Macarios : De ontvangst van de farizeër en de ontvangst van de zondares

Homilie toegekend aan H. Macarius (? – 405), monnik in Egypte
Geestelijke homilie, 30, 9

Macarios van Egypte.jpg

Macarios van Egypte De ontvangst van de farizeër en de ontvangst van de zondares

Laten we onze God en Heer ontvangen, de ware geneesheer die de enige is die in staat is om onze ziel te genezen door bij ons te komen, Hij heeft zoveel moeite voor ons gedaan. Hij klopt onophoudelijk aan de deur van ons hart opdat we voor Hem open doen, opdat Hij binnen kan komen, en in onze ziel kan rusten, dat wij Hem de voeten wassen en Hem met parfum overdekken, en dat Hij bij ons komt wonen. Jezus beschuldigt immers degene die Hem niet de voeten heeft gewassen en elders zegt Hij: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen”(Ap3,20). Daarom immers heeft Hij zoveel lijden verdragen, heeft Hij zijn lichaam aan de dood uitgeleverd, en ons vrijgekocht van de slavernij: dat is om in onze ziel te komen en er zijn woning van te maken.
Daarom zei de Heer tegen degenen die bij het oordeel aan de linkerkant zullen zijn en naar de hel gestuurd worden: “Ik was vreemdeling en u hebt Mij niet gehuisvest; Ik had honger en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij niet te drinken gegeven” (Mt 25,42v). Want zijn voedsel, zijn drank, zijn kleding, zijn dak, zijn rustplaats is in ons hart. Daarom klopt Hij onophoudelijke en wil bij ons binnenkomen. Laten we Hem ontvangen en brengen wij Hem bij ons binnen, want Hij is ook ons voedsel, onze drank en ons eeuwige leven.
En elke ziel die Hem nu niet ontvangt in zijn binnenste, zodat Hij rust kan vinden of liever zodat zij in Hem kan rusten, zal niet het Koninkrijk der hemelen erven met de heiligen en zal niet de hemelse stad kunnen binnengaan. Maar U, Heer Jezus Christus, maak dat wij er binnen kunnen gaan, wij verheerlijken uw naam met de Vader en de heilige Geest in alle eeuwen. Amen.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

de heilige Ceadmon

 

 

Heiligenleven

De heilige Ceadmon

 

caedmon.jpg

heilige Caeadmon

 

De heilige Ceadmon was een oude koeherder op het land van de Whitby-abdij, een dubbelklooster, zoals er vele waren in de zevende eeuw. Dit stond onder het bestuur van abdis Hilda. Het monnikenklooster was een ware kweekplaats van missionarissen, heilige monniken en verschillende bisschoppen.

Op de feestelijkie bijeenkomsten was het de gewoonte dat ieder om de beurt een lied zong, maar telkens wanneer de harp aan Ceadmon werd overhandigd, stond hij op en ging naar zijn hut, want hij voelde zich niet in staat om iets te zingen.

Op zulk een avond, toen hij zo van zijn vrienden was weggegaan en op zijn strobed in slaap gevallen was naast de koeien, hoorde hij een stem : “Ceadmon, zing iets voor me”. Hij antwoordde : “Ik kan niet zingen, daarom ben ik juist weggegaan en lig ik hier”. “Zing toch maar iets”, zei de stem. “Maar waarover zal ik zingen”. “Over de schepping van de wereld”. En onmiddellijk begon Ceadmon, die nooit gezongen had, in rijke verzen de heerlijkheid en de macht van de Schepper te bezingen.

De volgende morgen kon hij zich alles nog precies herinneren en hij vertelde wat er gebeurd was aan de boer bij wie hij diende, en deze vertelde het interessante nieuwtje verder rond, zodat ook abdis Hilda ervan hoorde. Deze kende waarschijnlijk de verlegen Ceadmon en was zo geïntrigeerd dat ze hem liet roepen en hem ondervroeg in het bijzijn van de geleerde monniken van het klooster. Allen waren zeer verbaasd, want het was de eerste religieuze zang in de engelse taal, die toch ongeschikt geacht werd om goddelijke werkelijkheden te bezingen Opgewonden werden hem allerlei belangrijke plaatsen uit de bijbel verteld, en Ceadmon herhaalde alles in klankrijke verzen.

Allen zagen dit als een bijzondere genade van God en Ceadmon werd met heel zijn gezin uitgenodigd in de communauteit, waar hij met liefdevolle zorg en grote eerbied werd omringd. Later nam Hilda hem op onder haar monniken en liet hem de gehele Bijbel overzetten in het Angelsaksisch, tot vreugde en stichting van allen die het hoorden.

Maar behalve een groot dichter was Ceadmon ook een groot Heilige. Zijn voorbeeld en zijn glanzend woord brachten velen van zijn landgenoten tot Christus. Ook zijn dood droeg dit stempel van eenvoudige en echte schoonheid. Wegens een plotselinge ziekte werd hiju naar de ziekenafdeling gebracht en hij vroeg om neergelegd te worden in de kamer der stervenden, waar hij zich opgewekt met de broeders onderhield en om de Communie verzocht. Deze werd hem gebracht en volgens de gewoonte van die tijd nam hij de yheilige Eucharistie zelf in de hand. In deze plechtige houding vroeg hij de broeders of iemand iets tegen hem had in zijn binnenste of een klacht tegen hem in te brengen had. Allen zonder uitzondering antwoordden ontkennend. Toen verklaarde hij dat ook hij zichzelf in vrede voelde met al Gods dienaren. Daarna nuttigde hij het heilige Sacrament, maakte het kruisteken en legde zijn hoofd neer op het kussen. Stil sliep hij in om nooit meer te ontwaken, ongeveer 680.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orth.klooster. Den Haag

21e zondag na Pinksteren : de zaaier

21e zondag na Pinsteren

 

“De parabel van de zaaier”

 

 

zaaier2.jpg

 

LEZINGEN

Galaten 2,16-20

Aangezien wij weten dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de werken van de wet, maar alleen door het geloof in Jezus Christus, zijn ook wij in Christus Jezus gaan geloven, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken van de wet, want door de werken van de wet zal geen mens gerechtvaardigd worden. Als wij nu, door onze gerechtigheid te zoeken bij Christus, ook zelf zondaars bleken te zijn, betekent dit dan dat Christus in dienst staat van de zonde? Dat nooit! Maar als ik weer opbouw wat ik heb afgebroken, maak ik mezelf tot overtreder. Want staande onder de wet ben ik gestorven voor de wet, om te leven voor God. Met Christus ben ik gekruisigd. Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij. Mijn sterfelijk leven is een leven in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij.

EVANGELIE

Lucas 7,11-16 :

Gelijkenis van het zaad
Een grote menigte verzamelde zich en uit alle steden kwamen de mensen naar Hem toe. Toen vertelde Hij deze gelijkenis: ‘Een zaaier ging het land op om zijn zaad te zaaien. Bij het zaaien viel er een deel op het pad; het werd vertrapt en de vogels van de hemel aten het op. Een ander deel viel op rotsige bodem; het kwam wel op, maar het verdorde door gebrek aan vocht. Weer een ander deel viel tussen de distels, maar ook de distels groeiden op en ze verstikten het. En weer een ander deel viel in goede aarde; het kwam op en droeg honderdvoudig vrucht.’ En Hij besloot met de uitroep: ‘Wie oren heeft om te horen, moet horen.’
Zijn leerlingen vroegen Hem wat de gelijkenis betekende. Hij zei: ‘Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk van God te kennen, maar* de anderen moeten het doen met gelijkenissen, opdat ze kijken, maar niet zien; horen, maar niet verstaan. Dit betekent de gelijkenis: het zaad is het woord van God. Die op het pad zijn zij die het woord horen, maar dan komt de duivel en pakt het weg uit hun hart om te voorkomen dat ze gaan geloven en gered worden. Die op de rotsige bodem zijn zij die het woord met vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar ze hebben geen wortel; ze geloven enige tijd, maar op het moment van de beproeving worden ze afvallig. Wat in de distels valt zijn zij die horen, maar gaandeweg worden ze door zorgen, rijkdom en de genoegens van het leven verstikt en raken niet volgroeid. Wat in goede aarde valt zijn zij die het woord met een goed en edel hart horen en vasthouden, die volharden en vrucht dragen

Akathist tot de Moeder Gods (Frans

 

Akathist tot de Moeder Gods (Frans)

Hymne Acathiste

 Réjouis-Toi, O Mère du Sauveur, Alléluia, Alléluia, Alléluia.

1 Réjouis-Toi, rayonnement de joie, réjouis-Toi, par qui le mal a disparu, réjouis-Toi, Tu relèves Adam de sa chute, réjouis-Toi, par Toi Ève ne pleure plus.

 Réjouis-Toi, montagne inaccessible aux pensées des hommes, réjouis-Toi, abîme impénétrable, même aux anges, réjouis-Toi, car Tu deviens le trône et le palais du Roi, réjouis-Toi, porteuse de Celui qui porte tout.

 Réjouis-Toi, Étoile annonciatrice du Soleil Levant, réjouis-Toi, par qui Dieu devient petit enfant, réjouis-Toi, car Tu renouvelles toute créature, réjouis-Toi, en Toi nous adorons le Créateur.

 Réjouis-Toi, Mystère de la Sagesse Divine, réjouis-Toi, Foi de ceux qui prient en silence, réjouis-Toi, qui as part aux miracles du Christ, réjouis-Toi, miracle proclamé par les Anges. Réjouis-Toi, O Mère du Sauveur, Alléluia, Alléluia, Alléluia.

2 Réjouis-Toi, échelle par qui Dieu descendit du Ciel, Réjouis-Toi, Pont conduisant au ciel ceux qui sont sur la terre, réjouis-Toi, Ton enseignement surpasse tout savoir, réjouis-Toi, Tu illumines lesprit des croyants.

Réjouis-Toi, par qui les cieux se réjouissent avec la terre, réjouis-Toi, par qui la terre jubile avec les cieux, réjouis-Toi, bouche fermée des apôtres, réjouis-Toi, fermeté des témoins du Christ.

 Réjouis-Toi, qui rends inébranlable notre foi, réjouis-Toi, qui sais la splendeur de la grâce, réjouis-Toi, par qui lenfer est dépouillé , réjouis-Toi, qui nous revêts de gloire. Réjouis-Toi, Mère de la Lumière sans déclin, réjouis-Toi, Aurore du jour véritable, réjouis-Toi qui illumine le mystère de la Trinité, réjouis-Toi, Allégresse de toutes les générations.

Réjouis-Toi, Marie comblée de grâce. Alléluia, Alléluia, Alléluia. Réjouis-Toi, Mère de lAgneau et du Pasteur, réjouis-Toi, Bergerie de lunique troupeau, réjouis-Toi, qui nous libères des œuvres de ténèbres, réjouis-Toi, Tu nous ouvres les portes du Paradis.

 Réjouis-Toi, qui nous délivres de la mort et du tombeau, réjouis-Toi, par qui le Paradis sentrouvre de nouveau, réjouis-Toi, clé du Royaume du Christ et porte du Ciel, réjouis-Toi, espérance des biens éternels. Réjouis-Toi, rayonnement du Soleil Véritable, réjouis-Toi, Éclat de la Lumière sans sans couchant, réjouis-Toi, qui illumines nos cœurs, réjouis-Toi, Flambeau portant la Lumière inaccessible.

 Réjouis-Toi, Toi qui fais couler des fleuves dEau Vive, réjouis-Toi, Image vivante de leau du baptême, réjouis-Toi, Coupe puisant la joie, réjouis-Toi, Vie de joie mystérieuse. Réjouis-Toi, O Mère du Sauveur. Alléluia, Alléluia, Alléluia.

Augustinus : over de hoogmoed

Augustinus : over de hoogmoed

Augustinus 555.jpg

 

Zusters en broeders,

Wanneer wij ontsnapt zijn aan alle strikken van dit sterfelijk leven, wanneer de tijd van beproeving voorbij is, wanneer de stroom van deze tijd heeft opgehouden te vloeien, wanneer wij omkleed zullen zijn  met ons eerste feestgewaad : de onsterfelijkheid die wij door de zonde verloren, wanneer dit bederfelijke omkleed zal zijn met onbederfelijkheid, dat wil zeggen ons vlees onbederfelijk zal zijn geworden en dit sterfelijke onsterfelijk, dan zal elk schepsel de volmaakte kinderen van God erkennen. Dan is het niet meer nodig beproefd of geslagen te worden. Alles zal ons onderworpen zijn als wij ons hier onderwerpen aan God

Een christen moet zich dus nooit verheven achten boven andere mensen. De gave van God bestaat hierin dat Hij u boven de dieren plaatst, dat wil zeggen dat gij meer zijt dan een dier. Dit hebt ge van nature en deze gave zult gij altijd bezitten. Wilt gij echter meer zijn dan een ander mens, dan zult ge noodzakelijk jaloers op hem worden wanneer ge ziet dat hij uw gelijke is.

Daarom moet ge ernaar streven dat alle mensen op dezelfde hoogte staan als gij. Overtreft gij een ander in verstandelijkheid, wens dan dat hij even verstandig wordt als gij. Zolang hij onwetend is, heeft hij u nodig. Gij hebt klaarblijkelijk de rol van leraar, hij van leerling. Als leraar zijt gij de meerdere, hij als leerling de mindere. Indien gij niet wilt dat hij uw gelijke wordt, komt dat hierop neer dat gij hem altijd leerling wilt laten. In dat geval echter zijt gij een afgunstige en jaloerse leraar. Of nog sterker, hoe kan een jaloerse leraar een echte leraar zijn ? In Gods naam, draag uw eigen jaloersheid toch niet op uw leraar over ! De liefde spreekt anders. Luister maar naar Paulus : “Ik zou willen dat alle mensen waren zoals ikzelf” (1 Kor. 7,7). Inzover hij wilde dat alle mensen zouden zijn zoals hij, overtrof hij de anderen in liefde, want de liefde streeft naar gelijkheid.

De mens houdt dus vaak geen maat. Hij die geplaatst is boven het dier, wil uit hebzucht meer zijn en ook boven de mens staan. Daarin bestaat juist de hoogmoed.

Ook de hoogmoed is ongetwijfeld in staat tot grote daden. Ga maar eens na hoe zij dingen doet, die niet alleen gelijken op de daden van de liefde, maar er nagenoeg gelijk aan zijn. De liefde geeft voedsel aan wie honger lijdt; de hoogmoed doet hetzelfde. De liefde doet dit opdat God geprezen zou worden, de hoogmoed omwille van eigen roem. De liefde geeft kleren aan wie er geen heeft, de hoogmoed doet hetzelfde. De liefde legt zich beperkingen op in spijs en drank, de hoogmoed doet hetzelfde. De liefde zorgt ervoor dat de doden begraven worden, de hoogmoed eveneens. Alle goede werken die de liefde wil doen en onderneemt, jaagt de hoogmoed op haar beurt na; zij legt als het ware de zweep op haar paarden. Maar de liefde is innerlijk. Zij laat geen plaats aan een uiterlijk drukdoende en opgezweepte hoogmoed. Ik zeg niet dat de hoogmoed slecht opzweept, maar dat ze zelf opgezweept is. Ongelukkig de mens die de hoogmoed tot menner heeft; hij gaat noodzakelijk over de kop.

Uit : Eenheid en liefde – Augustinus preken over de eerste brief van Johannes

Vertaling : TJ van Bavel

Gregorius van Nazianze : Waarom staat u hier de hele dag werkloos

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Overwegingen over het Evangelie, nr. 19

 Gregorius van Nazianze1.jpg“Waarom staat u hier de hele dag  werkloos?”

Wij kunnen de verschillende uren van de dag onderverdelen volgens de periodes van het leven van een mens. De vroege ochtend is de kindertijd van onze intelligentie. Het derde uur kan begrepen worden als de adolescentie, want de zon komt dan al omhoog, en de ijver van de jongeren begint zich daar te verwarmen. Het zesde uur is de periode van de volwassenheid : de zon staat daar als op zijn evenwichtspunt, aangezien de mens dan in de volheid van zijn kracht is. Het negende uur duidt op de ouderdom, waar de zon neerdaalt van het hoogste punt aan de hemel, omdat de ijver van de rijpere leeftijd bekoelt. Uiteindelijk is het elfde uur de periode die men hoge ouderdom noemt… Omdat sommigen vanaf hun kindertijd in een eerlijk leven geleid zijn, anderen vanaf de adolescentie, anderen vanaf een rijpere leeftijd en anderen in hun ouderdom, weer anderen tenslotte vanaf een zeer hoge ouderdom, is het net als ze naar de wijngaard geroepen zijn op andere uren van de dag.
Onderzoek, broeders en zusters, uw eigen manier en zie of u bent begonnen om te handelen als arbeiders van God. Denk goed na, en zie of u werkt in de wijngaard van de Heer… Hij die het leven voor de Heer verwaarloosd heeft tot aan zijn hoge leeftijd, is als een arbeider die tot aan het elfde uur werkloos is gebleven… “Waarom bent u daar de hele dag zonder iets te doen?” Het is alsof men duidelijk zegt: “Als u niet hebt willen leven voor God in uw jeugd en uw volwassenheid, heb dan tenminste berouw op uw hoge leeftijd… Kom toch op de weg van het leven”.
Is de goede moordenaar ook niet op het elfde uur gekomen? (Lc 23,39v) Niet door zijn leeftijd, maar door zijn doodstraf, is hij in de avond van zijn leven gekomen. Hij is tot God bekeerd aan het kruis, en hij heeft bijna zijn laatste adem uitgeblazen op het moment dat de Heer zijn vonnis velde. En de Meester van dat gebied stond de goede moordenaar vòòr Petrus toe om de rust van het paradijs binnen te gaan, en heeft het loon uitgedeeld aan de eerste als aan de laatste.

Heilige Harlindis en Relindis

Heiligenleven

De heiligen Harlindis (Herlinda) en Relindis(Reinilda)

Harlindis en Relindis.jpg

 

De heiligen Harlindis en Relindis, abdissen van Aldeneik. Zij waren zusters, geboren op het landgoed Maaseik, en voor hun opvoeding naar de Benedictinessen gebracht in Valensijn. Daar ontwaakte in hen de roeping  om zelf kloosterling te worden. Hun ouders waren het daarmee eens en bestemden een stuk van hun domein, het moerassig gebied Aldeneik, voor de bouw van een abdij. De jonge meisjes werkten geestdriftig mee en sjouwden zand en stenen van de Maas naar de bouwplaats.

De oprichting gebeurde in de jaren 720-730. Hun ouders bleven er wonen tot aan hun dood. Het klooster werd een bekend middelpunt, zowel de heilige Willibrord als Bonifatius kwamen er graag op bezoek. Zij haalden daar de liturgische boeken die de monialen kopieerden voor de missie.

Harlindis was de eerste abdis. Na haar overlijden in 755 nam Relindis haar taak over tot haar eigen dood in 780. Reeds spoedig begon hun verering en in 860 werden hun relieken door de bisschop van Luik plechtig verheven.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den Haag

20e zondag na Pinksteren : de jongeling van Naïm

20e zondag na Pinksteren

“Opwekking van de jongeling van Naïm”

 

 

Naïm9.jpg

Lezingen :

Galaten 1,11-19

Ik verzeker u, broeders en zusters, het evangelie dat door mij is verkondigd, is niet door mensen uitgedacht. Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus.
Voorvallen uit Paulus’ leven

U hebt toch gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel vervolgde en haar trachtte uit te roeien; en hoever ik het gebracht heb in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. Maar toen God, die mij had uitgekozen, nog in mijn moeders schoot, en die mij heeft geroepen door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren om Hem onder de heidenvolken te verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië en vandaar naar Damascus teruggekeerd.
Pas drie jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan om met Kefas kennis te maken, en ik ben veertien dagen bij hem gebleven. Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer.

Evangelie : Lucas 7,11-16

Opwekking van de zoon van een weduwe uit Naïn
Naderhand ging Jezus naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. Toen Hij de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, de enige zoon van een weduwe. Een talrijke menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, was Hij ten diepste met haar begaan. ‘Huil niet’, zei Hij tegen haar. Hij liep naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder. Ontzag vervulde allen en ze prezen God. Ze zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en: ‘God heeft naar zijn volk omgezien

Heilige Macarius : Wij zijn Zijn huis

Overweging bij de lezing van vandaag: :
Heilige Macarius (? – 405), monnik in Egypte
Overweging nr.33, PG 34, 741-743

Makarios koptische icoon 56.jpg

Heilige Macarios “Wij zijn Zijn huis” (Heb 3,6)

De Heer vestigt zich in een vurige ziel, Hij maakt er zijn troon van glorie van, Hij zet zich erop en verblijft er…Dat huis waar de meester woont is een en al genade, orde en schoonheid, net zoals de ziel met wie en in wie de Heer verblijft slechts orde en schoonheid is. Zij bezit de Heer en alle geestelijke schatten. Hij is er de bewoner van, Hij is er de baas.
Maar hoe afschuwelijk is het huis waarvan de meester afwezig is, waar de Heer ver weg is! Ze wordt bouwvallig, ze wordt een ruïne, vult zich met vuiligheid en wanorde. Zij wordt, volgens het woord van de profeet, een hol vol slangen en demonen (Jes 34,14). Het verlaten huis vult zich met katten, honden en vuilnis. En hoe ongelukkig is de ziel die niet meer kan opstaan na haar rampzalige val, die zich erdoor laat meeslepen en die haar Bruidegom begint te haten en haar gedachten weg te houden van Jezus Christus!
Maar wanneer de Heer ziet dat de ziel zich inkeert en dag en nacht naar de Heer zoekt, naar Hem roept zoals Hij haar uitnodigt: “Bid zonder ophouden”, dan zal “God hem recht doen” (Luc 18 1.7) – Hij heeft het beloofd – en Hij zal haar van alle zonden zuiveren. Hij maakt van haar “een bruid zonder vlek of rimpel” (Ef 5,27). Geloof in zijn belofte; het is de waarheid. Kijk of uw ziel al licht heeft gevonden dat uw stappen verlicht en het ware voedsel en drank die de Heer zijn. Komt u nog tekort? Zoek dag en nacht en u zult het vinden.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

De Iwerskaja icoon

Heiligenlevens

De Iwerskaja icoon

 

 

Iwerskaja icoon.jpg

De Iwerskaja icoon is een iberische icoon van de Moeder Gods die oorspronkelijk in het bezit was van een vrome weduwe in de buurt van Nicea. Tijdens de Beeldenstorm van Theofilos kwam een opsporingsgroep ,ook bij haar huiszoeking doen. Zij wist hen echter om te kopen om de icoon nog een dag bij haar aan huis te laten. Haar gedachte was dat ze de gewijde icoon beter aan de natuur kon prijsgeven dan aan bespotting door mensen bloot te stellen. Met haar zoon bracht zij de icoon naar zee, en tot haar vreugde zag zij hoe deze rechtop in de golven bleef drijven, en zich van het land verwijderde.

Om de straf voor deze ontduiking te ontgaan, vluchtte de zoon naar de Athos, waar hij na een asketisch leven in vrede gestorven is. Tevoren had hij de monniken ingelicht over wat er met de icoon gebeurd was, en dit verhaal bleef bij de oudere monniken in herinnering en werd verder verteld.

Vele jaren later leefde de oudvader Gabriël in het Iberische klooster op de Athos. In een droom verscheen hem de alheilige Moeder Gods en zij beloofde dat zij haar icoon aan het klooster wilde schenken, en dat zij deze uit het water moesten halen. Toen de monniken naar de kust gingen, zagen zij inderdaad de icoon rechtop in het water. Zij brachten die vol eerbied naar het klooster, in de altaarruimte. Daar bleek de icoon echter de volgende morgen verdwenen te zijn. Na lang zoeken werd deze teruggevonden op de muur, boven de kloosterpoort. De icoon werd weer naar het altaar gebracht, maar verdween opnieuw naar de poortmuur. Na nog een herhaling begreep men dat de Moeder Gods dit zelf zo wilde, en er werd bij de poort een eigen kerkje gebouwd voor de icoon, die daarom ook Deurwachtster (Portaïssa) heet.

Uit: Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den Haag

19e zondag na Pinksteren : Heb uw vijanden lief

 

Vaders van het zevende oecumenisch concilieoecumenisch concilie zevende9.gif

19e zondag na Pinksteren

‘Heb uw vijanden lief !’

 Gedachtenis van de Vaders van het zevende Oecumenisch concilie

 

 

liefhebben9.jpg

 

 

Eerste Lezing

 

2 Kor. 11,31-12,9

 

 

11 .31 De God en Vader van de Heer Jezus, de God die moet worden geprezen tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32 Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad afsluiten om mij gevangen te nemen; 33 ik kon alleen aan hem ontkomen doordat ik in een mand door een venster in de muur werd neergelaten.

12 .1 Ik word er wel toe gedwongen hoog van mezelf op te geven. Daarom zal ik, hoewel het geen enkel doel dient, het hebben over visioenen en openbaringen die de Heer ons schenkt. 2 Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. 3 Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen – 4 werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken. 5 Van zo iemand wil ik hoog opgeven. Wat mijzelf betreft zal ik me slechts op mijn zwakheid laten voorstaan. 6 En zelfs al zou ik hoog van mezelf willen opgeven, dan nog zou ik geen dwaas zijn, want ik zou de waarheid spreken. Maar ik zie ervan af, want ik wil worden beoordeeld op grond van wat men van mij hoort en ziet, 7 niet op grond van de uitzonderlijke openbaringen die ik heb gekregen. Om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen, werd mij een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan. 8 Ik heb de Heer driemaal gesmeekt mij van hem te bevrijden, 9 maar hij zei: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.’ Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt.

 

 

Evangelie :

 

Lucas 6,31-36

 

6 .31 Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32 Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. 33 En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. 34 En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. 35 Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is.

36 Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.

 

 

De zeven oecumenische concilies

De Zeven Oecumenische Concilies

Het begin van de vierde eeuw is getuige geweest van het grootste keerpunt dat de geschiedenis heeft meegemaakt.
Deze eeuw was pas drie jaar begonnen toen het Romeinse Rijk nog een laatste keer (in 303)probeerde, en met een geweld dat tot nog toe nooit zo hevig was, om de christelijke religie te vernietigen.
Het is waar dat de vervolging van Diocletianus (1), na een tijd van relatieve vrede in de Kerk, heel belangrijk waren voor de de voorbereiding van de kerstening van het rijk, het heeft het leven van de Kerk diep getroffen, vooral de provincies ten oosten van Rome die latijns waren tot het Hellenistische Oosten, anderzijds was in de Kerk van Gallië, Iberia en Brittania deze vervolging niet al te ernstig , in feite werd ze weinig gevoeld in deze provincies die relatief ver lagen van de hoofdstad.

Om strategisch politieke redenen en vooral uit persoonlijk belang deed Diocletianus afstand van de troon in 305. Ook tijdens het bewind van zijn opvolger Galerius (2)en de nieuwe Caesar die hem bijstond, Maximus, nam de vervolging van de christenen een meer systematische karakter aan. Maximinus, nog fanatieker dan de keizer zelf, zocht zijn toevlucht tot nieuwe methoden van anti-christelijke propaganda en afschrikking, maar uiteindelijk moest hij (in 312) terugkeren naar een meer tolerante houding, zeker niet volledig, maar toch belangrijk voor de christenen. Na tien jaar van bloedige vervolging waren duizenden christenen gedood.
Bijna alle historici nu zeggen dat Maximinus besloten had de religieuze vrede te herstellen als gevolg van bedreigingen van binnenuit (de politieke situatie in Rome was zeer verontrustend), en in het bijzonder, onder de slagen die zijn twee collega’s en rivalen van het Westen hem toebrachten : Constantijn en Licinius.
Dit is niet de plaats om alle gebeurtenissen die het begin van de vierde eeuw kenmerkten naar voor te brengen, ze zijn ook zeer complex. Toch is de naam van Constantijn heel nauw verbonden met de triomf van het christendom. Zijn regering zag de vervulling van de omwenteling als de grootste die ooit in de geschiedenis van de christelijke kerk is waargenomen.
Constantijn wordt terecht beschouwd als “isapostolos” (gelijk aan de apostelen). Inderdaad, hij was het die als eerste dacht dat het Romeinse Rijk vroeg of laat een christen rijk zou zijn, het moest in ieder geval stevig vaststaan in het ware geloof. Dus, bezorgd om de eenheid van het geloof van zijn onderdanen te bewaren, riep hij een EERSTE oecumenische concilie samen in 325 in Nicea, een stad dichtbij de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk, Constantinopel.
Maar wat is een concilie van de Kerk? En waarom heten sommige”oecumenisch”?
Laat ons meteen zeggen dat “een concilie het orgaan is waarvoor God heeft gekozen om de bisschoppen te leiden, het is een incarnatie van de essentiële aard van de Kerk”. (3) Deze definitie is eerlijk en mooi,. Ik denk dat het voor iedereen toegankelijk is,omdat het gemakkelijk is te begrijpen Voor de oude Grieken was een “Organon” het “middel” bij uitstek en een”middel tot actie” (Organon = Ergon). Het woord “Concilie” wordt elders in het Grieks “synodos” genoemd. Dit woord betekent “samen” of “dezelfde weg opgaan.” De bisschoppen, dus dat wil zeggen zij die “zorgen” (Episkopos) voor de goede werking van de Kerk, komen in een vergadering samen, en werken in een geest van vrede en liefde samen, en ten slotte verwoorden zij op een normatieve manier wat de christologische boodschap van de Kerk is. (4) Een concilie wordt door de keizer samengeroepen; deze laatste versterkt de decreten van het concilie, maar dicteert nooit de termen, het komt toe aan de bisschoppen om het ware geloof te onderwijzen, de keizer was de beschermer. Leken (van het Griekse woord “laos”, dat ” volk” betekent)hadden het recht om concilies bij te wonen en soms een actieve rol te spelen(als de eerste keizer Constantijn en andere keizers van Byzantium). Maar op het moment dat er formele verklaringen moesten gegeven worden waren de bisschoppen de enigen die, vanuit hun charisma tot lering, definitieve besluiten konden nemen.
Een concilie kan “lokaal” of “oecumenisch” zijn. Een “lokaal” concilie bestaat uit leden van één of meerdere kerken, maar zonder de intentie om de ganse Kerk te omvatten. De beslissingen ervan kunnen gevoelig zijn aan fouten. Daarentegen kunnen de leerstellige besluiten van een “oecumenisch concilie” niet worden herzien of veranderd. Ze zijn onfeilbaar en hun autoriteit is universeel omdat ze betrekking hebben op”de gehele bewoonbare aarde” (Oecumene).

Er waren verschillende oecumenische concilies, maar de Orthodoxe Kerk erkent er slechts “zeven” als oecumenisch, en zij werden alle opgeroepen door keizers van het Byzantijnse Rijk. Zij kwamen bijeen in steden van het oostelijk Middelands-Zeegebied.

Het EERSTE oecumenisch concilie van de christelijke Kerk werd in 325 in Nicea (5), bijeengeroepen door Keizer Constantijn die persoonlijk aanwezig was samen met driehonderd bisschoppen. Het is juist dit concilie dat Arius veroordeelde (6), die verklaarde dat de Zoon van God, dat wil zeggen Christus “consubstantieel” is met de Vader (“homoousios” in het Grieks, dwz. van dezelfde essentie). Christus is de ware God uit de ware God, en is niet ondergeschikt aan de Vader volgens Arius. Dit Concilie verkondigde ook dat Christus geboren is en niet geschapen. Dit werd uitdrukkelijk opgenomen in het “Credo”, dat wil zeggen in de belijdenis van het ware geloof van een orthodox Christen. Het concilie hield zich ook bezig met de materiële organisatie van de Kerk, maar de veroordeling van Arius was een bijzondere datum in de geschiedenis van het leerstellige christendom.

Het was een gegantische en vaak gepassioneerde opdracht, maar alles werd gedaan in liefde, begrip en wijsheid. De aarzeling en terughoudendheid echter van sommige bisschoppen schiep een klimaat van onrust binnen de Kerk zelf.

Het is daarom dat in de woelige periode die zich uitstrekt van 325 tot 381, werd besloten terug te keren naar het werk van Nicea en in het bijzonder de ontwikkeling van de geloofsbelijdenis. Ook werd er een nieuw oecumenisch concilie bijeengeroepen (het TWEEDE)in Constantinopel in 381. Tijdens dit concilie werd een bijzonder accent gelegd op de Heilige Geest, die gelijk is aan God op dezelfde wijze als de vader en de Zoon. “De heilige Geest die voortkomt uit de Vader, die met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt”. Maar er werd ook verkondigd dat de absolute eenheid van God (ousia) onlosmakelijk verbonden is die niet verscheiden is. Zo zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie goddelijke personen (hypostases) “in één persoon”. Deze leer werd prachtig ontwikkeld door drie groten van de orthodoxe theologie : de heiligen Gregorius van Nazianze, Basilios de Grote en gregorios van Nyssa.

Vijftig jaar na het concilie van Constantinopel werd een DERDE concilie bijeengeroepen te Efese in 431. Dit concilie verkondigde de hypostatische eenheid van Christus, dat er in Christus geen onderscheid is tussen zijn goddelijkheid en zijn menselijkheid, maar een perfecte combinatie van het goddelijke en het menselijke. Christus kan alleen bestaan in twee verschillende naturen (ousies) : Hij is tegelijk God en mens. Het was ook tijdens dit concilie dat plechtig werd verkondigd dat Maria de Moeder van God is, de Godsmoeder. Maria schonk het leven aan het Woord Gods( de Logos), dat vlees geworden is. Het kind dat maria droeg was een bijzonder persoon (7), zowel God als mens (Johannes 1,14).

Maar nauwelijks twintig jaar waren verstreken sinds het concilie van Efese of er werd een VIERDE concilie bijeengeroepen te Chalcedon, een stad in de buurt van Constantinopel, aan de andere kant van de Bosphorus in 451. Dit vierde oecumenisch concilie maakt samen met het vorige het hoogtepuint uit van de orthodoxe christologie. Het is tijdens de werkzaamheden van dit concilie dat verkondigd werd dat “Christus waarlijk God en waarlijk mens is, Hij laat zich kennen zonder vermenging, zonder verandering, individueel en onlosmakelijk verbonden met elkaar op zo een wijze dat de eigenschappen van elke natuur (goddelijk en menselijk) steviger blijven als ze verenigd zijn in één persoon” (of hypostase). (zie O.Clément : De orthodoxe Kerk).

Hier zien wij dat de concilievaders een beslissende slag wilden toebrengen aan de aanhangers van Nestorius (8)(die in dit concilie en zelfs ervoor sterk insisteerde op het onderscheid tussen de mensheid en de goddelijkheid van Christus), maar ook aan de aanhangers van de leer van één natuur in Christus (monofysieten). Echter verre van een conclusie te geven over de besproken problemen, is het concilie in een lange crisis terechtgekomen die duurde tot het einde van de 5e eeuw en geheel de zesde eeuw.

Het VIJFDE concilie werd bijeengeroepen in Constantinopel in 553 om de nawerking van het Nestorianisme en monofysitisme te boven te komen en om opnieuw te proberen uit te leggen hoe de twee naturen van Christus slechts één zelfde persoon vormen. Maar een aanzienlijk deel van de kerken, vooral in Syrië en Egypte weigerden nog steeds de besluiten van het concilie van Chalcedon te erkennen.

Maar de vrede in de Kerk zal slechts honderddertig jaar duren. In 681 werden de bisschoppen opnieuw geroepen naar Constantinopel om een nieuwe vorm van het monofysitisme te behandelen en er zich over uit te spreken : de ketterij van het “monothélitisme” (één enkele wil). Deze laatsten beweerden dat “omdat er in Christus twee naturen zijn in één persoon, dan zou er in Hem slechts één wil zijn (de goddelijke).De Monothélitisten vielen ook de volheid van de menselijkheid van Christus aan. Dit was het voornaamste doel van het ZESDE oecumenisch concilie.Het is de mening van het geheel van theologen dat het zesde oecumenisch concilie slechts een relatieve vrede in de christelijke Kerk brengt. De geschillen rond de persoon van Christus zouden nog lang duren onder één of andere vorm. Nieuwe problemen hielden niet op om te verschijnen, bijvoorbeeld dit van de verering van de heilige Iconen van Christus, van de Moeder Gods en van de heiligen.Maar voordat wij dit probleem aanraken, zeggen wij eerst iets over de Iconen en wat ze betekenen voor een orthodoxe christen. Een Icoon is volgens de orthodoxe traditie ” een heilige getuigenis van de goddelijke tegenwoordigheid” De icoon is geen schilderij, of een artistiek oevre dat tot een bepaalde school in een bepaald tijdperk behoort en als zodanig niet gedateerd noch gehandtekend is. ze behoort niet tot onze kortstondige en sterfelijke wereld maar wel aan dit van het hemels Jeruzalem.Dat is de reden waarom een orthodoxe icoon dikwijls genoemd wordt : “acheiropdiète” ’t is te zeggen “niet door mensenhanden gemaakt”. Maar de beeldenstormers beschuldigden de orthodoxie van afgoderij. Ze wilden ze vernietigen en laten verdwijnen uit de kerken (beeldenstormers, iconoclasten). De iconoclastische controverse spreidde zich over een periode van 20 jaar en was vaak gekenmerkt door gewelddadige vervolging. Maar de orthodoxie triomfeerde, de iconenverering werd uiteindelijk hersteld door de vrome keizerin Theodora (9) in 843 (Feest van de zondag van de orthodoxie). Het ZEVENDE oecumenisch concilie, dat bijeenkwam in Nicea in 787 verkondigde duidelijk en krachtig dat de afbeeldingen in de kerken moesten blijven bestaan om vereerd te worden zoals de andere materiële symbolen van ons geloof.

Ziehier dus, in het kort de geschiedenis van de Zeven Oecupmenische Concilies, de enige die onfeilbaar zijn en de universele autoriteit bezitten die onze universele kerk erkent. Zij heeft zich nooit ervan verwijderd. Herinneren wij er ons hier aan dat de orthodoxe kerk noch de middeleeuwse scholastiek van het Westen, noch de Hervorming en de Contra-reformatie heeft gekend. Bedenk ook dat de Orthodoxie nooit probeert te overtuigen. Ze heeft de waarheid en de genade van de betovering.

+ Nicolas SARAFOGLOU, in Syntaxis nr.23, Jan.-Febr.-Maart 1993

voetnoten :

(1) Romeins keizer 284 tot 305.

(2) Romeins keizer 306 tot 311.

(3) in : Orthodoxie, Timoty Ware, Desclee de Brouwer 1948

(4) in : De Orthodoxe Kerk. O.Clément : Que sais je ? 1965

(5) Stad in klein Azië in de buurt van Constantinopel.

(6) Arius : priester van Alexandrië (280-336)

(7) in het grieks “Monogénis” (enige zoon)

(8) Nestorius : heresiarch, Patriarch van Constantinopel, afgezet door het concilie van Efese in 453

(9 )Vrouw van de Byzantijnse keizer Theophilos.

vertaling : Kris Biesbroeck

Joh.Chrysostomos :”Alleen God kan immers zonden vergeven” (Mc 2,7)

Johannes Chrysostomus (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie over het evangelie van Mattheus, nr. 29, 1

 chrysostomos - Michaël Damaskinos - Laat 16e eeuws.jpgJoh. Chrysostomos

 

 “Alleen God kan immers zonden vergeven” (Mc 2,7)

“Men bracht Hem een lamme.” Mattheus vertelt eenvoudig dat deze verlamde naar Jezus werd gebracht. De andere evangelisten vertellen dat hij door een opening in het dak naar beneden werd gelaten, en zo voor de Verlosser werd gelegd zonder ook maar iets te vragen, ze lieten Hem zelf een oordeel vellen over zijn genezing…
Het Evangelie zegt “toen Jezus hun geloof zag”, dat wil zeggen van hen die de verlamde naar Jezus hadden gebracht. Zie hoe Christus soms geen enkele zaak maakt van het geloof van deze zieke: misschien is hij er niet toe in staat, of onwetend of bezeten door een kwade geest. Hier had de verlamde toch een groot geloof in Jezus; zou hij het anders toegestaan hebben dat men hem voor Hem neer zou leggen? Christus antwoord op dat vertrouwen met een bijzonder wonder. Met de macht van God zelf vergeeft Hij de zonden van deze man. Hij toont zo dat Hij aan de Vader gelijk is, een waarheid die Hij reeds had getoond toen Hij tegen de lamme zei: “Ik wil het, wordt rein” (Mt 8,3)… en toen Hij in één woord de woeste zee had gekalmeerd (Mt 8,26), of toen Hij, in de hoedanigheid van God demonen had uitgedreven, die in Hem hun vorst en hun rechter zagen (Mt 8,32). Welnu hier toont Hij zich aan zijn tegenstanders, tot hun grote verbazing, dat Hij gelijk aan de Vader is.
En de Verlosser toont hier nog een keer hoe Hij alles verwerpt dat spectaculair is of bron van ijdelheid. De menigte dringt van alle kanten bij Hem aan, maar Hij haast zich niet om een zichtbaar wonder te doen door de uiterlijke verlamming van de man te genezen… Hij begint met een onzichtbaar wonder, en geneest de ziel van die mens. Deze genezing is oneindig veel beter voor hem – en schijnbaar minder glorieus voor Christus.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

de heilige Martinianos

 

 

Heiligenleven

De heilige Martinianos

De heilige Martinianos van Palestina was geboren in Caesarea. Reeds vroeg was hij geraakt door verlangen naar het volmaakte leven, en toen hij achttien jaar was trok hij naar de woestijnachtige omgeving en leidde daar een leven van gebed en ascese. Langzamerhand kwamen steeds meer mensen naar hem toe om zijn gebed te vragen, want God had hem de gave van wonderen verleend. Martinianos bleef zich bewust van de gevaren die deze bezoeken konden meebrengen en ontving daarom nooit een vrouw alleen.

Zulk een bijzonder mens was natuurlijk een onderwerp van gesprek in de stad, en een van de lichte vrouwen kreeg in de zin om te onderzoeken wat er nu werkelijk van waar was. Zij maakte zich op als een arme vrouw en bij slecht weer kwam zij ’s avonds martinianos.jpgaan zijn deur, smekend dat zij verdwaald was en de weg naar de stad niet kon vinden in het donker.

Martinianos kreeg medelijden, liet haar binnen, gaf haar te eten en ging zelf naar buiten om de nacht door te brengen in gebed. De volgende morgen ging hij de hut binnen en kwam met een schok tot ontdekking dat daar een schone jonge vrouw stond, die zich inspande om hem te verleiden. Die plotselinge aanval bracht hem van zinnen, en in gedachten trof hij reeds voorbereidselen om aan haar toe te geven. Slechts enige schaamte weerhield hem nog en hij ging naar buiten om langs de berghelling omlaag te kijken of er soms bezoek op komst was.

Door Gods genade kwam hij echter in de koele buitenlucht weer tot zichzelf en hij begreep dat het een list van de duivel was. Hij stapte met blote voeten in het vuur dat hij had aangelegd, tot ontzettende pijn hem dwong er weer uit te komen, terwijl hij uitriep : Als je dit tijdelijk vuur niet eens kunt verdragen, hoe zul je dan het eeuwige vuur van de hel kunnen doorstaan?

Toen de vrouw zag met welk een geweld hij zichzelf straffte voor een zonde die hij nog alleen maar in gedachten had begaan, kwam ze tot inkeer en zij begon hem vergeving te vragen en wat ze nu verder met haar leven moest doen. Martinianos bad voor haar en zond haar tot de heilige Paula in haar klooster bij Bethlehem. Daar leefde Zoë nog twaalf jaar vol berouw in zware ascese, tot zij stierf als een heilige.

Martinianos wilde niet nog eens zulk een risico lopen, en nadat zijn zware brandwonden genezen waren en hij weer kon lopen, vertrok hij naar een afgelegen onbewoond eilandje. Met een schipper maakte hij een afspraak dat hij steeds voor hem zou bidden, en dat deze hem in ruil daarvoor driemaal per jaar van brood en water zou voorzien. En hij hervatte met nog grotere ijver zijn leven van boete en gebed.

De duivel, die de zwakke plaats van zijn kaakter had gezien, wist hem ook hier nog in verleiding te brengen. Een schip verging met man en muis in de nabijheid van zijn verblijfplaats, alleen een jonge vrouw had zich aan een wrakstuk kunnen vastklampen en spoelde aan op de rots. Geheel uitgeput was ze niet in staat de steile kust te beklimmen, maar op haar hulpgeroep kwam Martinianos aan. Toen zij in veiligheid was, wist hij eerst niet wat te doen, want hij begreep dat ook deze gebeurtenis een aanslag betekende op zijn innerlijk leven, immers, stro en vuur kunnen niet naast elkaar bestaan.

Na tot God gebeden te hebben kwam hij tot een besluit. Tegen het jonge meisje, Fotina, zei hij : Wees maar niet bang, hier is brood en water, daar kun je mee in leven blijven totdat over enkele maanden de schipper komt; die kan je dan meenemen naar de bewoonde wereld. Daarna bekruiste hij zichzelf en sprong in zee om zwemmend ergens anders aan land te komen, want hij was ervan overtuigd dat het risico om te verdrinken minder ernstig was dan het risico dat hij liep wanneer hij met een schone vrouw zo nauw moest samenleven.

Zoals echter wel meer gebeurd is, er kwamen twee dolfijnen die hem hielpen zich drijvend te houden en zo kwam hij veilig aan land. Nu het gebleken was dat hij zelfs op de afgelegenste plaatsen niet ongehinderd kon blijven, nam Martinianos de ascese van het zwervend bestaan op zich. Biddend en bedelend trok hij rond tot hij aangeland was in Athene. Nu was hij aan het einde van zijn krachten; doodziek trok hij nog door de straten totdat hij stervend neerlag in een van de kerken, met een gelaat dat straalde van hemels geluk. Zo stierf hij in 422.

Intussen had hij steeds gebeden voor de achtergelaten Fotina. Deze was diep onder de indruk gekomen, en vol vreugde bleef zij wonen in de verblijfplaats van zulk een heilig man. Zij wilde niet meer vertrekken maar ging met de schipper dezelfde overeenkomst aan. Zo leefde zij nog zes jaar op water en brood in volstrekte eenzaamheid. De laatste keer vond de schipper haar overleden, slechts 31 jaar oud. Vol eerbied nam hij haar lichaam mee naar Caesarea van Palestina, de geboorteplaats van Martinianos. Daar werd zij door de bisschop met al zijn priesters plechtig begraven en om haar heilig leven geëerd.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth Klooster Den Haag

18e zondag na Pinksteren : De wonderbare visvangst

18e zondag na Pinksteren

“De wonderbare visvangst”

 

wonderbare visvangst.jpg

wonderbare visvangst

 

 

Apostellezing

 

2, Kor.9,6-11

 

6 Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. 7 Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft. 8 God heeft de macht u te overstelpen met al zijn gaven, zodat u altijd en in alle opzichten voldoende voor uzelf hebt en ook nog ruimschoots kunt bijdragen aan allerlei goed werk. 9 Zo staat er geschreven: ‘Gul deelt hij uit aan de armen, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.’ 10 God, die zaad geeft om te zaaien en brood om te eten, zal ook u zaad geven en het laten ontkiemen, zodat uw vrijgevigheid een rijke oogst opbrengt. 11 U bent in ieder opzicht rijk geworden om in alles vrijgevig te kunnen zijn, en uw vrijgevigheid leidt door onze bemiddeling tot dankzegging aan God.

Evangelie : Lucas : 5,1-11

Simon Petrus, Jakobus en Johannes geroepen

5

1 Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2 zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 11 En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem.

Cyprianus : Maar ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht

H. Cyprianus (rond 200-258), bisschop van Carthage et martelaar
De weldaden van het geduld, 15-16 ; SC 291

Cyprianus-de-Carthago 58.jpg

 “Maar Ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht”

“Verdraag elkaar in liefde, doe alles wat in uw macht is om de eenheid van geest te bewaren in de band van vrede” (Ef 4,3). Het is niet mogelijk de eenheid noch de vrede te bewaren als de broeders en zusters elkaar niet bemoedigen door een stilzwijgende ondersteuning, door de band van een goede verstandhouding dankzij het geduld…
Vergeef je broeder die in jouw ogen dingen fout heeft gedaan, niet alleen zeventig keer zeven, maar absoluut al zijn fouten. Hou van je vijanden, bid voor al je tegenstanders en je vervolgers – hoe moet je er komen als men niet sterk is in geduld en welwillendheid? Dat zien we bij Stefanus…: in plaats van te vragen om wraak, vraagt hij vergiffenis voor zijn beulen door te zeggen: “Heer, reken hun deze zonde niet aan” (Hand 7,60). Zie wat de eerste martelaar van Christus heeft gedaan…, die niet alleen verkondiger van het Lijden van Christus is, maar navolger van zijn zeer geduldige vriendelijkheid.
Wat te zeggen van de woede, van de onenigheid, van de rivaliteit? Ze hebben geen plaats bij een christen. Het geduld moet in zijn hart wonen; men zal er ook niet een van deze kwaden vinden… de apostel Paulus waarschuwt ons: “Bedroef Gods heilige Geest niet…Alle wrok, drift, woede, geschreeuw en gevloek, kortom: alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen” (Ef 4, 30-31). Als de christen aan de dwalingen en de aanvallen van onze natuur ontsnapt, als aan een woeste zee, als hij zich vestigt in de haven van Christus, in de vrede en de rust, dan moet hij in zijn hart noch de woede, noch de onenigheid toelaten. Het is hem niet toegestaan om kwaad met kwaad te vergelden (Rm 12,17), noch om haat te koesteren.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

heiligenleven : de heilige Kyrillos

Heiligenleven

De heilige Kyrillos

 

kyril-en-meth.jpg

Heiligen Kyrillos en Methodios

 

De heilige Kyrillos, die vroeger Konstantijn heette, was de jongeren broer van de heilige Methodios, met wie hij heeft samengewerkt bij de bekering der Slavische volkeren. Ze stamden uit Thessalonika, de hoofdstad van Makedonië, waar hun Bulgaarse ouders zich hadden gevestigd

Toen Konstantijn 14 jaar oud was, werd hij de speelgenoot en studievriend van de keizerszoon Michaël. Naast Grieks, latijn en syrisch studeerde hij met bijzondere voorliefde filosofie, en kreeg vandaar ook de bijnaam de Filosoof, als het studiehoofd van de familie.

Na afloop van zijn studie voltooide hij zijn geestelijke opvoeding als monnik in een klooster. Hij werd weer naar de stad teruggezonden, waar hij priester werd gewijd en aangesteld tot hoofd van de bibliotheek van de Sofiakathedraal, en tot filosofieprofessor aan de universiteit. Daarbij hield hij, in opdracht van de keizer en van de patriarch, disputen over de ikonenverering, waaraan niet alleen de ikonoklasten maar ook de mohammedanen deelnamen.

Maar zijn hart trok naar de eenzaamheid, en zodra de gelegenheid zich voordeed, trok hij met zijn broer Methodius naar de Olymposberg. Dit mocht echter slechts kort duren. In 857 kwam een gezantschap der Chazaren bij keizer Michaël en vroeg om leraren in het ware geloof. Gezien hun afkomst, persoonlijkheid, toewijding en geleerdheid waren deze twee de aangewezen mannen voor dit werk. Zij staken de Zwarte Zee over naar het reeds bekeerde Cherson om geheel vertrouwd te raken met de taal.

Uit de martelaarsakten wisten zij dat de heilige Klemens hier gestorven was. Samen met de bisschop van de plaats wisten zij het kostbaar gebeente te vinden en ze gaven het een eervolle bijzetting in de kerk van de heilige Apostelen.

Nadat zij de taal weer machtig waren, staken zij de Zee van Azov over en begonnen hun missietochten in het Wolgagebied tot aan de Kaspische Zee en de Kaukasus. Dit werk had groot succes. De vorst der Chazaren, met zijn raad en een groot deel van het volk, kwam tot Christus en liet zich dopen. Kyrillos en methodios sloegen alle aangeboden geschenken af, maar vroegen om vrijlating van griekse gevangenen. Zo bracht men een gezelschap van tweehonderd vrijgelatenen mee naar Constantinopel, tot ieders grote vreugde.

In 860 volgde een soortgelijke reis naar Bulgarije, waar koning Boris de doop ontving. Twee jaar later volgden nog twee vorsten van Moravië dit voorbeeld. Er kwam steeds meer behoefte aan regelmatig onderricht bij een volk dat nog geheel analfabeet was. De twee gebroeders stelden daarom een uitgebreid alfabet samen om de ingewikkelde Slavische klanken weer te geven, en nu schreven zij het Evangelie, de Apostel, de Psalmen en het Dienstenboek, zodat de Eredienst in het slavisch kon worden gehouden.

Dit werk had hen beroemd gemaakt door heel Europa, en paus Adriaan II nodigde de beide Apostelen uit om naar Rome te komen, waar zij met grote eer ontvangen werden, en waar de paus Methodios persoonlijk tot priester wijdde. Er ontstonden echter allerlei moeilijkheden door aanklachten van de kant der duitse geestelijkheid, die het Russische rijk als hun missiegebied beschouwde, dat ze wilden latiniseren.

Konstantijn, die reeds geheel uitgeput was door de onvoorstelbare inspanningen van de voorafgaande jaren, kon deze last niet meer dragen. Hij werd dodelijk ziek, nam het grote schima aan met de naam Kyrillos, en zorgde dat Methodios werd aangesteld tot bisschop van de Slavische volkeren. Toen stierf hij in 869, nauwelijks 42 jaar oud. Hij werd begraven in de kerk van de heilige Klemens, waar hij ook het door hem meegebracht deel der relieken had neergelegd.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. orth.Klooster – Den Haag