er een perskuil in en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. Maar toen de tijd van de vruchten gekomen was, stuurde hij zijn slaven naar de wijnbouwers om de vruchten in ontvangst te nemen. De wijnbouwers grepen zijn slaven vast; de een gaven ze een pak slaag, een ander doodden ze, een derde stenigden ze. Hij stuurde toen andere slaven, meer dan de eerste keer, en ze deden met hen hetzelfde. Later stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: mijn zoon zullen ze ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfdeel in bezit nemen.” Ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Welnu, wanneer de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?’ Ze gaven Hem ten antwoord: ‘Hij zal die ellendelingen een ellendige dood bezorgen, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die vruchten aan hem afdragen wanneer het er de tijd voor is.’ Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is de hoeksteen geworden. De Heer heeft dit gedaan; het is een wonder in onze ogen?

heiligenleven : De heilige Nilus

Heiligenleven

De heilige Nilus

 

 

 

 

Nilus (rechts)en Antonius.jpg

De heilige Antonius (links) en de heilige Nilus (rechts)

 

De heilige Nilus werd geboren te Constantinopel rond 426 of na 430 (of zelfs rond 450). Zijn voorname afkomst, zijn rijkdommen en de begaafdheden van zijn verstand deden hem tot Bestuurder van de stad verheffen. Hij had twee zonen bij een godvrezende vrouw, met wie hij getrouwd was, en het fortuin alsmede zijn kennis lieten hem hem een wereld leven leiden. De predikaties van de heilige Johannes Chrysostomos stemden hem tot vreugde. De vriendschappelijke betrekkingen welke hij later met de grote Patriarch had, keerden zijn hart nog meer naar de deugd, en hij zuchtte dikwijls over de banden welke hem aan de wereld gekluisterd hielden. De zorgen welke hij behoorde aan te wenden om zijn kinderen te plaatsen en de belevingen van zijn vrouw, bestreden in hem de voornemens van afzondering welke God hem inboezemde. Doch de genade behaalde eindelijk een volstrekte zegepraal. Hij besloot in eenzaamheid te gaan leven omdat hij meende dat zijn verblijf in de wereld strijdig was met zijn inzichten voor de eenzaamheid. Het koste hem grote moeite om zijn vrouw over te halen om te scheiden. Dit maakte hun eensgezindheid en hun verbondenheid nog smartelijker, doch met veel weerstand en tranen stemde ze er eindelijk in toe, en één van haar zonen bij zich houdend, liet zij de andere zoon  haar man vergezellen. Zij begaven zich naar Palestina, en de heilige Nilus trok zich op de berg Sinaï terug in één van de spelonken welke de kluizenaars die daar leefden bewoonden. Hij vergat de tederheid van zijn gestel en van de wijze waarop hij zich voedde, en leefde slechts gelijk de heilige eremieten die bijna nooit brood gebruikten en slechts wilde vruchten of rauwe kruiden aten. Sommigen aten slechts eenmaal, anderen tweemaal per week, en de jongsten maar elke twee dagen. Dit verschil van oefeningen verhief echter de één niet boven de ander. Zij waren allen gelijk, volmaakt verenigd door de band van liefde en onderworpen aan een priester die de zondag met hen vergaderde. De onthechting van al het aardse waarin de heilige Nilus en zijn zoon leefden, belette hem echter niet deel te nemen aan de belangen van de Kerk. Hij was vooral zeer gevoelig voor de rampen welke de mensen van Constantinopel  te verduren hadden die veel te lijden hadden voor de vervolging van hun herder Chrysostomos. En wanneer  de heilige Chrysostomos verbannen werd aan wie hij veel verplichtingen had, kon hij zich niet weerhouden daarover tot tweemaal toe een brief te schrijven aan keizer Arcadius.

Hij bracht verscheidene jaren door met zijn zoon Theodulus op de wijze welke wij hebben verhaald. Op een dag dat hij verscheidene kluizenaars uit de streek was gaan bezoeken, kwamen de Sarracenen s’nachts de cellen plunderen, en vermoordden zij vele religieuzen die in de kerk waren gevlucht. De heilige Nilus zocht bij zijn terugkomst overal naar zijn zoon. Toen hij hem tussen de doden niet vond hoorde hij dat hij als gevangene was weggeleid. Hij reisde her en der om er iets van te vernemen, en na veel  vermoeiende omzwervingen vond hij hem in een stad waar de Bisschop hem reeds had vrijgekocht en hem tot koster van zijn kerk had gemaakt. De Prelaat wilde de vader en de zoon bij zich houden, maar kon hen daartoe niet overhalen. Daarop wijdde hij hen tot priester voor hun vertrek. Zij keerden terug naar de cellen van de berg Sinaï, en de heilige Nilus volhardde in het leven van strengheid. Hij verdeelde zijn tijd tussen rust en beschouwing alsook met de studie van de heilige boeken. Hij schreef uitmuntende verhandelingen over het geestelijk leven en stierf op hoge ouderdom.

Uit : de levens van de heilige Vaders der woestijnen van het Oosten (1859)

Johannes Chrysostomos : Ga ook naar mijn wijngaard

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar Homilie over het evangelie van Mattheus, nr 64, 4

 

Overbrenging van de relieken van de Heilige Johannes Chrysostomos van Komani, Gerorgië naar Constantinopel.jpg

Overbrenging van de relieken van de H. Johannes Chrysostomos

 “Ga ook naar mijn wijngaard”

      Het is duidelijk dat deze parabel de bekering van de mensen tot God beoogt, sommigen al vanaf hun prille jeugd, anderen wat later en enkelen pas in hun ouderdom. Christus onderdrukt de trots bij de eerst geroepenen om hen te verhinderen, dat ze verwijten maken aan hen van het elfde uur, door ze te tonen dat de beloning dezelfde is voor allen. Tegelijkertijd stimuleert Hij de ijver bij de laatsten door ze te tonen dat ze hetzelfde salaris kunnen verdienen als de eersten. De Verlosser kwam spreken over verloochening van rijkdommen, verachting voor alle goederen, over deugden die een groot hart en moed vragen. Het was nodig om de ijver van een ziel vol met jeugd te stimuleren; de Heer steekt in hen de vlam van de liefde weer aan en versterkt hun moed door ze te tonen dat zelfs zij die op het laatst zijn gekomen, het salaris voor de hele dag ontvangen…
      Om nog duidelijker te spreken, sommigen konden er misbruik van maken en in onverschilligheid en vrijblijvendheid te vervallen. De leerlingen zullen duidelijk zien dat deze ruimte een gevolg is van de barmhartigheid van God, die de enige is die ze zal ondersteunen om zo’n geweldige beloning te verdienen… Alle parabels van Jezus, die van de maagden, van het net, van de doornen en van de onvruchtbare boom, nodigen ons uit om onze deugd in daden te laten zien… Hij roept ons op tot een zuiver en heilig leven. Een heilig leven kost ons hart meer dan een eenvoudige zuiverheid van geloof, want het is een voortdurende strijd, een onuitputtelijk werk.

 

Bron :http://www.dagelijksevangelie.org

Ireneüs van Lyon: het begin van de theologie.

Ireneüs van Lyon: het begin van de theologie.

Ireneus van Lyon5.jpg

 

 

 

 

Bij Ireneüs ontstaat voor het eerst de theologie in zijn confrontatie met de gnosis. Hij is de eerste die zowel O.T. als N.T. gebruikt in zijn uiteenzettingen over het geloof. Hij behandelt voor de eerste maal systematisch de belangrijkste onderdelen van het geloof.

1.1 Zijn leven.

Ireneüs werd rond 140 geboren in Klein-Azië. In Smyrna was hij een leerling van Polycarpus (+156), een leerling van de apostel Johannes. In 177 was hij priester in de kerk van Lyon. Vermoedelijk is hij op weg daarheen een tijdje in Rome geweest. In 177-178 volgde hij bisschop Photinus op als bisschop van Lyon, na diens marteldood. Of hij zelf in 202 als martelaar gestorven is, is niet zeker. Dit wordt pas voor de eerste maal vermeld bij Gregorius van Tours (538-594). Zijn verdiensten zijn: de missie in Gallië; het sluiten van vrede in strijd om paasfeest (190-200) en zijn optreden tegen het gnosticisme. Van Ireneüs’ geschriften zijn er slecht twee volledig overgeleverd: Adversus Haereses (= A.H.) (Tegen de dwaalleren) (180-90) en Demonstratio Praedicationis Apostolicae (=D). Van dit laatste werk was tot 1904 slechts de titel bekend.

1.2 Ireneüs’ tegenstanders.

Ireneüs’ werk is ontstaan als een kerkelijke verdediging tegen het Christelijk gnosticisme dat net zijn bloeiperiode kende. Zijn belangrijkste tegenstanders heetten Valentinus en Marcion.

1.2.1 Valentinus en het gnosticisme.

De in Egypte geboren Valentinus (90-160), was volgens de traditie van het Valentinianisme een leerling van Theudas, die op zijn beurt een leerling van Paulus was. Valentinus ontmoette deze Theudas rond 110 en stichtte na een visioen van het Jezuskind een school in Alexandrië. In 139 kwam hij naar Rome waar hij nog een school stichtte. Het gnosticisme kwam vanaf het begin van de tweede eeuw op vanuit het oosten en het verspreidde zich redelijk snel over de hele wereld. Als groep hield men zich op binnen de Kerk, maar men had eigen gebruiken, diëten, … . Het gnosticisme huldigt een onbekende God, die slechts door enkele uitverkorenen, immanent gekend kan worden: het heil en de verlossing van de mens vindt nergens anders plaats dan in zijn eigen kennis van het goddelijke. Het gnosticisme staat daarbij afkerig tegenover de materiële wereld. Het zogenaamde Christelijk gnosticisme wordt gekenmerkt door de overname binnen het gnostische systeem van Christelijke elementen. Valentinus heeft ongetwijfeld de geniaalste compositie gemaakt. In zijn Evangelie van de waarheid dicht hij in een hymnische taal een gnostische mythe die het hele bestaan en de verlossing van de mens verklaart. Dit alles is ingekleed met Christelijke elementen en beelden uit de hellenistische en klassieke filosofie en mythologie. Door zijn genialiteit spreekt deze syncretistische leer erg aan bij zijn tijdgenoten, die in een neo-Platoonse sfeer naar wijsheid en kennis zochten. Evenals Plato zochten zij bij moeilijkere onderwerpen hun toevlucht en uitkomst in mythische omschrijvingen. De leerlingen van Valentinus vallen al vrij spoedig uiteen in verschillende groepen. Een korte schets van zijn leer kan hier volstaan. De godheid bestaat uit een serie van emanaties, voortvloeiend uit een ongeworden oergrond. Deze emanaties gebeuren paarsgewijze, volgens het schema man-vrouw, het vrouwelijke element is inherent aan het mannelijke. Het allereerste paar bestaat uit de oergrond (afgrond, vader) waarin een volledige stilte rust. Hieruit vloeien drie paar eenheden (syzygiën) voort: de Nous (eniggeboren Zoon) waarin de waarheid zetelt, de Logos (Woord) die zich uit in het leven, en de ideale mens die geïnitieerd is in de (gnostische) kerk. Deze achtheid ontvouwt zich in 30 eonen, de laatste eoon is de wijsheid, de oorsprong van alle kwaad.

Het Valentinianisme bleef steeds een kleinere groep tot die verdween in de 7e eeuw.

1.2.2 Marcion.

In juli 144 werd Marcion (ca 85- ca 160) uitgesloten door de Kerk te Rome. Daarna ging hij actief propaganda maken tegen de Kerk. Reeds vanaf 139 had hij zijn eigen leer ontwikkeld in Rome en een nieuwe H. Schrift naar eigen inzichten samenstelde. Zijn leer is gekenmerkt door een Bijbels antinomisme, of overdreven paulinisme: Evangelie tegen de wet, door de leer van twee verschillende goden in O.T. (de demiurg van de materie, de geesten en het kwaad) en N.T. en het afwijzen van het O.T., door docetisme en ook door een afkeer van de materiële wereld, van het huwelijk, strenge vasten en ascese en bereidheid voor de marteldood. Jezus is enkel een verschijning van de vreemde God, in een schijnlichaam, hij is niet geboren, maar als volwassene verschenen (modalisme).

1.2.3 De Ebionieten.

Dit is een Joods-Christelijke sekte, die ontstond uit de Joods-Christelijke groep die in 66/67 ontstond door uitwijking van Jeruzalem naar Pella. Het ontstaan van de groep en zijn geschiedenis is grotendeels onbekend. De naam “ebonieten” komt van de aanduiding van de Christen als de “armen” (πτωχοί = םי) (vgl. Rom. 15,26; Gal. 2,10) of van de oergemeente in Jeruzalem die deze terminologie voor zichzelf gebruikte. Sinds Ireneüs duidt men deze groep met Ebionieten aan. Voor hen is Jezus de Messias. Hij is echter gewoon de zoon van Jozef en Maria op wie de H. Geest neerdaalde bij zijn doopsel. Jezus is niet zozeer onze verlosser voor hen, maar het voorbeeld van hoe wij moeten leven. Zij houden bv het onderhouden van de wet van Mozes voor heilsnoodzakelijk en vieren naast de zondag ook de sabbat. Zij onderhielden naast de Christelijke gebruiken, ook een aantal Joodse gebruiken, zoals de besnijdenis. Zij verwierpen het hele offer- en priesterwezen, het eten van vlees. Zij kenden dagelijkse rituele doopbaden en sacrale maaltijden. Zij zuiverden de Pentateuch naar eigen inzicht van “valse” perikopen, verwierpen de Paulus-brieven als apostatisch en herschreven het Evangelie van Matteüs.

1.3 De apologetiek van Ireneüs

Ireneüs heeft een enorme betekenis voor de theologie omdat hij (1) als directe weerlegging van de eigenzinnige ‘valselijk genoemde gnosis’ de leer van de kerkelijke traditie uitgewerkt en (2) een leer van de heilseconomie uitwerkt. Het is duidelijk dat Ireneüs ideeën van zijn voorgangers gebruikt, m.n. dan van Justinus. Vóór alles is Ireneüs theologie gebaseerd op en gerelateerd aan de H. Schrift.

1.3.1 Zijn verstaan van de H. Schrift.

Voor Ireneüs levert de Schrift de mogelijkheid om de orthodoxe Christenen te versterken in hun geloof, door aan te tonen dat de gnosis niets met het overgeleverde geloof te maken heeft. In de grond had de Schrift geen betekenis voor de gnosis. De interesse van het gnosticisme voor de Schrift was m.n. een gevolg van de nood aan zelfbevestiging als ook een manier om zich ertegen af te zetten. In feite kende de gnosis geen ander criterium dan zichzelf. Meestal volgden de gnostici een of ander “schoolhoofd” soms ook een geschreven tekst zoals het Evangelie van de Waarheid van Valentinus. De gnosticus kan, doordat hij het pneumatische orgaan voor de volle kennis (gnosis) heeft, in iedere tekst de ware betekenis vinden, die enorm kan verschillen van de betekenis die die tekst voor niet-ingewijden heeft. De gnostici noemen hun methode van exegese zelf: allegorie. Bedoeld hiermee is dat zij hun eigen gedachtegoed proberen terug te vinden in vreemde (d.w.z. niet-direct gnostische) teksten, het is ook wezenlijk een misverstaan en willen misverstaan van die andere tekst of van de erin bedoelde historische werkelijkheid. Het gnosticisme kent bv. heel wat O.T.ische namen, die zelfs een soliede verankering in hun systeem gevonden hebben, maar toch staat het over het algemeen negatief tegenover het O.T. omdat ze de Joodse wereldgod en de schepping door God afwijzen. Schepping is in hun opvatting het werk van de demiurg (vgl. Plato). De Valentinianen staan niet helemaal afwijzend tegenover het O.T., ze leren namelijk dat het zogenaamde zaad (sperma) veel gezegd heeft door de mond van de profeten en door de moeder. Het N.T. daarentegen was onvervangbaar voor de christelijke gnosticisten, want het grootste deel van de “gnosis” is volgens hen pas bekend geworden door Jezus Christus. Door de vaagheid van hun leer en door het gebruik van een allegorische methode van exegese zijn de gnostici erg willekeurig in hun exegese. Ireneüs verwijt hen hun willekeur. Hij verdedigt de autoriteit van de hele Schrift. Hij insisteert op de sufficiëntie van de Schrift: er is geen geheime Openbaring nodig. De gnostici trokken zich vaak terug in hun eigen bolwerk van dogmata en stelden zich zo boven de apostelen en de Schrift. Ireneüs leert de letterlijke interpretatie en ook dat men onduidelijke teksten met duidelijkere moet vergelijken. Ondanks zijn protest tegen de allegorie gebruikt hij ze zelf vaker. Zijn protest richt zich uiteindelijk tegen de hoogmoedige houding van de gnostici tegenover God, wereld en Schrift. De volledige kennis van de dingen van God en Schrift is onmogelijk voor een mens, daarom zijn Kerk en Traditie noodzakelijk. Ireneüs is de eerste die de hele Schrift gebruikt. Voorheen werd in orthodoxe kringen enkel het O.T. als de Schrift gezien. Hij doet dat tegenover Marcion die snoeit in het N.T. om daarin Joodse invloeden te schrappen. De Ebionieten hielden enkel een gezuiverd Matteüs-evangelie en wezen Paulus af. De gnostici hielden ook eigen evangelies, zoals het Evangelie van de waarheid Valentinus en het Evangelie van Judas. Wanneer de schriftargumentatie in hun nadeel uitvalt dan trekken zij zich terug in hun eigen bolwerk van eigen dogma’s, waardoor ze zich boven de traditie, de apostelen en de Schrift stellen. Ireneüs insisteert op de sufficiëntie van de Schrift. Hij stelt dat de zin ervan “helder en duidelijk” is en dat voor de interpretatie geen geheime openbaring nodig is, noch de hulp van gnostische meesters. Hij legt de nadruk op de helderheid en eenheid van de Schrift. Hij baseert zich op de heldere stukken van de Bijbel en niet -zoals het gnosticisme- op de parabels of verborgen dingen. De bijbel heeft zijn gezag uit zichzelf. De Schrift is de absolute regel van de waarheid. Om de Schrift te verklaren neemt Ireneüs zijn toevlucht met name tot een filosofische interpretatie. Hij wil vertrekken van de letterlijke betekenis van een woord, die hij eventueel verduidelijkt aan de hand van paralleltesten, als reactie op de willekeur van de gnostische methode. Daarbij is hij niet vrij te pleite van “fouten”. Hij past de tekst soms aan aan zijn eigen inzichten met behulp van deze methode. Ondanks zijn hevig protest tegen de allegorische methode van het gnosticisme neemt Ireneüs vaker zijn toevlucht tot dezelfde methode zonder de methode deze naam te geven. Uiteindelijk richt Ireneüs’ protest zich tegen de hoogmoedige houding van de gnostici tegenover God, Kerk, wereld en Schrift. Hij stelt dat de volledige kennis van de dingen van God en de Schrift onmogelijk is voor een mens. In de Bijbel wordt aan de menselijke weetgierigheid een beperking opgelegd. Daardoor zijn Kerk en traditie noodzakelijk.

1.3.2 De kerkelijke traditie.

Voor het gnosticisme is de traditie een zeer complex gegeven. De Heer, de oorsprong van de traditie(s) had zelf al een samengestelde natuur. Hij sprak bijgevolg woorden die voortkwamen uit verschillende bronnen, met ieder hun eigen waarde en interpretatie. Volgens de gnosis gaf Jezus een dubbel onderricht: aan de apostelen verkondigde Hij de God van de Joden, terwijl Hij de Openbaring van de onbekende God (Zijn Vader) voor de ingewijden reserveerde. De apostelen hadden daardoor geen idee van de God die hoger was dan de God van de Joden, noch van het pneumatische zaad (een deel van de goddelijke substantie) waardoor de ingewijden gevormd werden. Pas vrij laat na Pinksteren zouden de apostelen deze geheime Openbaring ook gekregen hebben. Ireneüs’ taak is het benadrukken van de eenheid van de traditie. Hij kan dit slechts doen in een schema, waarin de traditie organisch verbonden is met haar drager, de Kerk, met haar kenmerken van “eenheid, heiligheid, apostoliciteit en katholiciteit”. De apostelen zijn de drager van de traditie. Eerst hebben we de mondelingen verkondiging van Jezus gehad, later gaf Hij de opdracht aan de apostelen om te verkondigen. Jezus heeft gewild dat de mondeling traditie eerder was dan de schriftelijke. Zoals de grote filosofen die hun leerlingen persoonlijk vormden, heeft Jezus een groep leerlingen verzameld, die Hij in de kleine alledaags dingen heeft doordringen met Zijn geest. De mondelinge traditie zou zelfs indien de Schrift zou ontbreken een zekere regel voor het geloof zijn. Ireneüs insisteert op het belang van de apostelen en van de Kerk die de grondslag zijn van de Waarheid. Hij beroept zich o.a. op: “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij, Wij Mij verstoot, verstoot Hem die Mij gezonden heeft” (apostoliciteit) (Lc. 10,16). Jezus heeft gewild dat de mondelinge traditie eerder was dan de schriftelijke. De traditie is niet verborgen maar voor ieder toegankelijk in de Kerk (katholiciteit) De traditie is niet verborgen maar voor iedereen toegankelijk in de Kerk. “Zij die de waarheid van het geloof willen zien kunnen in heel de kerk de traditie van de apostelen beschouwen”. Zo beklemtoont hij de algemeenheid (katholiciteit) van de traditie tegen de vele geheime openbaringen van de gnostici en tevens de apostoliciteit. In de Kerk wordt de traditie bewaard door de continue keten van bisschoppen die de apostelen opvolgen. De Kerk is een sociologisch gegeven, ze is alles behalve een louter geestelijke aangelegenheid, die wordt duidelijk door haar organisatie en door de opvolging van de bisschoppen in de verschillende kerken. Rome is de enige Kerk waarvan Ireneüs de volledige bisschopslijst geeft. Zij is de bevoorrechte getuige van de traditie. Dit is vooral te danken aan haar stichting door Petrus en Paulus. In een lange verhandeling aan de hand van de Hand. en de brieven van Paulus waarin sprake is van Petrus, tracht Ireneüs de autoriteit van Petrus te funderen. Kerk en traditie hebben echter geen recht of reden om te bestaan zonder de H. Geest. Tegen de gnostische opwerpingen dat de apostelen aanvankelijk nog niet de volmaakte kennis hadden argumenteert Ireneüs vanuit de Schrift met teksten die spreken over de gave van de H. Geest. “Want nadat onze Heer verrezen is uit de doden en zij ‘met de kracht uit den hoge door de plotse komst van de H. Geest; (Lc. 24,49) werden bekleed, werden ze vervuld met alle gaven en hadden ze de ‘volmaakte kennis’ (Hand. 2,4)”. Ook Jezus zelf gaf geen dubbel onderricht aan de apostelen. Zij hebben immers zelfs hun leven gegeven voor deze leer. De prediking van de apostelen wordt gerechtvaardigd door de komst van de H. Geest en door dezelfde Geest wordt hun verkondiging intact bewaard in de kerk. De geest zorgt ook voor de eenheid van de openbaring doorheen heel de geschiedenis. In III,24,1 lezen we dat het leven van de individuele Christen en van de hele Kerk voortkomen uit de “overdracht van de waarheid” en dat de Geest aanwezig is in het verkondigde geloof. Het leven is niet onderscheiden van het geloof, dat voortkomt uit de overdracht van de leer:

1.3.3 Zijn godsleer.

1.3.3.1 De ene God.

Het gnosticisme en m.n. Marcion spreken over twee goden: de kwade god uit het O.T. en de goede god uit het N.T. . Ireneüs moet de identiciteit van beide aantonen. Om dit doel te bereiken moet hij de eenheid van de Schrift en de Traditie aantonen. Zijn uitgangspunt is de H. Schrift. Zij het dat er nog geen duidelijke canon bestond. Heel de geschiedenis van de Schrift: profeten, apostelen en Jezus ziet hij als een hechte eenheid. Zijn conclusie zal dan ook de volgende zijn: “Al dezen (evangelisten en apostelen) hebben ons de volgende leer overgeleverd: één God van hemel en aarde, aangekondigd door de wet ene de profeten, en één Christus, de Zoon van God”. Hierbij worden voor de eerste maal in de geschiedenis de teksten van het N.T. geanalyseerde en van commentaar voorzien, waarbij ze dezelfde autoriteit genieten als het O.T. . Een prachtig staaltje van zijn exegetisch kunnen toont hij in zijn uiteenzetting. Hij begint bij de profetische uitspraken over God en gaat verder met de brieven van Paulus en de woorden van Jezus. De hechtheid van het geloof in de éne God van het O.T. en N.T. kan hij zo vaststellen in Schrift en traditie, en a fortiori in de vier evangelies die in feite maar één evangelie zijn. De zekerheid van de eenheid van God, voortvloeiend uit de eenheid van Schrift en traditie, wordt nog bevestigd door het getuigenis van Petrus in Hand. 1-5,10. Andere argumenten voor de eenheid van God haalt Ireneüs uit de getuigenissen van Filippus (Hand. 8, 27-40), van Paulus te Damascus (9,20), op de Areopaag (17,24-31) en te Lystra (14,8-17), ook uit het getuigenis van Stefanus (7) en van het concilie van Jeruzalem (15,6-29). God is ook de Drie-ene God zoals wordt overgeleverd in de traditie en zoals geschreven staat in de H. Schrift: “’Eén God en Vader van allen die is boven allen en met allen en in allen’ (Ef. 4,6). Want boven allen is de Vader, maar met allen is het Woord, want het is door zijn tussenkomst dat alles geschapen werd door de Vader’; maar in ons allen is de Geest, die roept ‘Abba, Vader’ (Gal. 4,6; Rom. 8,15) en die de mens vormt tot gelijkenis van God…”. Alhoewel Ireneüs vele trinitaire teksten heeft weigert hij speculaties op vlak van de Triniteit. Hij houdt zich aan de bijbelse taal.

1.3.3.2 De kennis van God.

Voor het gnosticisme was God totaal onbekend (ἀγνωστος). De gnosis gaat veel verder dan de Bijbelse verborgen God of de moeilijk te kennen Platoonse God. Zij huldigt een radicaal dualisme tussen God en de wereld, bijgevolg kan God enkel via de demiurg gekend worden, zodat alleen de ingewijde tot de kennis van God kan komen. Voor Ireneüs heeft de geschiedenis als geschiedenis de taak om God te doen kennen, bovendien is de eenheid van de geschiedenis ook nog een argument voor de eenheid van God, immers de ene God is nodig om ervoor te zorgen dat de geschiedenis geen zinloze verzameling van losse feiten wordt. Voor Ireneüs is de openbaring van God in de geschiedenis dé weg waarlangs de mens de wel en de eigenschappen vang God kan kennen. De Demonstrationes is het boek dat de lijn van de heilshistorie schildert, van de profeten tot de Zoon. De hele heilseconomie is een zichtbaar-worden van God. “Eerst werd Hij in de Geest profetisch gezien, dan door de tussenkomst van de Zoon, zoals het aangenomen kinderen toekomt, in het hemelrijk zal Hij gezien worden al Vader. De Openbaring is verbonden met alle ogenblikken waarin God zichzelf liet zien. Ireneüs huldigt hierbij een zekere dialectiek: de proefeten zagen God en tegelijk zagen ze Hem niet. Deze beperkingen moeten Gods transcendentie vrijwaren. Dit zien van God is geen louter theoretisch gebeuren, maar een echt levengevend gebeuren waarin de H. Geest een centrale rol speelt. Het is geen immanent gebeuren, zoals in de gnostische systemen. Immers dit zien gebeurt met de aardse ogen die door de genade versterkt zijn. dit laatste ie een Christelijke aanpassing van de neo-Platoonse θεωρίa. Het aanschouwen is de weg en het doel van hen die naar God toegaan, daarom kan het werk van de rede niets anders zijn dan voorbereiding op de aanschouwing. Het geloof kan hierbij niet worden weggecijferd.

1.3.4 De Christologie.

Binnen het gnosticisme zijn er verschillende leren over Christus. Maar allemaal zijn ze docetistisch. Er is een hoogste “geestelijke” Christus, een emanatie van de hoogste God. Hij is in een schijnlichaam naar beneden gekomen. Hij is onder ons verschenen, gehuld in ‘geestelijke elementen’, zonder materie, want deze laatste is in wezen slecht. Het moment van Zijn nederdaling is voor de een in de kribbe, voor de ander bij de doop in Jordaan. Voor de Valentinianen is de geestelijke Christus de Zoon van de God van de Joden, die “door Maria gegaan is als door een buis”. Ebionieten houden hem voor een louter menselijk wezen, geboren uit Maria en Jozef. Voor alle gnostici heeft de geestelijke Christus zich losgemaakt van Jezus bij de passie. Ireneüs toont aan dat het Woord van God waarlijk vlees geworden is en dat de mens Jezus God is.

1.3.4.1 Christus, het Woord van God is waarlijk vlees geworden.

Het belangrijkste argument om dit te bewijzen ontleent Ireneüs aan het begin van het Johannes-evangelie. Hij stelt: “Met de woorden van Johannes zelf hebben wij alles bewezen”. Het begin van het Matteüs-evangelie: “Geslachtslijst van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham (1,1) ziet hij als een bewijs voor zijn waarlijk mens-zijn en Mt. 1,20-23: “het kind in haar schoot is van de H. Geest” als een bewijs voor Zijn godheid. Andere schriftargumenten haalt hij uit de brieven van Paulus, vooral Rom. en Gal, uit Mc. 1,1, Lc. en uit de brieven van Joh.. De gnostische opvatting dat de hoogste Christus neergedaald is op de geestelijke Christus in de vorm van een duif bij de doop in de Jordaan wordt weerlegd door erop te wijzen dat de Geest die bedoeld is in Mt. 3,16 (Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen), de H. Geest is. Na zijn uitgebreide schriftargumentatie spreekt Ireneüs over het motief van de incarnatie: alle mensen moeten gered worden en dit kan alleen gebeuren door de éne Christus. Om dit te bevestigen onderzoekt Ireneüs de woorden van de Heer en van de apostelen en hij besluit zijn betoog dan met een samenvatting van de nieuw-testamentische leer, waarbij hij zonder de latere technische termen te gebruiken, het Woord schildert als één persoon met twee naturen.

  • “Want als het geen mens zou zijn, die de vijand van de mens had overwonnen dan zou de nederlaag van deze vijand niet rechtvaardig zijn; als van de andere kant iemand anders dan God ons het heil zou gegeven hebben, can zouden wij het niet op zekere wijze bezitten. En als tenslotte de mens niet in eenheid met God geplaatst was, zou hij nooit deel kunnen hebben aan de onvergankelijkheid.”

1.3.4.2 De mens Jezus is God.

Dit moet hij niet verdedigen tegen de Valentinianen wel tegen Joden en Ebionieten hierin Ireneüs in verlengde van Justinus’ Dialoog met de jood Tryphon. Ireneüs neemt in III,19,1-21,9 niet meer het woord (λογος) maar de mens Jezus als uitgangspunt. Justinus heeft deze kwestie al uitvoerig behandeld. Ireneüs herhaalt het motief van de incarnatie: “Daarom is het Woord van God mens geworden en de Zoon van God mensenzoon geworden: opdat de mens in gemeenschap treedt met het Woord van God en door de aanname (adoptie) zoon van God wordt (vgl. Joh. 1,12)”. Door de profetische voorspellingen wordt bewezen dat de Jezus die door de profeten voorspeld is, het Woord is dat van vóór alle eeuwigheid bestaat.

  • “De H. Schrift geeft een dubbel getuigenis over Hem: enerzijds is Hij ‘mens’, ‘zonder eer’, ‘onderworpen aan het lijden’, ‘gezeten op het jonge van een ezelin’, met ‘azijn en gal gelaafd’, ‘veracht’ door het volk en ‘vernederd tot de dood’. Anderzijds is Hij de ‘Heilige Heer’, de ‘Wonderbaarlijke’, de ‘Raadgever’, ‘Schitterend door schoonheid’, ‘sterke God’, ‘Hij zal komen op de wolken gezeten’ als ‘Rechter’ van het heelal. Al deze dingen zijn over hem gezegd in de Schriften”.

Twee tekens heeft God gegeven in Zijn goedheid die verwijzen naar Zijn Zoon met “twee naturen”: de Emmanuelprofetie (Jes. 7,10-16) en het teken van Jona (Jon. 1,1v). De noodzaak om verlost te worden toont Ireneüs aan aan de hand van Paulus en de profeten die hun wijsheid van Christus gekregen hebben.

1.3.5 Zijn theorie van de “recapitulatio”.

De theorie van de “recapitulatio” (ἀνακεφαλαιοσις) is een prachtig voorbeeld van de kracht van Ireneüs’ denken. Hij ziet hierin de hele wereld en zijn geschiedenis in één grote eenheid tezamen. Het geloof verbindt Ireneüs met de geschiedenis. Hij maakt er een apologetische constructie van. Uit deze grootse constructie is de eenheid van de wereld- en heilsgeschiedenis (m.n. door het verbond met Abraham en Noach), van de H. Schrift en van de traditie af te lezen en daarmee is ook de mogelijkheid voor allen gegeven om God en Christus te kennen en om te verwijzen naar hun beider eenheid. In grote lijnen kunnen we de leer van de “recapitulatio mundi” als volgt schetsen: Christus is de volheid der tijden en het culminatiepunt van de mensengeschiedenis. In Zijn hele levensloop, van geboorte tot verrijzenis, vat Jezus de heilsgeschiedenis samen. Jezus vervult de geschiedenis en “bundelt het voorbijgaande samen tot één wezens- en zineenheid.” “Op de ‘recapitulatio’ heeft Christus het hele mensengeslacht, de hele schepping van meet af aan gericht.” De recaputulatio van de Adam gevallen mens gebeurt door genadevolle vernieuwing en herstelling (in Christus) en wordt uiteindelijk volledig voltooid bij de verrijzenis van het lichaam. De komst van Gods Zoon en de daardoor ontstane verwantschap tussen God en mens is het begin van de eschatologische recaputulatio.”

1.3.5.1 De incarnatie.

De theorie van de ‘recapitulatio’ gebruikt Ireneüs om de incarnatie van Christus te schilderen in het geheel van de heilsgeschiedenis. Ireneüs veronderstelt een overeenkomst tussen Adam en Christus, de nieuwe Adam, en tussen Eva en Maria. “Heel zijn werk, dat Hij van te voren heeft gemaakt, heeft Hij ‘in Christus onder één hoofd gebracht’ (Ef. 1,10)” “De eerste Adam is geboren uit de maagdelijke aarde, de tweede uit een maagd. Zelfs Zijn wijze van ontstaan gebeurt zoals het eerste werk, om het precies zo opnieuw op te nemen om het te ‘herhalen’, dit wil zeggen om het ‘opnieuw op te nemen’ in zich”. Wat bij de eerste Adam verloren ging moest de tweede redden, daarom heeft God de Schepper aan de ‘gelijkenis’ tussen hen beiden vastgehouden, ook in het ontstaan. De waarheid van de incarnatie -tegen het docetisme- wordt bevestigd door de schriftteksten die Ireneüs citeert, vooral komen ze weer uit de brieven van Paulus en uit de evangelies. Het hoogtepunt van de verlossing en van de incarnatie is het lijden (vgl. D. 25). Aan de hand van vele schriftcitaten schildert Ireneüs de parallel tussen de beide Adams door de overeenkomst tussen Eva en Maia. Omdat de mensheid niet buiten de volheid van God gesloten is, maar door Zijn goedheid en geduld wordt verder gedragen, daarom kan een schepsel ook God dragen. Zo kan men begrijpen dat het voor Ireneüs niet slechts een vrome wens, maar een theologische noodzaak is, dat de eerste Adam werkelijk gered is. Daarom wijdt hij een heel hoofdstuk aan de realiteit van de erfzonde, de positieve en universele heilswil van God en de uiteindelijke redding van Adam.<

1.3.5.2 Kosmo-(theo)-logie en anthropologie.

Kosmologie en antropologie zijn nauwelijks te scheiden bij Ireneüs, want deze wereld heeft slechts zin doordat hier de mensen leeft, die doorheen de hele geschiedenis naar God gevoerd wordt. Beide themata moeten daarom samen behandeld worden. De gnosis huldigt haar onbekende God, die niets met de wereld te maken heeft. De wereld is een minderwaardig product van een lagere godheid: de demiurg of de God van de Joden. Voor Ireneüs is God, de onmeetbare en verborgene, de schepper van de wereld. Zijn verhouding met deze wereld is wezenlijk trinitair, met Zijn “beide handen”, de Zoon en de Geest heeft de Drie-ene God deze wereld en de mens geschapen uit liefde. De materiële dingen hebben wel degelijk een echte waarde antwoordt Ireneüs op de gnostische these van de minderwaardigheid van deze wereld. Het duidelijkst wordt dit in de testen waarin hij spreekt over de mensheid van Christus. God en schepping (schepsel) verhouden zich als ‘zijn en worden’, als ‘eeuwigheid en tijd. God is zijn en daardoor eeuwig; de mens, het wordende schepsel -dat noodzakelijk begin, midden en einde heeft- is wezenlijk op God aangewezen en heeft Hem nodig. Dit onderscheid, tussen God en wereld, werkt zo diep door bij Ireneüs dat het Griekse onderscheid tussen materie en geest erbij verbleekt. God is absoluut onkenbaar als Hij zich niet openbaart; deze openbaring gebeurt -parallel met de schepping- door de Zoon en de H. Geest. Ireneüs komt tot deze opvatting door Mt. 11,27: “Niemand kent de Vader tenzij de Zoon en niemand kent de Zoon tenzij hij aan wie de Zoon het wil openbaren”. Ook hier neemt hij zijn toevlucht tot de recapitulatie-theorie. Hierin plaats hij zijn progressief, dynamisch mensbeeld. De mens was bij de schepping volmaakt, “zo was de mens vanaf het begin in staat tot onvergankelijkheid en om te zijn naar de gelijkenis (met God)”. door de zonde van Adam ging deze volmaaktheid verloren, de eerste mens kon de rijkdom van Gods Geest nog niet dragen. De eerste zonde, waarvoor vooral de gevallen Chiliarch (= de engel die voor de mensen moet zorgen) verantwoordelijk is, heeft een verstoring aangebracht in de geschiedenis zonder echter de werkelijke lijn te veranderen. Het wegnemen van de boom des levens is een daad van God, waardoor de mensen de genade krijgt om te sterven (= einde van zijn zondig leven), zo kan de sterfelijke mensen weer hermaakt worden door God in de verrijzenis, ook dan zal de mens bestaan uit lichaam en ziel. De hele geschiedenis en openbaring zijn een opvoeding (παιδεία) van een voor het menselijk geslacht. In deze opvoeding staat de komst van Christus op het juiste ogenblik centraal. Hij neemt de menselijke natuur op zich en herstelt de rijkdom en volmaaktheid van het begin weer. Het aardse bestaan van de mens is slechts tijdelijke en uiteindelijk gericht op de onvergankelijkheid. De vrijheid van de mens sluit de mogelijkheid om te zondigen niet uit. Ireneüs bewijst dat de ene God tegelijk goed is én rechter, aan de hand van de Schrift. Marcion zag in deze “dubbelheid” van God namelijk een argument voor het bestaan van twee goden. Ireneüs benadrukt daarom de universele heilswil van God én de vrijheid van de mens.

1.4 Slotopmerkingen.

Ireneüs leverde een enorme prestatie. Hij behandelt niet alleen grote themata zoals schepping, incarnatie en verlossing, maar hij bestrijkt ook -als eerste- ongeveer het hele terrein van de dogmatiek, aan het “begin” pas van de systematische theologische reflectie. Zo behandelt hij het wezen van de Godmens Jezus-Christus, de relatie van Christus en de Kerk, de rol van de H.- Geest, van Maria, de H. Schrift, het mysterie van de Kerk, de traditie. Verrassend is de bibliciteit en de rijpheid van zijn theologisch denken in zo’n vroeg fase van het theologisch denken.

 

Bron : Apowiki

Theophilus van Antiochië : Verdediging van de scheppingsleer

Theophilus van Antiochië :  Verdediging van de scheppingsleer

theophilus van Antiochië.jpg

Theophilus van Antiochië

1 Literatuur.

  • H.U. Meyboom, De Apologeten III. Theophilus aan Autolycus, Leiden, A.W. Sijthoff’s, 1910. (Ook de gebruikte vertaling komt uit dit boek).

2 Leven.

Theophilus van Antiochië is een vrij onbekende kerkvader, of apologeet. Een van de weinige biografische gegevens uit zijn werken is dat hij pas als volwassen man Christen werd (Ad Autol. 2,24 en 14). Volgens Hiëronymus

Lees verder “Theophilus van Antiochië : Verdediging van de scheppingsleer”

heiligenleven : Deogratias

Heiligenleven

De heilige Deogratias

 

deogratias4.jpg

 Deogratias verzorgt zieken in een kerk (prent Rijksmuseum Amsterdam)

 

De heilige Deogratias, bisschop van Carthago, waarvoor hij gewijd werd in 454. De zetel was toen 14 jaar vacant geweest wegens de vervolging van de ariaanse Vandalenkoning Genserik. Toen deze in 455 Rome had geplunderd, kwam hij met ontelbare gevangenen naar Carthago, die als slaaf verkocht werden. Mannen, vrouwen en kinderen werden afzonderlijk verkocht, de gezinnen werden uiteengerukt en er ontstond een onnoemelijke ellende.

Deogratias was hierdoor diep ontroerd en zette heel zijn werkkracht in. Hij maakte alle kerkschatten van zijn bisdom te gelde en kocht de gevangenen vrij. Om de ongelukkigen onder te brengen, richtte hij de twee grootste kerken in als opvangcentrum. De vloer werd belegd met stro en er werden slaapplaatsen gemeekt voor de vele zieken. Hij was zelf dag en nacht in de weer om allen te verzorgen met voedsel en geneesmiddelen en hen zonodig te verplegen. Hij was reeds oud, maar deze immense nood schonk hem nieuwe kracht. Wel ging deze overmatige krachtinspanning ten koste van zijn gezondheid en na een jaar stierf hij in vrede, in 456. Genserik verbood verder alle bisschopswijdingen, dertig jaar lang, in heel Noord-Afrika, zodat daar na die periode nog maar drie orthodoxe bisschoppen in leven waren.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag