17e zondag na Pinksteren : Van de kananese vrouw

17e zondag na Pinksteren

“Van de kananese vrouw”


kaanaitische vrouw.jpg

 

LEZINGEN :

Eerste lezing :

2 Kor.9,6-16 – 7,1

Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.

Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie :

Matth.15,21-28

Jezus en een Kananese vrouw
Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen.

Heiligenleven : de heilige Maron de Syriër

Heiligenleven

De heilige Maron de Syriër

 

 

Maron de syriër.jpg

Maron de Syriër

 

De heilige Maron de Syriër was een kluizenaar die werkte op de top van de Kyronberg,bijna altijd blootgesteld aan de open lucht. Hij had wel een geitenharige tent, maar maakte daarvan slechts gebruik wanneer hij werkelijk ziek was. Op zijn zwerftochten over de berg vond hij een oude afgodstempel, die hij toewijdde aan de ware God. Hij leefde daar onder gebed en vasten, en er ging een roep van hem uit, zodat velen daarheen kwamen om onder zijn leiding het geestelijk leven te leren. Hij werd ook priester gewijd. In 405, en wijdde zich toen nog vuriger aan het onophoudelijk gebed. Er kwamen steeds meer leerlingen om onder zijn leiding te leven, en zo ontstonden er verschillende kloosters en kleuizenarijen; ook de beroemde heilige Jacobus van Syrië was een van zijn leerlingen, en de heilige Johannes Chrysostomos was een van zijn vrienden. Hij is in vrede gestorven, na een ziekte van enkele dagen, in 433.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster – Den Haag

16e zondag na Pinksteren : feest van de Heilige Johannes de doper

16e zondag na Pinksteren

Feest van de ontvangenis van de H.Profeet Voorloper en Doper Johannes

 

 

ontvangenis van de voorloper Johannes zoals voorspeld door de profeet Malachias.jpg

Ontvangenis van de Profeet Johannes de Doper

 

1 Kor,9,-2-12

Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap. [3] Dit is mijn antwoord aan mijn critici. [4] Hebben wij niet het recht om te eten en te drinken? [5] Hebben wij niet het recht om een christenvrouw* mee te nemen, zoals de andere apostelen en de broers* van de Heer en Kefas? [6] Of zijn Barnabas* en ik de enigen die verplicht zijn te werken voor hun levensonderhoud?
[7] Welke* soldaat betaalt ooit zijn eigen soldij? Wie plant een wijngaard en eet niet van de vruchten? Of wie weidt een kudde zonder de melk van de kudde te gebruiken? [8] Dit zijn niet enkel menselijke overwegingen, de wet zegt precies hetzelfde, of niet soms? [9] In de wet van Mozes staat immers: Een dorsende os mag men niet muilbanden. Bemoeit God zich hier werkelijk met de ossen, [10] of gaat het eigenlijk over ons? Natuurlijk, met het oog op óns staat er geschreven dat de ploeger* moet ploegen en de dorser moet dorsen in de hoop zijn deel te ontvangen. [11] Als wij in u een geestelijk gewas gezaaid hebben, is het dan te veel gevraagd als wij van u stoffelijke steun verwachten? [12] Als anderen zulke aanspraken op u hebben, dan wij toch zeker! Maar wij hebben van dit recht geen gebruik gemaakt, en willen liever alles verduren dan de prediking van Christus’ evangelie belemmeren.

Evangelie  :  Matth.18,23-35

[23] In dit opzicht gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden. [24] Toen hij begonnen was met afrekenen, werd er iemand bij hem gebracht die een schuld had van tienduizend talenten*. [25] Omdat hij niet kon betalen, gaf de heer het bevel om hem met vrouw en kinderen en alles wat hij had te verkopen, zodat hij zou kunnen betalen. [26] Daarop viel de dienaar voor hem neer en vroeg: “Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.” [27] De heer kreeg met die dienaar te doen en liet hem vrij, en hij schold hem het geleende geld kwijt. [28] Toen die dienaar buiten kwam, trof hij een van zijn mededienaren, die hem honderd denariën* schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: “Betaal wat je me schuldig bent.” [29] Daarop viel zijn mededienaar voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, en ik zal je betalen.” [30] Dat wilde hij niet, integendeel, hij liet hem zelfs gevangenzetten tot hij het verschuldigde bedrag betaald zou hebben. [31] Toen zijn mededienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij buitengewoon ontstemd en gingen alles wat er gebeurd was aan hun heer vertellen. [32] Toen riep zijn heer hem bij zich en zei: “Jij slechte dienaar, ik heb je heel die schuld kwijtgescholden, toen je mij daarom smeekte. [33] Had juist jij geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?” [34] En zijn heer werd zo kwaad, dat hij hem overleverde aan de beulen, totdat hij heel zijn schuld zou hebben terugbetaald. [35] Zo zal ook mijn hemelse Vader met jullie doen, als niet ieder van jullie zijn broeder van ganser harte vergeeft.’

gregorius de Grote : Mijn beker zult u wel drinken

H. Gregorius de Grote (ca. 540-604), paus en Kerkleraar
Homilie over het Evangelie, nr 35

gregorius de Grote 4876.jpgGregorius de Grote “Mijn beker zult u wel drinken”

Aangezien we vandaag het feest van een martelaar vieren, mijn broeders en zusters, moet we ons betrokken voelen bij de vorm van geduld die hij beoefend heeft. Want als we met de hulp van de Heer moeite doen om deze deugd te bewaren, dan zullen we de zegepalm van de martelaar verkrijgen, hoewel we in vrede leven in de Kerk. Er zijn twee soorten martelaren: de ene soort bestaat uit een staat van geest, de andere verbindt zich met de staat van geest in uiterlijke acties. Daarom kunnen we zelfs martelaren zijn al sterven we niet door het zwaard van de beul. Sterven door de hand van vervolgers is martelaarschap in actie, in zichtbare vorm; beledigingen verdragen door degene die u haat lief te hebben is martelaarschap in de geest, in een verborgen vorm.
Dat er twee vormen van martelaarschap bestaan, de een verborgen, de ander openbaar, bewijst de Waarheid door aan de zonen van Zebedeüs te vragen: “Jullie zullen inderdaad uit mijn beker drinken”. Wat moeten we onder die beker verstaan, behalve het lijden aan zijn Passie, zoals Hij elders zegt: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan” (Mt 26,39). De zonen van Zebedeüs, te weten Jacobus en Johannes zijn beiden niet als martelaar gestorven, toch wordt er van hen gezegd dat ze de beker hebben gedronken. Immers, hoewel Johannes niet als martelaar is gestorven, was hij het toch, aangezien zijn lijden niet lichamelijk was, heeft hij het toch in zijn geest ervaren. Uit dit voorbeeld kan men dus concluderen dat wij ook martelaren kunnen zijn zonder langs het zwaard te gaan, als we het geduld in onze ziel bewaren.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Johannes Chrysostomos : De ontvangen gaven vrucht laten dragen

H. Johannes Chrysostomus (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna vanConstantinopel, Kerkleraar
Homilie over het Evangelie van Matteus, nr 78, 2-3; PG 58, 713-714

 

Basilius en Chrysostomos.jpg

De heilige Basilios en Johannes Chrysostomos

De ontvangen gaven vrucht laten dragen

      De parabel van de talenten gaat over alle mensen, die in plaats van hun medemensen te hulp te komen met hun goederen, hun advies of op een andere wijze, slechts voor zichzelf leven… In deze parabel wil Jezus ons het grote geduld van de Heer openbaren, maar naar mijn mening, verwijst Hij ook naar de algemene verrijzenis… Allereerst erkennen de dienaren, die rekenschap van hun handel afleggen, zonder omwegen wat hun door de meester gegeven is en wat de vrucht van hun handelen is. De eerste zegt: “Heer, U hebt me vijf talenten toevertrouwd” en de tweede: “Heer, U hebt me twee talenten toevertrouwd”; ze erkennen daarmee dat ze het hebben uit goedheid van hun meester, dat ze het ten gunste van hen in waarde hebben laten toenemen. Hun dankbaarheid gaat zover dat ze de hele verdienste toekennen en de hele glorie van hun succes wijten aan het vertrouwen van hun meester. Wat antwoordt de meester dan? “Heel goed, trouwe en goede knecht.” Is werkelijk goed zijn niet het zich toewijden aan het goed doen voor zijn naaste? “Ga de vreugde van je meester binnen”: het gaat hier om een zaligspreking van het eeuwige leven.

      Maar zo gaat het niet bij de slechte dienaar… Wat is dan het antwoord van de meester? “Slechte en luie dienaar, je moest mijn geld op de bank zetten”, dat wil zeggen dat men zijn naasten moest spreken, aansporen, en raadgeven. “Maar, antwoordde de ander misschien, de anderen luisteren niet naar me.” Waarop de meester antwoordde: “Dat is jouw zaak niet…. Je had toch tenminste je geld in bewaring kunnen geven en mij bij mijn terugkomst ervoor  laten zorgen, zodat er rente zou zijn.” Deze rente verwijst naar de goede werken die voortkomen uit het luisteren naar het Woord dat we moeten zeggen. “Je hoefde alleen maar het gemakkelijke deel van het werk te doen en Mij het moeilijkste te laten doen”… Wat wil dat zeggen? Degene die voor het welzijn van de ander de genade van het woord en van het onderricht heeft ontvangen en er geen gebruik van maakt, laat zich deze genade afnemen. Maar degene die de genade die hij heeft ontvangen, met ijver en wijsheid besteedt,zal een nog overvloediger genade ontvangen.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Heilige Gertruda van Nijvel

Heiligenleven

Heilige Gertruda van Nijvel

Gertruda van Nijvel.jpgDe heilige Gertruda, abdis van Nijvel, werd in 626 geboren als dochter van Pepijn van Landen, de hofmeier van koning Dagobert. Na de dood van haar vader, in 646, stichtte haar moeder, op raad van de heilige bisschop Amandus, in Nijvel een dubbelklooster : één voor mannen en één voor vrouwen, maar onder gezamenlijk bestuur. Hoewel haar dochter pas 20 jaar oud was, stelde ze haar aan als abdis en werd zelf moniale onder haar gehoorzaamheid. Gertruda was een krachtige persoonlijkheid, die volstrekte trouw eiste aan de kloostertucht, maar ze had een medelijdende goedheid voor de zwakken en jongeren.Zij bouwde het klooster uit dat een grote faam genoot om het strikte monastieke leven dat er geleid werd en de warme gastvrijheid waarmee vreemdelingen en pelgrims werden ontvangen. Zij nodigde ook Ierse monniken uit, die een roep van grote heiligheid genoten, en deed hen een klooster en een ziekenhuis bouwen op door haar geschonken land.

In 652 stierf haar moeder, en Gertruda, wier gezondheid verzwakt was door het harde leven dat zij leidde, voelde zich niet meer in staat om zoznder die steun aan het hoofd van de beide comunauteiten te staan. Zij trad af, liet de zorg voor de uitwendige zaken over aan de monniken en stelde haar nicht aan tot geestelijke moeder. Zelf wijdde zij zich geheel aan de studie van de Heilige Schrift en aan het gebed. Tenslotte werd zij ziek en steeds zwakker. De laatste nacht van haar leven riep zij haar zusters bijeen om samen met haar te bidden, en de ochtend van de tweede vastenzondag stierf zij gedurende de viering van de heilige Eucharistie, 17 maart 659.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orth.klooster Den Haag

Hilarius van Poitiers : Vraagt en men zal u geven; zoekt en u zult vinden

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar
De Drie-eenheid, I, 37-38

Hilarius van Poitiers.jpg

“Vraagt en men zal u geven; zoekt en u zult vinden”

      Ik weet het best, o God, almachtige Vader : me aan U geven opdat alles in mij… over U spreekt, dat is het belangrijkste werk in mijn leven. U hebt me de gave van het woord gegeven, en het kan me slechts een grotere beloning brengen, door de eer om U te dienen en door aan de wereld, die Hem niet kent en aan de ketter die Hem ontkent, te tonen wie U bent, de Vader van de eniggeboren Zoon van God. Ja werkelijk, dat is mijn enige verlangen! Maar ik heb het erg nodig om uw barmhartigheid aan te roepen opdat U met de adem van uw Geest, de zeilen van mijn geloof bol blaast, naar U uitreikend, en dat U meer toe brengt om overal uw heilige naam te verkondigen. Want U hebt niet vergeefs de belofte gedaan : “Vraag en het zal u gegeven worden; zoek en u zult vinden; klop en er zal voor u worden open gedaan”.

      Arm als we zijn, smeken we om hetgeen wij tekort komen. Wij leggen ons met ijver toe op de studie van uw profeten en uw apostelen; wij kloppen op alle deuren die onze intelligentie gesloten aantreft. Maar U alleen kunt onze gebeden verhoren…; U alleen kunt de deur, waarop wij kloppen, openen. U zult ons moeilijke begin aanmoedigen; U zult onze vooruitgang bevestigen; en U zult ons oproepen om deel te nemen aan de Heilige Geest die uw profeten en uw apostelen heeft geleid. Zo zullen we aan hun woorden geen andere betekenis geven dan hetgeen ze voor ogen hadden.

      Geef ons dus de ware betekenis van de woorden, het licht van de intelligentie, de schoonheid van de uitdrukking, het geloof in waarheid. Geef dat wij zeggen wat wij geloven…: dat er slechts één God is, de Vader, en slechts één Heer, Jezus Christus.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

De icoon

DE ICOON

Christus Koning.jpg

 

Het ontbreken van beelden in de kerkelijke kunst

Het ontbreken van beelden vindt zijn oorsprong in een verbod van het gebruik ervan in de kerkelijke kunst, dat samenhangt met de opvatting omtrent het wezen van de icoon. De hemelse archetypen weerspiegelen zich alleen in het tweedimensionale vlak van de icoon. Onder invloed van de anti-plastische geest van de Byzantijnse kerkelijke schilderkunst en door de nawerking van de beeldenstrijd is er in de Byzantijnse cultuur ook geen profane beelhouwkunst tot ontwikkeling gekomen. Alleen op het gebied van de kunstnijverheid heeft de plastiek zich kunnen ontwikkelen, maar ook hier meer als een reliëfkunst, die zich nog beperkte tot een zuiver vlakke, vaak perspectiefloze uitbeelding, en dus dicht bij het tweedimensionale van de iconen bleef.

Veel meer aandacht werd besteed aan de reeds in de vroegkerkelijke kunst beoefende ivoorsnijkunst, die in de tijd van Justinianus en onmiddellijk daarna enkelvoudige of ook wel inklapbare twee- en drievleugelige ivoren panelen (diptieken en triptieken) en ivoren cibories van een klassieke schoonheid voortbracht en ook in de middeleeuwen iconen op losse panelen, diptieken of triptieken met de afbeelding van een heilige of van bijbelse motieven te zien gaf, maar ook liturgische en profane doosjes, kistjes en schalen met kerkelijke motieven in grote verscheidenheid opleverde. Deze tak van kunst heeft zich daarna in de hele orthodoxe Kerk in velerlei vormen verder ontwikkeld, niet alleen in Klein – Azië maar ook in de Oost – en Zuidslavische gebieden. Als gevolg van een liturgische behoefte heeft de orthodoxie eveneens een goudsmeedkunst van een unieke schoonheid ontwikkeld, die – om een kleurig effect te bereiken – al vroeg de uit Perzië afkomstige emailleertechniek gebruikte en later vooral in Rusland het geëmalleerde smeedwerk zeer populair heeft gemaakt.

Het vreemde karakter van de icoon

….In het Westen is het is het nogal gebruikelijk om onze westerse opvatting van religieuze kunst met een zekere vanzelfsprekendheid ook als norm te stellen bijde beoordeling van de iconenschilderkunst. Meestal volgen daaruit zeer negatieve oordelen, die de oosters-orthodoxe kerkelijke kunst iedere vorm van scheppende originaliteit betwisten en die haar gebondenheid aan traditie betitelen als artistiek onvermogen. Inderdaad speelt de individuele kunstenaar in de geschiedenis van de orthodoxe religieuze schilderkunst nauwelijks een rol. De meeste orthodoxe schilders van kerkelijke kunst zijn anoniem gebleven. Ook is de iconenschildering in het geheel niet afhankelijk van het werk van een ‘kunstenaar’ in de westerse zin van het woord, eerder is zij een heilig handwerk, dat in kloosters wordt beoefend, die bepaalde schilderscholen habben ontwikkeld. Deze schilderscholen berusten niet op de aanwezigheid van een uitmuntend kunstenaar, een meester-schilder, die zijn leerlingen nieuwe creatieve impulsen geeft, integendeel, het traditionele en ambachtelijk element overweegt zozeer, dat vaak zelfs verscheidene schildermonniken bij de vervaardiging van één enkele icoon de verschillende bewerkingen onder elkaar verdelen : de een schildert de ogen, de andere de haren, een derde de handen, een vierde het gewaad, zodat bij de iegenlijke vervaardiging het scheppende, artistieke, individuele element wegvalt.

Men maakt nu echter’ een kapitale fout, wanneer men bij voorbaat de verschillen tussen de westerse en oosterse kerkelijke schilderkunst eenzijdig ten gunste van het westen interpreteert, en zo het aan traditie gebonden zijn van de oosterse iconenkunst gaat zien als een gemis aanproductiviteit en artistiek vermogen van de orthodoxe schilders. De enige weg, die voor de westerse waarnemer openstaat om de schilderkunst van de oosterse kerk te leren begrijpen is, dat hij zich eerst met een zekere wilsinspanning losmaakt van de westerse opvatting en het eigen karakter van de oosterse iconenschilderkunst probeert te begrijpen vfanuit haar eigen theoretische grondslag. Hiervoor is het noodzakelijk, zich enkele principiële zaken duidelijk voor ogen te stellen

Het kerkelijk en dogmatische karakter van de icoon

Het schilderen van orthodoxe iconen is als kerkelijke kunst niet van zijn kerkelijke en liturgische functie te scheiden. Vele orthodoxen zien een iconententoonstelling in een muzeum als een heiligschennis en ieder gebruik van de iconen buiten kerkelijk verband als een ontwijding daarvan. De icoon is een heilige beeltenis, die primair een kerkelijke functie heeft. Deze komt tot uitdrukking in de vervaardiging van iconen. Voor ieder icoon is het essentieel, dat zij gewijd is, en men zal een blik moeten werpen in de liturgie van de iconenwijding zelf, om het wezen van de icoon te begrijpen. De wijding heeft niet eerst plaats, nadat de afbeelding voltooid is, maar ook het schilderen zelf is een liturgische handeling. Het schilderen van iconen vereist een bepaalde vorm van heiligheid en wijding van de kunstenaar. Door vasten en boetedoening bereiden de schildermonniken zich voor op het schilderwerk. Penselen, hout, verf en alle andere voor het schilderen benodigde materiaal worden eveneens voor het gebruik gewijd. Uit hetgeen tot nu toie gezegd is krijgt men reeds de indruk, dat de heilige afbeelding in de oosters-orthodoxe Kerk blijkbaar een zeer bepaalde religieuze functie heeft, en dat ook de gebondenheid aan traditie van de heilige afbeelding niet voortkomt uit een artistiek onvermogen, maar dat zeer bepaalde theologische en religieuze voorstellingen een belemmering vormen voor het veranderen van de afbeelding.

Uit :Ernst Benz : de Oosters-orthodoxe Kerk

De heilige Austreberta

Heiligenleven

De heilige Austreberta

 

Austreberta.jpg

De heilige Austreberta

 

De heilige Austreberta, abdis, werd geboren in 630 in Terouane, een stad van Artois, uit een grafelijk geslacht. ,Van jongsaf was zij van plan moniale te worden, en toen haar ouders, terwijl zij nog een jong meisje was, een huwelijk voor haar beraamden, ging ze naar de heilige Omer, de bisschop van de stad, om de zaak te bespreken. Deze overtuigde zich van haar oprechte gezindheid en standvastigheid, nam haar de gelofte van maagdelijkheid af en gaf haar de sluier.  Zo kwam zij bij haar ouders terug.

Dezen legden zich neer bij het voldongen feit en stelden haar in staat om thuis een religieus leven te leiden. Tegen dat ze volwassen werd, deed zij in overleg met hen de erop volgende geloften van armoede en gehoorzaamheid in de abdij van Port aan de Somme, niet ver van Abbeville. Zij richtte al haar energie op het kloosterleven, zocht nooit enige bevrediging voor zichzelf en behandelde zelfs de jongste zusters met grote eerbied. Het feit dat zij later tot priores gekozen werd, bracht gaan enkele verandering in deze houding.

Toen in Pavilly een nieuw klooster was gesticht, werd Austreberta met grote moeite overgehaald om daar abdis te worden. Zij werd gewijd door de heilige Ouen en begon toen vol energie aan de heiliging van zichzelf  en van de monialen die aan haar zorg waren toevertrouw. Hoe hard zij ook voor zichzelf was, haar zusters leidde zij met zachte goedheid. Van anderen vroeg zij slechts wat zij zelf in nog veel sterkere mate beoefende. En waar mogelijk beoefende ze nog steeds de gehoorzaamheid. Daarover vertelt een typerende anekdote :

Men stond daar te middernacht op voor het nachtofficie en ging dan weer slapen. Na afloop van de dienst was Austreberta op een keer nog een tijdlang in de kerk blijven bidden, zodat de zusters reeds ingeslapen waren toen zij zich door de slaapzaal naar haar cel begaf. In het donker stootte  zij ergens tegenaan, zodat de priores wakker werd. Deze dacht dat één van de novicen lastig was en zei kwaad dat ze maar moest gaan bidden bij het kruis op de gang. De abdis deed zoals haar gezegd werd, en de volgende morgen vonden cde zusters haar aan de voet van het kruis.

Onder zulk een leiding kwam het klooster tot grote bloei. Van alle kanten bracht men kinderen om ze te doen opvoeden onder de leiding van deze heilige abdis, en veel vrouwen verzochten om te mogen intreden. Zo voleindigde Austebera een vruchtbaar leven. Zij werd getroffen door een hevige ziekte, liet zich nog eenmaal naar de kapittelzaal dragen voor een laatste toespraak tot haar monialen, en gaf zich verder geheel over aan het gebed. Zo is zij in vrede gestorven in 703.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uiyg. Orth.klooster Den Haag

13e ézondag na Pinksteren : de onrechtvaardige pachters

13e zondag na Pinksteren

DEe onrechtvaardige pachters

 

 

onrechtvaardige pachters2.png

 

 

Lezingen :

1 Kor.16,13-24

]Blijf waakzaam, sta vast in het geloof, wees moedig en sterk. Laat alles bij u gebeuren met liefde.
Ik heb nog een verzoek aan u, broeders en zusters: u weet dat Stefanas en zijn gezin de eerste bekeerlingen van Achaje zijn en dat zij altijd klaarstaan voor de heiligen. Aanvaard dan ook van uw kant de leiding van zulke mensen en van allen die hun werk en moeite delen. Ik verheug mij over de aanwezigheid hier van Stefanas Fortunatus en Achaïkus; zij hebben voor mij het gemis van u vergoed, zij hebben mijn zorgen verlicht, en daarmee ook de uwe. Houd zulke mensen in ere.
De gemeenten van Asia laten u groeten. Veel groeten in de Heer, van Aquilaen Prisca en van de gemeente bij hen aan huis. Alle broeders groeten u. Groet elkaar met de heilige kus.Deze groet schrijf ik met eigen hand: Paulus. Wie de Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranatha De genade van de Heer Jezus is met u, en mijn liefde is met u allen in Christus Jezus.

Evangelie : Matth.21,33-42

Gelijkenis van de vruchten
Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij zette hem met een omheining af, groef er een perskuil in en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. Maar toen de tijd van de vruchten gekomen was, stuurde hij zijn slaven naar de wijnbouwers om de vruchten in ontvangst te nemen. De wijnbouwers grepen zijn slaven vast; de een gaven ze een pak slaag, een ander doodden ze, een derde stenigden ze. Hij stuurde toen andere slaven, meer dan de eerste keer, en ze deden met hen hetzelfde. Later stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: mijn zoon zullen ze ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfdeel in bezit nemen.” Ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Welnu, wanneer de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?’ Ze gaven Hem ten antwoord: ‘Hij zal die ellendelingen een ellendige dood bezorgen, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die vruchten aan hem afdragen wanneer het er de tijd voor is.’ Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is de hoeksteen geworden. De Heer heeft dit gedaan; het is een wonder in onze ogen?