Johannes Chrysostomos : Christus ontvangen

H. Johannes Chrysostomus (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna vanConstantinopel, Kerkleraar
Homilie over de bekering nr 3, over de aalmoes

 

 

chrysostom21 Rom Katholieke 'holy Card' from Bonnella's Eastern Tite series [1600x1200].jpg

Johannes Chrysostomos

 

Christus ontvangen

      De armen die voor de kerk stonden vroegen om een aalmoes. Hoeveel moetje geven? Dat moet u zelf beslissen; Om u niet in verlegenheid te brengen,stel ik geen hoogte vast. Koop in de mate van uw behoeften. Hebt u een muntjeover? Koop de hemel! Niet dat de hemel op de markt te koop is, maar degoedheid van de Heer staat u het toe. Hebt u geen muntje over? Geef dan eenglas fris water (Mt 10,42)…

      Wij kunnen de hemel kopen, en we verwaarlozen het! Voor een brood dat ugeeft, verkrijgt u het paradijs. Geef zelfs dingen van weinig waarde en u zultschatten ontvangen; geef een gave aan wie u tegenkomt en u zult deonsterfelijkheid ontvangen; geef vergankelijke zaken en u ontvangt in ruildaarvoor onvergankelijke zaken… Als het gaat om vergankelijke zaken, danweet u veel duidelijke bewijzen geven; waarom toont u zoveel onverschilligheidals het om het eeuwige leven gaat?…We kunnen overigens een parallel trekkentussen deze twee bakken die gevuld zijn met water die men bij de ingang van dekerk vindt om zijn handen te wassen, en de armen die buiten het gebouw gezetenzijn opdat u uw ziel kunt zuiveren door hen. U hebt uw handen in het watergewassen: was uw ziel op dezelfde wijze door de aalmoes…

      Een weduwe, die extreem arm was, bood Elia gastvrijheid aan (1Kon17,9v): haar tekorten verhinderden haar niet om hem met grote vreugde teontvangen. En dan als teken van dankbaarheid, heeft ze veel cadeaus ontvangendie de vrucht van haar gebaar symboliseren. Door dit voorbeeld wenst umisschien om een Elia te ontvangen. Waarom zou u om Elia vragen? Ik stel u deMeester van Elia voor, en u biedt Hem geen gastvrijheid aan… Dit zegtChristus, de Heer van het universum: “Iedere keer dat u iets gedaan heeft vooreen van de kleinen, die mijn broeders en zusters zijn, dan hebt u dat voor Mijgedaan” (Mt 25,40).

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Heiligenleven : de heilige Leander van Sevilla

Heiligenleven

De heilige Leander, bisschop van Sevilla.

 

 

Leander-Sevilla icoon.jpg

Leander van sevilla

 

Hij is geboren in Carthagena (Spanje), en de oudste broer van de heilige Isidorus, die na hem dit bisdom bestuurde. Toen hij nog heel jong was, werd hij reeds monnik, en hij viel op door zijn strikte trouw aan het beloofde kloosterlijk leven en door zijn studiezin. Door de bezoekers van het klooster werd dit ook in wijdere kring bekend, en toen de bisschop van Sevilla gestorven was, werd Leander gekozen als diens opvolger.

Spanje was sinds anderhalve eeuw bezet door de Visigoten (west-Gothen), die arianen waren, en in die tijd waren ook veel spaanse christenen ariaans geworden. Hier zag de nieuwe bisschop dus zijn belangrijkste werkterrein. Zijn nachten besteedde hij nog meer aan vurig smeekgebed voor de mensen die aan hem waren toevertrouwd, en hij werd een vurig prediker van de waarheid in zijn kathedraal. Niet alleen de Spanjaarden, maar ook vele Gothen bracht hij terug tot de orthodoxie. Onder deze bevond zich ook Hermengild, de oudste zoon van koning Levilgild. Deze was daarover buiten zichzelf van woede en liet zijn zoon gevangen zetten. Toen deze met Pasen weigerde om de heilige Communie te ontvangen uit de handen van een ariaanse bisschop, liet zijn vader hem in een uitbarsting van woede doden.

Levilgild kreeg daarover ontzettende wroeging, hij werd ziek en liet Leander halen, die hij eerst verbannen had. Hij vertrouwde hem zijn volgende zoon toe, Recared, die nu zijn opvolger zou zijn, om hem op te voeden in het orthodoxe geloof. Zelf durfde hij echter de beslissende stap niet te nemen, om geen ergernis te wekken bij zijn ariaanse onderdanen. Kort daarna is hij gestorven.

Recared was vol nieuwe geloofsijver, en begiftigd met veel verstand. Hij wist zijn volk en hun bisschoppen geleidelijk te overtuigen, en langzamerhand hield het schisma in Spanje op te bestaan. Paus Gregorius de Grote schreef daarover een enthousiaste brief aan Leander, die hij in Constantinopel had leren kennen.

Als man van gebed besteedde Leander ook veel zorg aan de ontwikkeling van het geestelijk leven in zijn eparchie. Hij leerde de mensen bidden en spande zich in om de kloosters weer tot hun oorspronkelijke vurigheid te brengen. De rondzendbrief over dit onderwerp wordt wel zijn monniksregel genoemd. Hij voerde ook in dat tijdens de heilige Liturgie de Geloofsbelijdenis werd gezegd; zoals hij dat in Constantinopel had gezien, als blijvend verweer tegen de ariaanse verleiding. Deze gewoonte kwam vanuit Spanje in heel de kerk van het Westen in gebruik.

Tegen het einde van zijn leven werd Leander door allerlei ziekten gekweld, en hij was geheel invalide door de jicht. Maar hij doorstond deze kwellingen met een opgewekt geduld, tot aan zijn dood in 596.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth. Klooster Den Haag

Christus : Het christengeloof : De Geloofsverkondiging der Apostelen met bewijzen

CHRISTUS

Uit : Het christengeloof : De Geloofsverkondiging der Apostelen met bewijzen

Door : Ireneos van Lyon

 

Christus gelaat.jpg

 

 

Christus, God en mens

De profeet Amos zegt (9,11): ‘Te dien dage zal ik Davids vervallen tent weer oprichten’. Hiermee wordt geduid op het uit David stammend lichaam van Christus, dat gestorven is en uit de doden is opgestaan. Want ‘tent’ wordt vaak gebruikt voor lichaam.

Christus’lichamelijke afstamming uit David; dat Hij de Zoon van God; dat Hij zou sterven en opstaan uit de dood; dat Hij uiterlijk een mens, maar naar kracht als God zou zijn; dat Hij rechter zou zijn over heel de wereld; dat Hij gerechtigheid uitoefent en onze Verlosser is, dat alles wordt in de hierboven vermelde schrift woorden voorspeld

Christus geboorteplaats

De profeet Micheas wijst zelf de plaats aan waar de Christus geboren zou worden, namelijk Bethlehem in Judea (Mich.5,1) : ‘En gij, Bethlehem in Judea, zijt niet de geringste onder de aanvoerders van Juda : uit u immers zal een aanvoerder voortkomen, die Mijn volk Israel weiden zal’. Bethlehem is de geboorteplaats van David, zodat Christus, niet slechts vanwege de Maagd die Hem gebaard heeft, maar ook door Zijn geboorteplaats een afstammeling van David is.

De ware heerser uit Davids nageslacht.

Telkens spreekt David erover dat de Christus uit zijn nakomelingschap geboren zou worden, zoals in Psalm 131 : ‘Omwille van David, Uw dienaar, wend het aangezicht niet af van Uw Christus; de Heer heeft naar waarheid gezworen aan David. Hij zal het zeker gestand doen : vrucht van uw lichaam zal ik plaatsen op uw troon als us zonen Mijn Verbond onderhouden; als zij Mijn Getuigenissen bewaren zoals ik die hun zal leren, dan zal hun Zoon tot in eeuwigheid zetelen op uw troon’. Doch geen van Davids zonen heeft voor altijd geheerst, ook bleef hun koningschap niet eeuwig – dat rijk is immers opgeheven – alleen de uit David geboren Christus is Koning in eeuwigheid.

Al deze getuigenissen hebben betrekking op Zijn lichamelijke afstamming, en zij geven Zijn geslacht en geboorteplaats duidelijk aan, zodat men niet onder de heidenen, of waar dan ook, naar de geboren Zoon Gods behoefde te zoeken, doch in het joodse Bethlehem, uit het geslacht van Abraham en David.

Christus’ triomftocht

Een andere gebeurtenis uit Christus leven is voorzegd door de profeet Zacharias (9,9): ‘Roep dochter Sion toe : zie uw koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier’. Want zo heeft Hij inderdaad Zijn intrede gemaakt in Jeruzalem, de hoofdstad van Judea, waar de regering gezeteld was en waar zich ook Gods Tempel bevond. Hij deed Zijn intrede op een ezelsveulen, waarover de menigte haar kleren had uitgespreid en waarop Hij plaats genomen had. Die dochter van Sion is de stad Jeruzalem.

Voorspellingen over Christus

We zien dus hoe de profeten hebben voorspeld dat de Zoon Gods geboren is onder de mensen, maar zij hebben ook nog voorzegd hoe Hij die mensen, waaruit Hij stamde, zou genezen; hoe Hij hun doden zou opwekken tot leven; en hoe Hij daarvoor gehaat en verworpen zou worden; hoe Hij moest lijden, gedood en gekruisigd worden.

Voorzeggingen over de door Christus verrichte genezingen.

Laten we nu over Zijn genezingen spreken. Jesaja zegt daarover (53,4) : ‘Waarlijk, onze zwakheden heeft Hij gedragen, onze ziektes heeft Hij op zich genomen’. Dit is één der plaatsen waar Gods Geest door de profeten over de toekomst spreekt alsof die reeds gebeurd zou zijn : zo zeker is immers dat geschieden zal wat in Gods raad besloten is. Voor Gods Geest is, wat in gindse tijd geschiedt wanneer de profetie in vervulling moet gaan, reeds in Zijn aanschouwen tegenwoordig.

De profeet geeft ook de aard der genezingen aan : op ‘die dag horen de doven de woorden van het Boek en zien de blinden, want hun ogen zijn bevrijd van duisternis en donker’ (Jes.29,18). ‘Sterk de slappe handen, geef kracht aan de knikkende knieën. Wees getroost, verslagenen en kleinmoedigen; sterk u, vrees niet ! Hier is onze God, Hij brengt vergelding : Hijzelf wil ons komen redden. Dan worden de ogen der blinden geopend, de oren der doven zullen horen. Dan zal de kreupele springen als een hert en de tong van de stomme zal juichen (Jes.35,3-6)’. Zelfs het opwekken der gestorvenen heeft hij voorzegd : ‘De doden zullen opstaan, en die in de Graven zijn, zullen opgewekt worden (Jes.26,19)

(wordt vervolgd)

Uitgave van orthodox klooster : Den Haag

Simeon de Nieuwe Theoloog:Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, dan zal Hij u tot de volle waarheid geleiden

 

Simeon de Nieuwe Theoloog (ca.949-1022), Griekse monnik, heilige in deorthodoxe kerk
Catechese, 33 ; SC 113

Simeon de Nieuwe theoloog.jpg

Simeon de Nieuwe Theoloog

 

“Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, dan zal Hij u tot de volle waarheid geleiden”

      De “sleutel van de kennis” (Lc 11,52) is niets anders dan de genade vande heilige Geest. Ze werd door het geloof gegeven. Door de verlichting brengtze werkelijk de kennis en zelfs de volledige kennis. Zij opent onze geslotenen verduisterde geest, vaak met parabels en symbolen, maar ook met duidelijkerbevestigingen… Let dus op de geestelijke betekenis van het woord. Als desleutel niet goed is, dan gaat de deur niet open . Want, zo zegt de GoedeHerder, “voor hem doet de bewaker de deur open” (Joh 10,3). Maar als de deurniet open gaat, dan gaat niemand het huis van de Vader binnen, want Christusheeft gezegd: “Niemand kan tot de Vader komen dan door Mij” (Joh 14,6).

      Want het is de heilige Geest die als eerste onze geest opent en onsonderricht wat betreft de Vader en de Zoon. Christus zegt dat ook tegen ons:”Wanneer de Geest van waarheid komt die voortkomt uit de Vader, dan zal Hijvan Mij getuigen. Hij zal u de weg naar de volle waarheid wijzen” (Joh 15,26;16,13). U ziet hoe door de Geest of liever in de heilige Geest, de Vader en deZoon zich onafscheidelijk laten kennen…

      Men noemt de heilige Geest een sleutel, omdat eerst door Hem en in Hemwij een verlichte geest hebben. Als we eenmaal zijn gezuiverd, dan zijn weverlicht door het licht van de kennis. Wij zijn van bovenaf gedoopt en weontvangen een nieuwe geboorte en worden kinderen van God, zoals Paulus zegt:”De heilige Geest pleit voor ons met woordeloos zuchten” (Rom 8, 26). En ook :God heeft zijn heilige Geest in onze harten gegeven die roept: “Abba, Vader”(Gal 4,6). Hij toont ons dus de deur, de deur die licht is, en de deur leertons dat Degene die in het huis woont ook het ontoegankelijke licht is.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Heiligenleven : De heilige Gelasios

Heiligenleven

De heilige Gelasios

 

 

Gelasios heilige.jpg

 

 

De heilige Gelasios, een toneelspeler in Heliopolis. Toen hij eens in een satire het christelijk geloof bespottelijk moest maken en daarbij ook gedoopt werd door een andere clawn die de doopwoorden uitsprak, en met een wit kleed werd bekleed, kwam hij als een totaal veranderd mens uit het bad tevoorschijn en beleed dat hij gelovig was. Want terwijl hij in het water was, had hij zulk een stralend licht aanschouwd, dat hij niets anders meer verangde dan daar bij te zijn.

Toen de menigte merkte dat het Gelasios ernst geworden was maakte zich een wilde woede van gen meester. De mensen stormden de arena in, sleepten Gelasios naar buiten en sloegen hem dood met de stenen die zij daar vonden, in het jaar 297. Het lichaam van Gelasios werd naar zijn geboortedorp Mariamnia gebracht en daar werd over zijn graf een kerk gebouwd.

Uit : Heiligenlevns voor elke dag. Uitg. Orth. Klooster – Den Haag

Groter dan ons hart

Groter dan ons hart

 

 

 

Ontsteek ons hart, Christus onze God, met de vlam van de liefde tot U, zodat wij U vurig mogen beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten, en onze naaste als onszelf, zodat wij uw geboden onderhouden en U verheerlijken als de schenker van alle goed. Amen

Efraim de Syriër :Ze loofden God, en zongen Hem lof, om al wat ze hadden gehoord en gezien

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, Kerkleraar
Hymne 7 op de Maagd

Efraim de syrier222.jpg

Efrem de Syriër

 

“Ze loofden God, en zongen Hem lof, om al wat ze hadden gehoord en gezien”

      Komt wijzen, laten we de Moeder Maagd bewonderen, de dochter van David,deze schone bloem die het wonder gebaard heeft. Laten we de bron bewonderenwaaruit de fontein opspringt, de boot beladen met vreugde die ons de boodschapvan de Vader komt brengen. In haar zuivere schoot heeft zij de grote God, dieheerst over de schepping, ontvangen en gedragen, deze God door wie de vrede opde aarde en in de hemel heerst. Kom laten we de zuivere Maagd, die in haarzelfwonderbaarlijk is, bewonderen. Zij is de enige onder de schepselen die gebaardheeft, zonder een man gekend te hebben. Haar ziel was vol met bewondering enelke dag verheerlijkte zij God in de vreugde voor de gaven die leken zich niette kunnen verenigen: haar maagdelijkheid en haar geliefde kind. Ja, gezegendis Degene die uit haar geboren is.

       Zij draagt Hem en zij zingt zijn lofzangen met zoete liederen… :”Jouw plaats, mijn zoon, is boven allen; maar, omdat jij het hebt gewild, hebjij je een plaats in mij gemaakt. De hemelen zijn te klein voor jouwmajesteit, en ik, kleine mens, draag jou! Moge Ezechiël komen en jou op mijnknieën zien zitten; dat hij zich buigt en jou aanbidt; dat hij Diegene erkentdie hij zag zetelen op de wagen met de cherubijnen (Ez1) en dat hij mijgelukzalig verklaart, dankzij Hem die ik draag! Jesaja die verkondigde: “Ziede Maagd ontvangt en baart een zoon” (7,14), kom, beschouw mij, verheug u metmij… Zie ik heb gebaard en het zegel van mijn maagdelijkheid intactgehouden. Kijk naar Emanuel die vroeger voor u verborgen bleef…

“Komt tot mij wijzen, zangers van de heilige Geest, profeten die in uwvisioenen de openbaring hebt gehad van verborgen werkelijkheden, akkerbouwersdie, na gezaaid te hebben, in de hoop ingeslapen bent. Sta op, jubel vanvreugde bij het zien van de oogst. Zie in mijn armen de korenaar van hetleven, die brood geeft aan de hongerigen, die de armzaligen vervult. Verheug umet mij; ik heb de schoof van vreugde ontvangen!”

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Heiligenleven : de heilige Bernard van Montjoux

Heiligenleven

Heilige Bernard van  Montjoux

 

Bernard-of-Montjoux.jpg

bernard van Montjou

De heilige Bernard werd einde 10e eeuw geboren uit een rijke, adelijke familie. Op huwbare leeftijd besloot hij zijn leven volledig aan God te wijden en trok naar Italië. Door zijn rechtschapenheid en deugdzaamheid werd hij tot kanunnik aangesteld van de kathedraal van Aosta.

Belast met het toezicht op de Alpenpassen waar pelgrims op hun weg naar Rome dikwijls overvallen werden door roversbenden, zette hij zich ook in om betere levensomstandigheden te scheppen voor de verspreid wonende bevolking in deze barre streek. Door zijn organisatietalent richtte hij twee permanente onderkomens, ‘hospices’, in op deze Alpenroutes. Deze werden later naar hem genoemd als de ‘grote’ en de ‘Kleine Sint Bernard’. Hij bracht de nodige middelen bijeen waardoor deze nederzettingen door augustijner kanunniken bewoond werden.

Terwijl hij zo voor de reizigers zorgde, is hij zelf op zulk een reis gestorven in Novarra, waarschijnlijk in 1008.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den haag.

ux

 

Petrus chrysologus : Raak Me aan en zie

H. Petrus Chrysologus (ca 406-450) bisschop van Ravenna, Kerkleraar
Sermon 31, 8ste over de verrijzenis van de Heer; PL 52, 427

 

petrus chrysologus.jpg

Petrus Chrysologus

 

“Raak Me aan en zie”

      Na de verrijzenis was Jezus door gesloten deuren binnengekomen (Joh20,19), maar de leerlingen geloofden niet dat Hij werkelijk een lichaam had,maar veronderstelden dat alleen zijn ziel teruggekomen was in de verschijningvan een lichaam, zoals de beelden die je in dromen kunt zien. “Ze dachten eengeest te zien”…

      “Waarom zijn jullie bezorgd en waarom komt er twijfel op in uw hart? Ziehier mijn handen en mijn voeten.” Zie, dat wil zeggen, wees oplettend. Waarom?Omdat het geen droom is die jullie zien. Zie mijn handen en mijn voeten metjullie vermoeide ogen, jullie kunnen mijn gelaat nog niet zien. Zie de wondenin mijn vlees, jullie kunnen de werken van God nog niet zien. Schouw detekenen die door de vijand zijn aangebracht, want jullie kunnen demanifestatie van God nog niet waarnemen. Raak Mij aan, opdat jullie handjullie het bewijs geeft, want jullie ogen zijn op dit punt nog blind… Ontdekde gaten in mijn handen, onderzoek mijn zijde, maak mijn wonden weer open,,want Ik kan niet aan mijn leerlingen weigeren met het oog op het geloof wat Ikniet aan mijn vijanden geweigerd heb met mijn smeekbede. Raak aan, raak aan…zoek tot op mijn botten, om de werkelijkheid van het vlees te bevestigen, endat de wonden nog open zijn bewijst dat Ik het ben…

      Waarom geloven jullie niet dat Ik verrezen ben, Ik die zovelen terug inhet leven geroepen heb onder jullie ogen?… Toen Ik aan het kruis hing,beledigde men Mij door te zeggen: “Jij was toch de man die de tempel konafbreken en in drie dagen weer opbouwen? Als je de Zoon van God bent, redjezelf dan maar en kom van dat kruis af” (Mt 27,40). Wat is er moeilijker, vanhet kruis afkomen door de spijkers eruit te halen of om naar de hel af tedalen en de dood verjagen? Zie Ik heb mijzelf gered door de boeien van de helte verbreken en Ik ben opgestegen naar de wereld boven.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Metropoliet Kallistos : Over de dood en de verrijzenis

                     

Over de dood en de verrijzenis

Door Metropoliet Kallistos Ware

 

DE KONINKLIJKE DEUREN OPENEN ZICH !

 

In de cultus van de russisch Orthodoxe Kerk, blijven de  centrale deuren van de iconostase tijdens de gebeden, die het begin van de Eucharistie voorafgaan, gesloten. Wanneer de Goddelijke Liturgie begint, gaan de deuren open, het heiligdom komt tevoorschijn en de priester zingt  het inleidend zegengebed.

Het is dit essentieel moment dat prins Eugène Troubetskoï (1863-1920), filosoof en russisch religieus, opriep in zijn laatste woorden op zijn sterfbed : “ De koninklijke deuren openen zich ! De grote Liturgie kan beginnen”. Voor hem was de dood geen poort die zich sluit maar een poort die zich opent, geen einde, maar een begin. Naar het voorbeeld van de eerste Christenen heeft hij de dag van zijn dood ervaren als een geboortedag.

Ons menselijk bestaan kan vergeleken worden met een boek. De meeste mensen beschouwen hun leven hier beneden als de  reële tekst, zij zien het toekomstige leven ,althans de voornaamste periodes ervan, – in de mate natuurlijk dat ze geloven in de realiteit ervan – als een  eenvoudig aanhangsel. Een authentieke christelijke houding is juist het tegenovergestelde. Ons huidig leven is in werkelijkheid niets meer dan het voorwoord., de inleiding op het boek ; het toekomstige leven vormt daarentegen de belangrijkste  gebeurtenis. Het moment van de dood vormt niet de conclusie van het boek, maar het begin van het eerste hoofdstuk. In verband met dit eindpunt, dat in werkelijkheid een vertrekpunt is, moet men zich twee dingen voor ogen stellen die zo evident zijn, dat men ze gemakkelijk vergeet. Vooreerst is de dood een onoverkomelijk en zeker feit. Vervolgens is de dood een mysterie. Wii moeten dus de dood beschouwen met tegengestelde gevoelens, met matigheid en realisme enerzijds,en met vrees en verwondering anderzijds.

In dit leven is er slechts één ding waar we zeker kunnen van zijn : wij zullen allen sterven – ten minste, indien  Christus’wederkomst niet daarvóór gebeurt. De dood is het enige feit dat vaststaat, dat onvermijdelijk is, waar de mens moet op rekenen. En indien ik het probeer te vergeten, indien ik mij wil verbergen voor haar onvermijdelijk karakter ervan, dan ben ik al verloren.

Het ware humanisme in onscheidbaar van het bewustzijn van de dood. Het is slechts door de realiteit van mijn nakende dood te trotseren en te aanvaarden dat ik waarachtig zal kunnen leven. Zoals D.H.Lawrence het heeft geconstateerd : “Zonder de zang van de dood is de zang van het leven onbeduidend en belachelijk”. Door de dimensie  van de dood beroven  wij het leven van  haar  ware grootheid.

Metropoliet Antoine van Souroge heeft het ook met kracht gezegd :  “De dood is de hoeksteen van onze houding tegenover het leven. Zij die angst hebben voor de dood, hebben ook angst voor het leven. Het is onmogelijk om geen angst te hebben voor het leven met al zijn complexiteiten en al zijn gevaren, indien  men angst heeft voor de dood (….). Indien wij schrik hebben voor de dood, zullen wij nooit klaar zijn om het ultieme risico te nemen, dan zullen wij ons leven laten voorbijgaan op een lafhartige, behoedzame en angstvallige manier. Het is slechts door de dood onder ogen te durven zien, door de plaats te bepalen die haar toekomt en ook onze plaats ten overstaan van haar, dat wij in staat zullen zijn om zonder vrees te leven en tot het uiterste van onze mogelijkheden te gaan” . (1)

Nochtans zou ons realisme en ons besluit om een betekenis te geven aan de dood niet mogen leiden tot een beperking van een tweede waarheid : het mysterieuze karakter van de dood.  Ondanks alles wat de verschillende religieuze tradities ons ook mogen vertellen : wij begrijpen bijna niets van “dit onbekend land waaruit geen enkele reiziger  terugkeert….” . Het is waar  wat Hamlet zegt : dat “de vrees voor de dood de wil in verwarring brengt”. Wij moeten weerstaan aan de bekoring om té ver te gaan zoeken en té veel te gaan zeggen.  Men moet de dood niet banaliseren . Het is een onoverkoombaar en zeker feit, maar ook de grote onbekende.

De Heilige Isaak de Syriêr (VIIe eeuw) drukt heel goed de eenvoudige realistische houding uit die men moet hebben ten overstaan van de dood : “Leg in uw hart, o mens, de gedachte dat je moet vertrekken. Zeg zonder ophouden : Zie, de engel die mij komt zoeken staat aan de poort. Waarom ben ik hier , om te doen alsof er niets aan de hand is  ? Mijn vertrek is voor altijd ; er zal geen terugkeer zijn’. Breng de nacht door met deze gedachte, mediteer hierover tijdens de ganse dag. En wanneer het moment van het vertrek komt, aanvaart het met vreugde, zeggende : ‘Kom in vrede ! Ik wist dat je zou komen en ik heb niet verwaarloosd  om op mijn weg te doen wat mij hiertoe nuttig zou kunnen zijn”  (2).

Over de plaats van de dood in ons leven en ons standpunt hiertegenover, volstaat het om drie dingen goed voor de geest te houden. Vooreerst : de dood is dichter bij ons dan wij het vermoeden. Vervolgens : zij is in geheel niet natuurlijk , zij is totaal tegengesteld aan het goddelijk plan, alhoewel zij toch een gave van God is. Tenslotte : het is een scheiding die geen scheiding is.

 LEVEN – DOOD,  DOOD – LEVEN

De dood is niet eenvoudigweg een ver verwijderde gebeurtenis die onze aards bestaan komt afsluiten, het is een gebeurtenis die reëel tegenwoordig is, die zich als maar verder rondom ons en in ons  voltrekt. “Elke dag zie ik de dood van nabij”, zegt de Apostel Paulus (1 Kor.15,31) ; “Elk ogenblik is de tijd van de dood” ,gaat T.S. Eliot nog verder. Alles wat leeft is een vorm van dood ; wij sterven de ganse tijd. Maar in deze dagelijkse ervaring wordt elke dood gevolgd door een nieuwe geboorte : elke dood is tevens een vorm van leven. Leven en dood staan niet tegenvover elkaar, zij sluiten mekaar niet uit, maar zijn met mekaar verweven. Gans ons menselijk bestaan is een mengeling van dood en verrijzenis. “ Als stervenden, en zie, toch zijn wij in leven” (2 Kor.6,9). Onze reis op deze aarde is een onophoudelijk Pasen, een voortdurende tocht van de dood naar een nieuw leven. Tussen onze aanvankelijke geboorte en onze uiteindelijke dood is gans de loop van ons bestaan samengesteld uit een reeks  “kleine” dood en geboorten.

Telkens wanneer wij gedurende de nacht inslapen, hebben wij een voorsmaak van de dood ; elke keer dat wij de volgende morgen ontwaken is het alsof wij opstaan uit de dood. Een joodse zegenspreuk zegt : “Gezegend zijt Gij o Heer onze God, Koning van het heelal, die elke ochtend uw wereld herschept” . Zo gaat het ook op dezelfde manier met ons : elke morgen als we ontwaken, zijn wij als herschapen. Wellicht zal ook onze ultieme dood op dezelfde wijze een  “herschepping” zijn, een inslapen gevolgd door  een ontwaken.

Wij hebben geen schrik om elke nacht in te slapen, omdat wij weten dat wij terug zullen ontwaken de volgende morgen. Kunnen wij dan ook niet hetzelfde vertrouwen hebben tegenover ons ultieme inslaping bij de dood ? Zouden wij dan niet kunnen rekenen op een ontwaken, herschapen, in de eeuwigheid ?

Dit model van leven-dood vinden wij ook, een beetje verschillend, in het proces van onze groei. In elke etappe moet er iets in ons sterven om naar de volgende etappe in ons leven te gaan. De overgang van zuigeling naar kind, van kind naar de adolescentie, van de adolescentie naar de rijpe volwassenheid, betekent telkens een innerlijke dood die een voorwaarde is voor de geboorte in iets nieuws. En deze overgangsperiodes, in het bijzonder deze van het kind naar de adolescentie, kunnen een bron van crisis zijn, zelfs zeer pijnlijke. Maar indien wij op een bepaald moment deze noodzaak om te sterven weigeren te aanvaarden, dan kunnen wij ons niet ontwikkelen tot echte personen. Zoals Georges MacDonald het schrijft in zijn roman Lilith, “Je zal dood zijn in de mate dat je zal weigeren te sterven” . Het is juist de dood van het oude, dat het nieuwe mogelijk maakt in ons. Zonder de dood kan er geen nieuw leven zijn.

Indien volwassen worden een vorm van dood zijn is, zo is het ook met betrekking tot het begin, de scheiding van een plaats of een persoon die we hebben liefgehad. Het zijn scheidingen in onze voortdurende groei naar rijpheid. Ten minste moeten wij op een dag de moed hebben om onze vertrouwde omgeving te verlaten, van ons te scheiden van onze actuele vrienden en van nieuwe banden te smeden. Wij zullen nooit kunnen realiseren wat we allemaal in ons hebben, ons daadwerkelijk beschikbaar vermogen. Door té lang te blijven steken in het oude, weigeren wij de uitnodiging te aanvaarden voor het nieuwe. Om de woorden van Cecil Day Lewis te hernemen : “ De differentiatie begint bij een vertrekpunt, en het is in de keuze van het loslaten dat men getuigt van de liefde”.

Een ander soort loslaten die wij op een dag zullen moeten trotseren is bv. de ervaring van het afwijzen, wanneer wij gaan solliciteren voor werk – hoeveel jongeren die pas afgestudeerd zijn van school of universiteit moeten vandaag de dag doorheen deze bijzondere vorm van de dood gaan ! Het afwijzen in de liefde. Er is dan iets wat werkelijk afsterft in ons wanneer wij ontdekken dat onze liefde zonder antwoord blijft en dat iemand anders de voorkeur geniet in onze plaats. En nochtans kan deze dood een bron zijn van nieuw leven. Voor vele jongeren is het mislukken in de liefde juist het begin van de rijpheid, hun inwijding in het volwassen zijn. De droefheid, het verlies van een geliefde, betekent tevens een dood in het hart van diegene die achterblijft. Wij hebben de indruk dat een deel van onszelf er niet meer is, dat wij beroofd zijn van een ledemaat. De droefheid wanneer men ze het hoofd biedt en innerlijk heeft aanvaard, maakt van ons meer authentisch levende mensen dan voordien.

Voor vele gelovigen, is de dood van het geloof – het verlies van onze meest intense zekerheden (minstens de in het oog springende) over God en de betekenis van het bestaan – bijna even traumatiserend als het verlies van een vriend of een echtgenoot. Maar dit is ook een ervaring van dood-leven waar wij moeten  doorheen gaan opdat ons geloof zou rijpen. Het authentieke geloof is een permanente dialoog met de twijfel. God overtreft oneindig datgene wat wij over Hem kunnen zeggen; onze geestelijke concepten zijn afgodsbeelden die moeten gebroken worden. Om volkomen levend te zijn, moet ons geloof voortdurend sterven.

In al deze gevallen zien wij dat de dood geen destructief, maar een creatief karakter heeft. Het is door de dood dat de verrijzenis komt. Iets wat sterft is iets wat geboren wordt ten leven. Is de dood die ons bij het einde van ons aardse leven overkomt niet van dezelfde orde ? Is zij niet de uiterste en meest formidabele dood-verrijzenis onder alle andere die wij hebben gekend sedert onze geboorte ? Verre van er totaal van afgesneden te zijn is de dood de meest omvangrijke en de meest volledige uitdrukking van alles wat wij in de loop van ons leven hebben meegemaakt. Indien de kleine vormen van dood waardoor wij moesten passeren ons geleid hebben naar iets wat ons overtreft, naar een verrijzenis, waarom zou dit dan ook niet waar zijn van het grote moment van de dood, wanneer de tijd gekomen is om deze wereld te verlaten ?

Maar het is niet alles. Voor de Christenen haalt dit model van dood – verrijzenis, dat zich  herhaalde malen heeft voorgedaan in ons leven , zijn diepste betekenis in het leven, de dood en de Verrijzenis van onze Redder Jezus Christus. Onze eigen geschiedenis moet begrepen worden in het licht van Zijn geschiedenis die wij elk jaar celebreren gedurende de Heilige Week, maar ook elke zondag in de Eucharistische Liturgie. Al onze kleine vormen van sterven en verrijzen vormen doorheen de geschiedenis een eenheid met Zijn  definitieve Dood en Verrijzenis, onze kleine vormen van Pasen worden opgeheven en herbevestigd in Zijn grote Pasen. De dood van Christus, volgens de liturgie van de Heilige Basilios, is een “scheppende dood van leven”. Zeker van zijn voorbeeld geloven wij dat ook onze dood  “een schepping ten leven” kan zijn. Christus is onze voorloper en aanvang. Zoals ook de orthodoxe Kerk in de homilie toegewezen aan de Heilige johannes Chrysostomos het  bevestigt tijdens de Paasnacht : “Dat niets de dood vreze, want de dood van Christus is ons geopenbaard; Hij heeft ze doen verdwijnen na (…) te hebben ondergaan. Christus is Verrezen, nu heerst het leven. Christus is verrezen, er is geen dood meer  in het graf” (3).

 

DE DOOD IS A-NORMAAL

De dood is dus onze gezel tijdens gans ons leven, als een dagelijkse permanente ervaring en herhaald tot in het oneindige. Nochtans, hoe vertrouwd zij ook is, ze blijft altijd een niet-natuurlijk gegeven. De dood maakt geen deel uit van het vooropgestelde plan van God voor Zijn schepping. God heeft ons geschapen, niet opdat wij zouden sterven, maar opdat wij zouden leven. Meer nog, Hij heeft ons geschapen als een ondeelbare eenheid. Vanuit het standpunt van de Joden en de Christenen, moet de menselijke persoon gezien worden in termen van ‘geheel’ (holistisch) zijn : wij zijn geen ziel die tijdelijk gevangen zit in een lichaam en die ernaar verzucht om eruit bevrijd te worden, maar een geïntegreerde totaliteit die lichaam en ziel omvat. Carl Gustav Jung had gelijk toen hij  de nadruk legde op wat hij een ‘mysterieuze waarheid’ noemde : “De geest is het levend lichaam gezien vanuit het innerlijke, en het lichaam is de uiterlijke manifestatie van de levende geest – de twee zijn werkelijk één”. Indien wij als dusdanig een scheiding maken tussen ziel en lichaam, dan is de dood een hevige aanslag op de eenheid van de menselijke natuur.

Indien de dood iets is wat ons allen te wachten staat, dan is zij in het diepste zelf a-normaal. Zij is afschuwelijk en tragisch. Voor de dood van onze naasten en onze eigen dood, wat ons realisme, onze gevoelens van droefheid ook mogen zijn, is onze huivering en zelfs onze verontwaardiging gerechtvaardigd : “Kom niet zacht binnen in die goede nacht. Tiert, ga tekeer tegen het verdwijnen van het licht” zegt de dichter Dylan Thomas. Jezus zelf heeft geweend voor het graf van Zijn vriend Lazarus (Joh.11,35); en in de hof van Gethsemanie, was Hij vervuld van angst voor het dreigende vooruitzicht van zijn eigen dood (Matth.26,38). De Apostel Paulus beschouwd de dood als een ‘vijand die moet vernietigd worden’ (1 Kor.15,26) en hij heeft het nauw verbonden met de zonde : “De prikkel van de dood is de zonde” (1 Kor.15,56). Het is omdat wij allen leven in een verscheurde wereld – in een wereld met een verstoord evenwicht, waar onenigheid heerst, een gekke wereld, een afgestompte wereld – dat wij zullen sterven.

Nochtans, zelfs al is de dood een tragisch gebeuren, zij is ook en tezelfdertijd een zegen. Alhoewel zij geen deel uitmaakt van Gods plan met de mensheid, is zij toch een gave van God, een uitdrukking van Zijn barmhartigheid en Zijn medelijden. Voor ons mensen die in deze verscheurde wereld leven, gevangenen voor altijd in de vicieuze cirkel van de vijand en de zonde, is dit een vreselijke en ondraaglijk noodlot. Daarom heeft God ons een uitweg aangeboden. Hij heeft de eenheid van ziel en lichaam gebroken, om hen dan opnieuw te kunnen herscheppen en te verenigen op de laatste dag, als de lichamen zullen verrijzen, en hen mee te voeren naar de volheid van het leven. Hij is als de pottenbakker die door de profeet Jeremias wordt geobserveerd : “Ik daalde af bij de pottenbakker, maar de pot die de pottenbakker uit leem wilde maken, mislukte onder zijn hand; toen begon de pottenbakker opnieuw, en maakte er een andere pot van, juist als hij wilde” (Jeremias 18,4-5). De goddelijke pottenbakker legt zijn hand op de pot van onze nederigheid, beschadigd door de zonde, en Hij breekt hem om hem op zijn beurt te kunnen opnieuw maken en hem zijn oorspronkelijke schoonheid terug te geven. De dood, in deze betekenis is ook het instrument van ons herstel. Zoals de orthodoxe Kerk het zingt op haar begrafenisdienst : “ Eertijds hebt Gij me gehaald uit het niets om mij gelijkvormig te maken aan het beeld van God, maar ik heb uw wet geschonden en Gij hebt mij overgeleverd aan de aarde waaruit ik genomen was, laat mij nu terugkeren naar uw gelijkenis en herstel mijn eerste schoonheid” (4). In het epitaaf (grafschrift) welke hij voor zichzelf had samengesteld, schrijft Benjamin Franklin : “ Hier ligt het lichaam van Benjamin Franklin, drukker, als  een kaft van een oud boek, zijn inhoud is opgebruikt en verstoken van zijn letters en zijn goud. : ze voeden  de verzen ! Het werk zal echter niet verloren gaan, want zoals hij het geloofde, zal het opnieuw verschijnen in een nieuwe en veel mooiere editie, verbeterd en gewijzigd door zijn Auteur !”

Er is dus een dialectiek in onze verhouding tot de dood : maar de twee benaderingen zullen uiteindelijk niet tegenstrijdig zijn. Wij zien de dood als niet natuurlijk, a-normaal, tegengesteld aan het plan van de Schepper, maar we revolteren er niet tegen met droefheid en wanhoop. Wij beschouwen het ook als een deel van de goddelijke wil, een zegen en niet als een straf. Ze is ook een uitweg uit onze impasse, een middel van de genade, als de deur naar onze her-schepping. Het is onze terugweg. Om opnieuw de orthodoxe begrafenisdienst te citeren : “ Ik ben het verloren schaap : roep mij terug, o mijn Heiland, en red mij”. Wij naderen dus tot de dood met bereidwilligheid en hoop, met de Heilige Fransiscus van Assisië zeggend : “dat onze Heer zij geloofd voor onze zuster, de  lichamelijke dood” ; want doorheen deze lichamelijke dood, roept de Heer het kind van God tot zich terug. Over de grenzen van hun scheiding door de dood, zullen ziel en lichaam herenigd worden op de laatste dag. Deze dialectiek verschijnt duidelijk gedurende de orthodoxe begrafenis.  Niets wordt er gedaan om de droevige en schokkende realiteit van de dood te verduisteren. De kist blijft open, en het is dikwijls een pijnlijk moment wanneer familie en vrienden de één na de andere naderen om de overledene de laatste kus te geven. Nochtans is het tezelfdertijd, en dit op verschillende plaatsen het gebruik om geen zwarte klederen te dragen, maar witte, dezelfde die men draagt voor de dienst van de Verrijzenis gedurende de paasnacht : want Christus, verrezen uit de doden, roept de overleden christenen op om Zijn eigen Verrijzenis te delen.  Het is niet verboden om te wenen tijdens een begrafenis; het is zelfs veeleer goed, want de tranen kunnen het effect hebben van een zalf en de wonde  is nog veel dieper wanneer de pijn wordt verdrongen. Maar we moeten niet diepbedroefd zijn “zoals de anderen die geen hoop hebben” (1 Thess.4,13). Onze droefheid, hoe hartverscheurend zij ook moge zijn, is geen wanhoop, want, zoals wij het belijden in de Geloofsbelijdenis : wij verwachten “de verrijzenis uit de doden en het leven van het komend rijk”.

 

COMMUNIO IN CHRISTUS

 

Ten slotte is de dood een scheiding die geen scheiding is. De orthodoxe traditie hecht het grootste belang aan dit punt. Levenden en doden behoren tot één enkele familie. De afgrond van de dood is niet onoverkomelijk want we kunnen elkaar terug ontmoeten rond het altaar van God. De Russische schrijver Iulia de Beausobre (1893 – 1977) zegt : “De Kerk (…) is het punt waar de doden, de levenden en hen die nog moeten geboren worden mekaar ontmoeten, in wederzijdse liefde zich verenigend rond de rots van het altaar om hun liefde voor God te verkondigen” (5). Het is dit, wat ook een andere Russische auteur, de priester Macaire Gloukharev (1792 – 1847), zegt in een brief aan een gelovige in rouw :  “In Christus leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Levenden en doden : wij zijn allen in Hem. Het zou juister zijn om te zeggen : wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood. Onze God is geen God van doden, maar een God van levenden. Het is uw God, het is de God van de overledene. Er is slechts één God, en gij zijt verenigd in de Enige. Je kan alleen mekaar voor enige tijd niet zien, opdat de toekomstige ontmoeting vreugdevoller zou zijn. Dan zal niemand u deze vreugde kunnen ontnemen. Maar zelfs nu leef je samen; zij is alleen maar naar een andere kamer gegaan en heeft er de deur gesloten… De spirituele liefde kent geen zichtbare scheiding” (6).Hoe kan men deze permanente communio handhaven ? Er is vooreerst een valse weg die sommigen aantrekkelijk vinden, maar die de orthodoxe traditie absoluut verwerpt. Neen, de communio tussen levenden en doden heeft niets te maken met de relevante praktijken van het spiritisme of magie. In een authentiek christendom is er geen plaats voor technieken die zich richten op het communiceren met doden, zoals het beroep doen op mediums bv. In feite zijn deze technieken zeer gevaarlijk. Diegenen die deze technieken opzoeken stellen zich dikwijls bloot aan demonische krachten. Het spiritisme is ook een uitdrukking van ongegronde nieuwsgierigheid, van het soort zoals iemand die probeert door het sleutelgat te kijken van een gesloten deur. Zoals Vader Alexander Eltchaninoff (1881 – 1934) : “Wij moeten nederig het bestaan van het Mysterie erkennen, en niet pogen om via een diensttrap naar omhoog gaan om aan de deuren te luisteren” (7)

Na datgene wat we tot hiertoe gezegd hebben, en de levens van de heiligen leren het ons, zijn er zeker gevallen waar doden rechtstreeks met mekaar in contact treden, of het nu in een droom is of doorheen visioenen. Maar we moeten van onze kant, niet proberen deze contacten te forceren.

Elk kunstmatig middel die er op gericht is om de doden te manipuleren is in strijd met het christelijk geweten. De communio die ons met de doden verenigt situeert zich niet op het psychisch niveau, maar op het spirituele, en de plaats waar wij met mekaar in contact treden is geen salon, maar de eucharistische tafel. Het enig geldig fundament van onze communio met de doden is de communio in het gebed, vooral in de celebratie van de Goddelijke Liturgie. Wij bidden voor hen, en terzelfdertijd zijn wij er zeker van dat ook zij voor ons bidden; en het is door deze wederzijdse voorbede dat wij verenigd worden over de grenzen van de dood heen, in een band van intense  en eeuwigdurende eenheid.

Bidden voor de doden is voor een orthodox christen niet zomaar een bijzaak, een optie ; het is daarentegen een aanvaard en onveranderlijk element van onze dagelijkse cultus. De gebeden die wij zeggen  zijn veelvuldig : “Vat van wijsheid die de mensen bemint en alles leidt in het licht van  het heil. Enige Schepper van wie allen ontvangen die tot  U bidden. Schenk Uw rust o Heer aan de zielen van Uw dienaars, want hun hoop is op U gericht, onze Auteur, onze Schepper en onze God”, en ook nog “Laat rusten onder Uw heiligen, de zielen van Uw dienaars, in een plaats waar geen smart, droefheid en geweegklaag is, maar waar het eeuwige leven is”, en nog : “ Schenk o Heer aan Uw dienaars de rust en plaatst hen in  het Paradijs,daar waar de koren der rechtvaardigen en heiligen schitteren als de sterren; geef hen, Heer, de rust en vergeef hen al hun zonden”.

Onder deze gebeden zijn er met een sombere ondertoon; zij roepen de mogelijkheid op van een eeuwige scheiding met God : “Van het vuur dat niet uitdooft, van de duisternissen zonder licht, van het knarsen der tanden, van de wormen die voortdurend knagen en van elke diepste smart, red onze overleden gelovigen”.Deze voorbeden voor de doden hebben geen onverbiddelijke limieten. Voor wie bidden wij ? Stricto senso, in de publieke liturgische celebraties staan de orthodoxe regels de nominatieve gebeden niet toe, tenzij voor hen die gestorven zijn in de zichtbare communio met de Kerk. Maar er zijn gevallen waarbij onze gebeden veel langer zijn. Gedurende de vespers van Pinksterenzondag, worden zelfs gebeden gedaan voor hen die in de hel zijn : “Gij die op dit uitzonderlijk volmaakt en zaligmakend feest u gewaardigd hebt onze voorbeden te aanvaarden voor hen die in de hel zijn, en die ons in hoge mate de hoop gegeven hebt dat Gij de overledenen zult verlossen uit hun droefenis die hen verplettert, en geef hen hun verlichting…”(8).

Wat is de leerstellige basis van dit constante gebed voor de doden ? Hoe is het te verrechtvaardigen vanuit theologisch standpunt ? Het antwoord op deze vragen is buiengewoon eenvoudig en direct. De basis is onze solidariteit in de wederzijdse liefde. Wij bidden voor de doden omdat wij hen beminnen. De anglicaanse Aartsbisschop William Temple noemt dergelijke gebeden “het ministerie van de liefde”; en hij bevestigt het met de woorden welke elke orthodoxe christen tot de zijne zou willen maken : “Wij bidden niet voor hen omdat God hen zou verwaarlozen als we het niet doen. Wij bidden voor hen omdat wij weten dat Hij hen bemint en er zorg voor draagt, en wij vragen het voorrecht om onze liefde voor hen met die van God te verenigen”. En zoals Pusey het zegt : “ Weigeren om voor de doden te bidden is een zo koude gedachte, zo tegenstrijdig met de liefde, dat om deze enkele reden alleen al zij niet juist kan zijn .

Vanaf dat moment is geen enkele uitleg of rechtvaardiging van het gebed voor de overledenen nodig of zelfs mogelijk. En dergelijk gebed is eenvoudigweg de spontane uitdrukking van onze liefde voor elkaar. Hier op aarde bidden wij voor de anderen, waarom dan ook niet verder bidden  voor hen na hun dood ? Hebben zij opgehouden te bestaan      en zouden wij daarom moeten ophouden om voor hen te bidden ? Levenden of doden, wij zijn allen leden van eenzelfde familie. Zo moeten levenden en doden tussenbeide komen de een voor de ander. In de Verrezen Christus is er geen scheiding tussen doden en levenden; zoals Vader Macarius Gloukharev het zegt : “Wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood”. De fysische dood kan de banden niet uiteen halen van de liefde en van het wederzijds gebed die ons allen verenigt in één  en hetzelfde Lichaam.

Zeker, wij begrijpen niet juist hoe een dergelijk gebed in het voordeel is van de overledenen. Zo ook, wanneer wij bidden voor de levenden, kunnen wij niet uitleggen hoe deze voorbede hen kan helpen. Wij weten uit onze eigen ervaring, dat onze bede voor onze naaste  werkt, en daarom doen we het verder. Echter, of  zij zijn gericht op levenden of doden, deze gebeden werken op een manier die mysterievol blijft. Wij zijn onbekwaam om binnen te dringen in de juiste interactie van het gebed, in de vrije wil van een andere persoon, in de genade en de voorkennis van God. Wanneer wij bidden voor de overledenen, volstaat het te weten dat hun liefde blijft groeien en dat zij zo behoefte hebben aan onze steun. Laten wij de rest aan God over.

Indien wij daadwerkelijk geloven dat wij voordeel hebben van een ononderbroken  en blijvende communio met de doden, zullen wij de zorg moeten hebben om, in de mate van het mogelijke, over hen te praten, nu en niet in het verleden. Wij zullen niet zeggen “wij hebben elkaar lief gehad”, “wij waren zo gelukkig samen”, maar we zullen zeggen “wij houden nog van elkaar – nu méér dan ervoor”, “zij is mij dierbaarder dan ooit”, “wij zijn zo gelukkig samen”. Ik ken een Russische dame, lid van de gemeenschap van Oxford, die hardnekkig weigert dat men haar ‘weduwe’ noemt. Haar man is echter reeds jaren overleden, toch kan ze niet ophouden om te zeggen :”Ik ben zijn echtgenote, niet zijn weduwe”. Zij heeft gelijk.

Als we leren om over de doden zo te spreken, in het heden en niet in het verleden, zal dit ons helpen om een probleem op te lossen dat dikwijls bron is van angst voor vele mensen. Het komt te gemakkelijk voor dat men een verzoening met iemand waarvan we verwijderd zijn tot later uistelt . En dan komt de dood, voordat men zich met mekaar heeft verzoend. In een bitter zelfverwijt zijn we dan geneigd om te zeggen : “te laat, te laat, de mogelijkheid is voor altijd verdwenen, er kan niets meer gedaan worden”. Maar wij vergissen ons geheel, want het is niet te laat. En op dat moment kunnen wij naar huis terugkeren, en in ons avondgebed kunnen wij ons rechtstreeks tot de gestorven vriend wenden met wie we ruzie hadden. Wij kunnen dezelfde woorden gebruiken als toen hij nog levend en aanwezig was, en wij kunnen zijn vergeving vragen en onze liefde herbevestigen. Vanaf dat ogenblik zal onze wederzijdse relatie veranderd zijn. Zonder zijn gezicht te zien, noch zijn antwoord te horen, zonder te weten hoe onze woorden hem zullen bereiken, voelen wij in ons hart dat hij en ik een nieuwe aanvang hebben gemaakt. Het is nooit te laat om te herbeginnen.

DE VERRIJZENIS VAN HET LICHAAM

Blijft nog de vraag die zo dikwijls gesteld wordt en onmogelijk te beantwoorden is met onze kennis : de verrijzenis van het lichaam.Wij hebben gezegd dat de menselijke persoon in het begin door God geschapen werd als een ondeelbare eenheid van lichaam en ziel, en dat wij over de grenzen van de scheiding door de fysische dood, de ultieme hereniging van lichaam en ziel verwachten op de laatste dag. Een hollistische anthropologie (= een anthropologie die de gehele mens bestudeert nvdv) zet ons aan, om niet alleen in de onsterfelijkheid van de ziel te geloven, maar in de verrijzenis van het lichaam. Het lichaam maakt immers een integraal deel uit van de ganse menselijke persoon, gans onsterfelijk moet ook lichaam én ziel inhouden. Wat is in dit geval de relatie tussen ons actueel lichaam en onze verrijzenis in de komende tijd ? Hebben wij in deze verrijzenis hetzelfde lichaam als nu of een nieuw lichaam ?

Het beste antwoord is wellicht het volgende :  het lichaam zal terzelfdertijd het zelfde zijn en een ander. Christenen  verstaan de verrijzenis van het lichaam nogal dikwijls op een  simplistische en kortzichtige manier. Zij stellen zich voor dat de essentiële materiële elementen van het lichaam, die opgelost en verspreid zijn door de dood, op één of andere manier terug bijeengebracht zullen worden op de dag van het oordeel, zodat het opnieuw samengesteld lichaam exact dezelfde minuscule delen van materie zal hebben als ervoor.

Maar zij die een continuïteit bevestigen tussen ons actuele lichaam en ons lichaam op de laatste dag, hebben niet noodzakelijk zo een letterlijke visie over de dingen.De Heilige Gregorios van Nyssa bijvoorbeeld, in “De schepping van de mens” en “de Ziel en de verrijzenis”, geeft ons een meer overwogen en verbeeldingrijke voorstelling. De ziel schenkt aan het lichaam een duidelijk verschillende vorm (eidos); zij markeert het lichaam met een merkteken of iets dat karakteristiek is, en  niet van buitenaf is opgelegd , maar vanuit het innerlijk. Het is dit merkteken dat het lichaam het karakter of de innerlijke geestelijke staat van de persoon uitdrukt. In de loop van ons leven hier op aarde zullen de fysische componenten verschillende malen van vorm veranderen, maar in zoverre de vorm die door de ziel wordt uitgedrukt, een continuïteit bezit die niet door deze lichamelijke veranderingen onderhevig is, kan men zeggen dat ons lichaam hetzelfde blijft. Er is een oorspronkelijke lichamelijke voortzetting, omdat er een voortzetting (continuïteit) is in de vorm gegeven door de ziel. Zoals C.S. Lewis het zegt : “Mijn vorm blijft één, alhoewel de materie waarvan ze gemaakt is voortdurend verandert. Ik ben in dit opzicht als de kromming van een waterval”.

Tijdens de ultieme verrijzenis, vervolgt de Heilige Gregorios, zal de ziel ons verrezen lichaam tekenen met hetzelfde merkteken die het had gedurende dit leven. Het is niet nodig dat dezelfde fragmenten bijeengebracht worden; hetzelfde merkteken volstaat opdat het lichaam hetzelfde zou zijn. Tussen ons huidig lichaam en ons verrezen lichaam zal er dus een waarachtige continuïteit zijn, die men nochtans niet moet interpreteren op een té naïeve materialistische manier.

Daaruit volgt : indien het lichaam in deze betekenis hetzelfde blijft in de verrijzenis, zal het evenzeer verschillend zijn. Zoals de Apostel Paulus het zegt ; “Een ziele-lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst !”(1 Kor.15,44). “Geestelijk” mag hier niet geïnterpreteerd worden in de betekenis van “niet materieel”. Het verrezen lichaam zal altijd een materieel lichaam zijn, maar tezelfdertijd zal het getransformeerd worden door de macht en de glorie van de Geest. Zo zal het bevrijd worden van alle beperkingen van de stoffelijkheid zoals we dit nu kennen .

Voorlopig kennen wij de materiële wereld en onze eigen materiële lichamen slechts in het toestand van val, de kenmerken begrijpen die de materie zal bezitten in een niet gevallen wereld gaat ons verbeeldingsvermogen ver te boven.

Wij kunnen slechts in beperkte mate raden naar de transparantie en de vitaliteit, de lichtheid en de gevoeligheid waarmee ons verrezen lichaam, tegelijk materieel en spiritueel, zal worden bekleed op het einde der tijden. Zoals de heilige Efrem de Syriër (+373) het schrijft : “Kijk naar dit individu waarin een leger demonen hun woonplaats heeft gezocht : men wist niet dat ze zich daar bevonden omdat hun leger zich veel fijner en subtiler voordeed dan de ziel. In één lichaam, en volledig, heeft dit leger kunnen verblijven. Maar de lichamen  der rechtvaardigen, die opstaan op de dag der verrijzenis zijn honderd maal fijner en eveneens subtiler . Ze gelijken op een geest die in staat zal zijn te groeien naar eigen wens, samen te krimpen en klein te worden. Als iets kleins, is hij op één plaats, groot geworden, is hij overal… Maar inwelke mate zal dit paradijs nog volstaan voor al deze geesten, waarvan de substantie zo subtiel is dat zelfs de gedachten het niet kunnen vatten.(9) Dit is misschien wel de beste beschrijving die wij zouden kunnen bedenken over de glorie van de verrijzenis. Laten wij de rest over aan de stilte. “Datgene wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard” (1 Joh.3,2). Twee weken voor zijn dood vroeg men aan Ralph Vaughan Williams wat het toekomstige leven voor hem betekende. Hij antwoordde : “Muziek, muziek. Maar in de komende wereld, zal ik geen muziek maken, met alle moeilijkheden en wisselvalligheden dat dit tot gevolg heeft. Ik zal muziek zijn” “Je bent muziek zolang de muziek duurt”, schrijft T.S.Elioth. En in de hemel is de muziek eeuwig.

NOTAS

1. Sobernost, « On Death », 1-2,1979,p.8

2. Oeuvres spirituelles, » 34e discours » , Desclée de Brouwer, 1981, p. 215 (texte modifié sur la base de la traduction anglaise effectuée directement à partir du syriaque par le Monastère de la Sainte Transfiguration, Boston, Massachusetts, 1984, p. 315).
3. Pentecostaire, t.1, Grieks College van Rome, 1978, pp. 21-22.
4. Grand Euchologe et Arkhiératikon, Diaconie apostolique, 1992, p. 212.
5. Creative Suffering, Londres, 1940, p. 44.
6. 5. Tyszkiewicz et Dom Th. Belpaire, Écrits d’ascètes russes, Éditions du Soleil Levant, 1957, p. 104.
7. Ecrits spirituels, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 29), 1979, p. 42.
8. Pentecostaire, t.2, Grieks College van Rome, 1978, pp. 249-50.
9. » La Harpe de l’Esprit » , in Sebastian Brock, L’Oeil de Lumière, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 50), pp. 222-223.

Extrait du livre Le royaume intérieur, Cerf/Le Sel de la Terre, 1993.
Traduit de l’anglais par Lucie et Maxime Egger.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

Simeon de nieuwe theoloog : De Vader en Ik zijn één

Simeon de Nieuwe Theoloog (ca.949-1022), Griekse monnik, heilige in deorthodoxe kerk
Hymne 21, 468s ; SC 174

 

Symeon de nieuwe theoloog33.jpg

Symeon de nieuwe theoloog

 

“De Vader en Ik zijn één”

Gezonden en voortkomend uit de Vader is het Woord nedergedaald
En heeft het geheel in de schoot van de Maagd gewoond.
Hij was geheel in de Vader,
En geheel in de maagdelijke schoot,
En geheel in alles, en niets kan Hem bevatten…
Hij bleef onveranderd en nam de vorm van een slaaf aan (Fil 2,7).
En na op de wereld gezet te zijn, werd Hij in alles een mens…
Hoe kun je bevestigen wat onmogelijk is om uit te leggen
Aan alle engelen, aartsengelen en aan elk geschapen wezen ?
Men denkt aan Hem op een werkelijke wijze,
Maar men kan Hem helemaal niet uitdrukken,
En onze geest kan Hem niet volmaakt begrijpen.

Hoe is dus God en mens, en God-mens
Ook helemaal de Zoon van de Vader,
Op een wijze die Hem niet scheidt ;
Hoe is Hij de zoon van de maagd geworden en in deze wereld gekomen ;
En hoe komt het dat het voor allen onmogelijk is Hem te bevatten ?…
U zult nu stil blijven
Want zelfs al zou u willen spreken, dan vindt uw geest geen woorden,
En uw praatgrage tong blijft stil…

Eer aan de Vader, de Zoon en de heilige Geest,
Godheid die men niet kan grijpen en ondeelbaar is in zijn natuur.
Wij aanbidden U in de heilige Geest,
Wij bezitten uw Geest, want we hebben Hem van U ontvangen.
En als we uw heerlijkheid zien, zoeken wij niet opdringerig,
Want wij zien U in uw Geest.
Ongeschapen Vader en de Zoon verwekt door U.
Wij aanbidden de heilige Drie-eenheid,
Die ondeelbaar en zonder vermenging is
In uw unieke Godheid, die almachtig is.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org