H. Johannes Chrysostomus (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie over de bekering, nr 1

“Judas ging heen. Het was nacht”
Judas had zijn berouw uitgesproken: “Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren” (Mt 27,4). Maar de duivel die deze woorden had gehoord, had daardoor begrepen dat Judas op de goede weg was en die omvorming had hem bang gemaakt. Toen dacht hij: “Zijn meester was waakzaam; op het moment dat Hij door hem zou worden verraden, weende Hij over de zijnen; het zou vreemd zijn als Hij hem niet op het moment, waarop Judas met heel zijn ziel berouw zou hebben, naar zich toe zou trekken als hij opstaat en zo zijn fout erkent. Werd Hij daarom niet gekruisigd?” Na deze gedachten wierp hij een diepe zorg in de geest van Judas; hij liet een enorme wanhoop in hem opkomen, voldoende om hem van zijn stuk te brengen en hem te bestoken totdat hij zelfmoord pleegde, om hem het leven te ontnemen na hem van zijn gevoelens van berouw te hebben ontdaan.
Er is geen enkele twijfel dat hij gered zou zijn, als hij nog geleefd zou hebben: we hoeven maar aan de voorbeelden van de beulen te denken. Als Christus hen immers gered heeft die Hem gekruisigd hebben, als Hij zelfs op het kruis tot zijn Vader bad en Hem om vergiffenis vroeg voor hun zonden (Lc 23,24), waarom zou Hij dan niet deze verrader met volledige welwillendheid hebben ontvangen, mits hij zich oprecht bekeerde? Petrus heeft zich drie maal herroepen na aan de eenheid van de heilige mysteriën te hebben deelgenomen; zijn tranen geven de kwijtschelding (Mt 26,75; Joh 21,15v). Paulus de vervolger, de godslasteraar, de verwaande, heeft niet alleen de Gekruisigde vervolgd maar ook zijn leerlingen. Hij is na zijn bekering apostel geworden. God vraagt van ons slechts een lichte boetedoening om het herstel van onze zonden toe te staan.

Judas verraad
Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org
