De heilige Theodosius de Grote

Heiligenleven

 

De heilige Theodosius de Grote

 

 

Theodosius de Grote1.jpg

Theodosius de Grote

 

De heilige Theodosius de Grote, de eerste Cenobiet. Als jongeman trok hij weg uit Cappadocië op bedevaart naar het Heilig Land, en ook om de beroemde woestijnvaders in Syrië te bezoeken. Zo kwam hij bij de heilige Semeon de Styliet, de Zuilbewoner, in de streek van Antiochië. Deze voorzegde hem dat  hij aan het hoofd van veel kloosters zou komen te staan om veel zielen aan de macht van de duivel te ontrukken. Theodosius geloofde daar niet in, want  heel zijn verlangen ging uit naar een geestelijk leven in volkomen eenzaamheid. Na een periode van opleiding leefde hij inderdaad geheel alleen in een grot bij een kleine oase, waar enkele dadelpalmen groeiden en waar wat groenten kon worden gekweekt. Bij de schaarse contacten met bezoekers bleek echter dat hij de gave van geestelijke leiding bezat, en toen hij, na lang aandringen van hun zijde, eenmaal enkelen van hen als leerling had aanvaard, was de toevloed van nieuwe zoekenden niet meer tegen te houden. Er ontstond een grote gemeenschap waarvoor Theodosius een kerk moest bouwen, verschillende monnikshuizen, een hospitaal en een groot gastenhuis. Zo ontstond het eerste klooster dat werd ingericht volgens de ideeën van de heilige Basilios, waarbij werd uitgegaan van een gemeenschappelijk leven. God zegende zichtbaar deze levenswijze, want hoewel de toekomst er vaak dreigend uitzag door de armoede van de grond die niet in staat was te voorzien in de behoeften van zulk een menigte broeders, nog vermeerderd door grote aantallen armen en pelgrims, werd het dreigend gebrek telkens weer afgewend door de gebeden van de heilige, waardoor de voorraden vaak op wonderbare wijze werden aangevuld. Veel monniken uit zijn klooster werden ook gekozen als bisschop, of als abten van andere kloosters, zodat de voorspelling van de heilige Simeon letterlijk in vervulling ging. Door dit alles werd Theodosius een man van gezag, ook op kerkelijk terrein, en speelde hij ook een beslissende rol in de strijd tegen de ketterijen van Eutyches en de Monofisieten. Daarom werd hij ook deer de keizer in ballingschap gezonden, maar deze gedwongen ontberingen konden zijn  lichaam niet breken dat door zoveel vrijwillige askese was gehard. Hij stierf, 105 jaar oud, in 529 en werd met grote eerbied begraven in de grot waarin hij zo lang had geleefd.

Uit: Heiligenleven voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster Den Haag

 

36e zondag na Pinksteren, 19e na de Kruisverheffing

36e zondag na Pinksteren, 19e na de Kruisverheffing

“Het geloof van de Kananese”

kananese vrouw.jpg

 

LEZINGEN :

2 Kor.6,16-7,1:

Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen.  Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.

Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien

 

EVANGELIE : Matth.15,21-28

Jezus en een Kananese vrouw
      Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon.  En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’  Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’  Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’  Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’  Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’  Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’  Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen

Als gij in de woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde

Als gij in de woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde

————–

Augustinus

 

 

Augustinus164.jpg

 

Deze wereld is voor alle gelovigen die verlangen naar het vaderland, wat de woestijn was voor het volk van Israël. Het joodse volk doolde rond op zoek naar het vaderland, maar onder Gods leiding kon het onmogelijk verdwalen. Het bevel van God zelf was de weg voor de joden. Hoewel hun omzwervingen veertig volle jaren duurden, waren de echte halteplaatsen op hun tocht niet erg talrijk, zoals gij allen weet. Hun reis verliep zo traag omdat zij door God op de proef werden gesteld, niet omdat Hij ze in de steek liet.

Zoals de Schrift zegt en wij u al zo dikwijls voorgehouden hebben, belooft God ons een onuitsprekelijke heerlijkheid en een geluk “dat geen oog gezien heeft, geen oor heeft gehoord en in geen mensengeest is opgekomen”. Wij worden echter bedroefd door de pijn van dit leven en trekken lering uit de bekoringen van het huidige bestaan. Maar indien gij in deze woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde. Dat is de bron die de Heer ons op aarde heeft willen schenken, om te verhinderen dat wij onderweg zouden bezwijken. Natuurlijk zullen wij er ons nog veel rijkelijker aan laven later in het vaderland zelf.

Zojuist werd u het evangelie voorgelezen. Gingen de woorden of tenminste de laatste woorden van deze passage van het evangelie over iets anders dan over de liefde ? Daar stond dat wij met onze God in het gebed een overeenkomst gesloten hebben : als wij willen dat God ons onze zonden vergeeft, moeten ook wij de zonden vergeven die anderen tegen ons bedreven hebben. Alleen de liefde echter kan vergeven. Neem de liefde weg uit uw hart en er blijft niets over dan haat die van geen vergeven weet. Laat er liefde in uw hart zijn : zij vergeeft zonder zich veel zorgen te maken en zij kent geen kleingeestigheid.

De eerste brief van Johannes is feitelijk niets anders dan één lange aanbeveling van de liefde. Wij zijn niet bang dat de liefde vervelend wordt, al komen wij er nog zo dikwijls op terug. Hoe zou er immers nog sprake kunnen zijn van liefde, als zij gaat tegenstaan ? Wanneer het precies door de liefde is dat wij op de juiste wijze van al het overige houden, dan moet zijzelf toch erg beminnenswaard zijn. Indien de liefde nooit uit ons hart mag verdwijnen, mogen wij evenmin ooit ophouden over haar te spreken.

Uit : “Eenheid in liefde” Augustinus preken over de brief van Johannes – vertaald door TJ van Bavel. P117-118

 

Basilios : Aan allen, die Hem ontvingen, gaf Hij de macht om Gods kinderen te worden

 

H. Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van de Caesarea in Kappadocië, Kerkleraar 
Homilie over de heilige generatie van Christus, 2.6 ; PG 31, 1459v 
“Aan allen, die Hem ontvingen, gaf Hij de macht om Gods kinderen te worden”
    

Basilios 3.jpg

Basilios

God op aarde, God onder de mensen! Deze keer verkondigt Hij niet met bliksem, bij trompetgeschal, op een rokende berg, in de duisternis van een verschrikkelijke storm (Ex 19,16v), maar Hij toont zich op een zachtaardige en vredige wijze in een menselijk lichaam, aan de mensheid, God in het lichaam!… Hoe kan de Godheid in het lichaam wonen? Zoals het vuur in het ijzer woont, niet door de plaats waar het brandt te verlaten, maar door in contact te blijven. Het vuur werpt zich immers niet op het ijzer, maar blijft op zijn plaats, Hij deelt zijn kracht met hem. Daarin wordt hij niet verminderd, maar hij vult het hele ijzer met wie hij in contact staat. Zo gaat ook God, het Woord, die “onder ons woont”, niet uit zichzelf. “Het Woord dat is vlees geworden” ondergaat geen verandering: de hemel is niet ontledigd van hetgeen hij bevatte, en toch heeft de aarde in haar schoot Degene ontvangen, die in de hemel is.
      Dring tot dat mysterie door: God is in het lichaam om de dood, die zich erin verborgen houdt, te doden… “Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen” (Tit 2,11), toen “de Zon der Gerechtigheid opging” (Ml 3,20), “is de dood opgeslokt en overwonnen” (1Kor 15,54) omdat ze niet samen kon bestaan met het ware leven. O diepte van de goedheid en van de liefde van God voor de mensen! Laten we met de herders glorie brengen, laten we met het engelenkoor dansen, want “vandaag is de Redder geboren. Hij is de Messias, de Heer” (Lc 2, 11-12).
      “God de Heer verlicht ons” (Ps 118,27), niet in zijn gedaante van God, om onze zwakheid niet te verstikken, maar in de gedaante van dienaar, om vrijheid te verlenen aan hen die veroordeeld waren tot dienstbaarheid. Wie heeft zo’n ingeslapen hart en is zo onverschillig, dat hij er zich niet over verheugt, jubelt van blijdschap en straalt van vreugde ten aanzien van deze gebeurtenis? Het is een gemeenschappelijk feest voor heel de schepping. Allen moeten er aan bijdragen, niemand mag zich ondankbaar tonen. Laten ook wij onze stem verheffen om onze blijdschap uit te zingen!
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

 

De heilige Drie HiËRARCHEN

Heiligenleven

De heilige Drie Hiërarchen

 

 

drie hiërarchen.jpg

 

 

De heilige Drie Hiërarchen is een synax, een gemeenschappelijke viering van de gedachtenis van de heilige Basilios de Grote, Gregorius de Theoloog en Johannes Chrysostomos.

Onder het volk van Constantinopel hadden zich verschillende partijen gevormd die zich zozeer opwonden over devraag wie van deze drie Heiligen wel de grootste zou zijn, dat er vechtpartijen van kwamen.

Metropoliet Joannes, die zich daarover zeer verontrustte, had een droom waarin deze heiligen hem verschenen en meedeelden dat elk van hen eer bezat bij God. In 1084 stelde hij daarom deze gemeenschappelijke feestdag in, waardoor de rust in de stad werd hersteld.

Uit: heiligenleven voor elke dag – uitg.Orth.klooster Den haag

 

34e zondag na Pinksteren, 17e na de Kruisverheffing

34e zondag na Pinksteren,17e na de Kruisverheffing

“De rijke jongeling

 

rijke jongeling.jpg

Lezingen :

 

Kol.3,12-16

 

Bekleed u, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, met tedere ontferming, goedheid, nederigheid, zachtheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar als de een tegen de ander een grief heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook u vergeven.  Voeg bij dit alles de liefde, die de band van de volmaaktheid is.  En laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe bent u immers geroepen, als ledematen van één lichaam. En wees dankbaar.  Laat het woord van Christus in volle rijkdom onder u wonen. Leer en vermaan elkaar met alle wijsheid. Zing voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen en geestelijke liederen.

Evangelie :

Lucas 18,18-27 :

Gesprek met een rijke
      Een aanzienlijk man stelde Hem deze vraag: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’  Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God.  De geboden kent u: geen echtbreuk plegen, niet doden, niet stelen, niet vals getuigen, en uw vader en uw moeder eren.’  ‘Aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden’, zei de man.  ‘Dan rest u nog één ding’, zei Jezus tegen hem. ‘Verkoop alles wat u hebt, deel het uit aan de armen, en u hebt een schat in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.’ Toen hij dit hoorde werd hij diep bedroefd, want hij was buitengewoon rijk. Toen Jezus zag dat hij diep bedroefd werd, zei Hij: ‘Wat is het voor mensen met geld toch moeilijk om het koninkrijk van God binnen te komen. Een kameel komt gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke in het koninkrijk van God.’ ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ vroegen de toehoorders.  Hij zei: ‘Wat menselijk gezien onmogelijk is, is mogelijk dankzij God.’

 

Doopsel van Christus

Groot feest van de heilige Theofanie van onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus


 

doopsel van Jezus 1.jpg

 

LEZINGEN :

Lezing : Titus,2,11-14;3,4-7

  Want de genade van God is verschenen, bron van redding voor alle mensen, die ons leert af te zien van goddeloosheid en wereldse begeerten, en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze wereld, in afwachting van het geluk waarop we hopen, de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en onze redder Jezus Christus. Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen, ons te reinigen en ons tot zijn eigen volk te maken, vol ijver voor goede werken.

Maar toen de goedheid en mensenliefde van God onze redder is verschenen, heeft Hij ons gered, niet omdat wij iets gedaan zouden hebben dat ons kan rechtvaardigen maar alleen omdat Hij barmhartig is.
     Gered heeft Hij ons door het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de heilige Geest,  die Hij overvloedig over ons heeft uitgestort door Jezus Christus onze redder. Zo zijn wij gerechtvaardigd door zijn genade en erfgenamen geworden van het eeuwig leven, waar onze hoop op gericht is.

EVANGELIE : Mattheüs 3,13-17

Jezus laat zich dopen
     Toen kwam Jezus uit Galilea naar Johannes bij de Jordaan om zich door hem te laten dopen. Johannes probeerde Hem tegen te houden. Hij zei: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden, en U komt naar mij?’ Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Laat nu maar, want zo behoren wij de gerechtigheid volledig te vervullen.’ Toen liet hij Hem begaan. Toen Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen uit het water. En zie, daar opende zich de hemel voor Hem en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Hem neerkomen. Er kwam een stem uit de hemel, die zei: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’

 

Hilarius van Poitiers : zalig is hij die zich aan Mij niet ergert

 

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar 
Commentaar op het Evangelie van Mattheus, 11, 3 
“Zalig is hij, die zich aan Mij niet ergert”
  

Hilarion van Poitiers.jpg

Hilarius van Poitiers

   Door zijn leerlingen naar Jezus te sturen, hield Johannes zich bezig met hun onwetendheid, niet met de zijne, want hijzelf heeft verkondigd dat iemand zou komen om de zonden kwijt te schelden. Maar om hen te laten weten dat hij niets anders verkondigd had dan dat, stuurde hij zijn leerlingen naar Jezus om zijn werken te zien, opdat zij autoriteit aan zijn verkondiging zouden geven en dat er geen andere Christus verwacht wordt buiten Degene waarvan zijn werken getuigen.
      De Heer heeft zich geheel geopenbaard door zijn wonderbaarlijke handelingen, namelijk door het zicht aan de blinden te geven, het lopen aan de kreupelen, de genezing aan de melaatsen, het horen aan de doven, het woord aan de stommen, het leven aan de doden, onderricht aan de armen. Hij zei: “Zalig is hij, die zich aan Mij niet ergert”. Kwam er vanuit Christus reeds een handeling die Johannes had kunnen ergeren? Zeker niet. Hij bleef immers bij zijn eigen wijze van onderricht en handelen. Maar men moet de draagkracht en het specifieke karakter van wat de Heer zegt, bestuderen: dat het goede nieuws ontvangen wordt door de armen. Het gaat om hen die hun leven verloren hebben, die hun kruis opgenomen hebben en Hem navolgen (Lc 14,27), die nederig van hart zullen worden en voor wie het koninkrijk der hemelen is bereid (Mt 11,29; 25,34). Omdat het geheel van zijn lijden in eenheid met de Heer was en omdat zijn kruis een ergernis ging worden voor velen, heeft Hij hen -van wie het geloof geen enkele verleiding onderging omwille van het kruis, zijn dood en zijn graflegging- zalig verklaard.
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

 

Laham : de parochie als eucharistische gemeenschap

 

De parochie als eucharistische gemeenschap

Buiten de eigen specifieke kenmerken van elke parochie, is het voornaamste  kenmerk van elke parochie onze gemeenschappelijke deelname aan de liturgie, onze communio in dezelfde tijdruimtelijke  context aan het Lichaam en bloed van Christus. Het objectief van deze inleiding zal dus zijn , te begrijpen hoe de eucharistie onze gemeenschap oriënteert, ze bijeenbrengt en haar een kracht tot getuigenis geeft.

De term “gemeenschap” betekent “samen verenigd zijn”, een band rond éénzelfde centrum. Dit centrum kan een zelfde belang zijn, een activiteit, een identiteit. De notie van gemeenschap bevat dus zowel een notie van eenheid, maar ook een cirkel, een limiet en dus een kronkel. Vandaag  komt dit veel voor bij gemeenschappen die zich , bijvoorbeeld rond de groepen Facebook verzamelen, de segmenten van de markt die personen hergroeperen die dezelfde koopgedragingen hebben, de blogs die gekenmerkt worden  als zijnde “gemeenschappen”, enz..

Daarentegen bevat het bijvoeglijk naamwoord “eucharistisch” onmiddellijk een notie van openheid die teruggaat op de term “eucharistie”, wat betekent “dank zeggen”, danken – in het bijzonder voor het heilswerk van de Drie eenheid : God wordt mens opdat de mens zou opgenomen worden in Christus, god zou worden, door de genade van de Heilige Geest. Het gaat hier dus om een openheid naar God toe, maar ook impliciet, om een openheid naar al diegenen die dezelfde eucharistie celebreren ( want door te comminiceren aan dezelfde Christus, zijn wij met elkaar verbonden). Door de eucharistie worden wij eenzelfde lichaam en niet alleen op een denkbeeldige wijze : indien een lid lijdt, dan lijden alle leden met hem, om St.Paulus te parafraseren.

Een dubbele beweging van inwendigheid en uitwendigheid

De notie van eucharistische gemeenschap kan ook betrekking hebben op een tweede dynamiek, waar een neerdalende beweging en een sociale – horizontale dimensie elkaar kruisen. Volgens een eerste aanvoelen definieert de eucharistie zich voor alles als een deelname aan het lichaam en bloed van de Verrezene. Mijn persoonlijke ontmoeting met God primeert – de communie wordt het middel waardoor ik gered word. Dit aanvoelen richt zich aldus zo om van de eucharistie een individuele daad te maken, die beantwoordt aan een persoonlijk appèl, als gevolg waarvan ik naar de kerk ga om mij met God te verenigen. Dat mijn medegelovigen dit ook doen is hierbij bijkomstig, ondergeschikt.

Een tweede gevoeligheid zou de neiging hebben om het accent vooral te leggen op het collectieve aspect, op de sociale band. De parochie definieert zich als datgene wat mij aan andere personen bindt in functie van mijn identiteit en mijn religieus toebehoren. Voor mij zal de communautaire geest primeren, de ontmoeting met die of die andere persoon ( en het is anderzijds op deze criteria dat ik zal kiezen naar welke parochie ik ga).

Elk van ons voelt zich meer thuis in deze of die bepaalde gevoeligheid. Het is ook mogelijk dat wij zullen afwisselen en dat wij ons nu eens meer zullen erkennen in de “individualistische” tendens en dan weer in de meer “sociale” dimensie. Niettemin schijnt het dat deze twee “neigingen”, indien zij op een evenwichtige manier worden beleefd in feite complementair zijn en dat zij al hun betekenis geven aan de parochie.

Zoals metropoliet Jean (Zizioulas) ons eraan herinnert in zijn boek L’Eucharistie, l”Evêque et l’Eglise durant les trois premiers siècles (Desclée de Brouwer, coll.”Theofanie”,1994), de gemeenschap met de heilige gaven (verticale dimensie ) is tegelijk een “communio met de heiligen” (’t is te zeggen in brede zin, met alle deelnemers aan het Lichaam en Bloed van Christus). Ons zo tot Christus wenden verplicht ons ertoe ook tot de anderen te naderen(…) In dit verband nodigt de liturgie van de heilige Basilios ons direct na de epiclese uit om deze dubbele communio met God en de andere mensen te vragen :”En allen die aan dit ene brood en deze unieke kelk deelhebben, laten wij ons met elkaar verenigen in de communio van de unieke Heilige Geest”.

De eerste Christenen, een model van eucharistische communio

Het voorbeeld van de eerste christenen, zoals het beschreven staat in de Handelingen der apostelen blijft voor ons het juiste model van de eucharistische gemeenschap. De eerste gedoopten “waren ijverig in de leer van de apostelen, trouw aan de broederlijke liefde, het breken van het brood en het gebed (…) Allen die het geloof bezaten hadden alles gemeenschappelijk. Zij verkochten hun eigendommen en hun goederen en verdeelden alles aan allen volgens hun behoefte. Dag na dag kwamen zij één van hat in de tempel bijeen en braken het brood in hun huizen, namen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart. En elke dag voegde de Heer diegenen toe die zullen gered worden” (Hand. 2,42-47).

Wij vinden hier de dubbel dynamiek van de christelijke gemeenschap, inwendig en uitwendig, verticaal en horizontaal : essentieel gecentreerd op het Woord en het breken van het brood, ze breidde zich uit zonder ophouden, totaal naar God toe gekeerd geeft zij tegelijk een plaats aan de ander doorheen de vreugde van de gemeenschappelijke maaltijd of de verdeling der goederen.

Anderzijds, karakteriseert deze eerste gemeenschap zich door de diversiteit van zijn “wijzen van zijn” en haar actie gebied : de liturgie, het gebed, de missionaire actie.. In zekere mate schijnt geen enkel aspect van het leven te ontsnappen aan de eucharistische communio.

Van  onze kant past het ons af te vragen of na twee duizend jaar, deze daadkracht van de eucharistische gemeenschap actueel is gebleven en of onze parochies bekwaam zijn de vlam die de eerste christenen deed ontbranden  levendig is gebleven.

De wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap.

Zelfs al kan het banaal schijnen om er aan te herinneren, het Geloof vertegenwoordigt de eerste voorwaarde voor het bestaan van een parochie. Het verschil tussen een parochie en elke andere vereniging is voor alles het Geloof, de aanhankelijkheid aan iets die niet vanzelf gaat, en in feite de aanhankelijkheid aan Iemand, een Gans-Andere. Het lijkt mij dat wij ons altijd zouden moeten afvragen hoe ons geloof te vermeerderen opdat we niet zouden vervallen in een simpel humanisme ( of misschien in het ritualisme). De parochiegemeenschap steunt dus voor alles op mijn geloof, een persoonlijk opgenomen geloof, maar een geloof ook dat ik deel met de andere leden van de gemeenschap. Daarom moet men zich afvragen hoe wij dat geloof in het parochiale leven kunnen uitdrukken, hoe wij de gelijkvormigheid tussen eucharistie en geloof reëel kunnen vestigen. Op deze vragen kunnen twee antwoorden worden gegeven.

Samen zich verenigen en deelnemen aan de liturgie

Het geloof dat “God onder ons” is en dat Hij zich tegenwoordig stelt “telkens wanneer twee of drie in zijn naam verenigd zijn” openbaart zich in het eenvoudige feit om zich een “vergadering” te vormen (wat de betekenis is van de term ‘Kerk’), in wat Vader Alexander Schmemann heeft genoemd “het sacrament van de vergadering” in zijn boek L’Eucharistie, Sacrament du Rouaume (Editions YMCPress/OEIL, coll.”L’Echelle de Jacob”, 1985), , ’t is te zeggen, dit mirakel waardoor “zondige  en onwaardige personen het lichaam van Christus worden”. Als wij  ons geloof manifesteren, een actieradius geven aan God, is het nodig dat wij bijeenkomen om zich tezamen met God te verenigen. Daaruit vloeit de noodzaak voort van een fysieke aanwezigheid in eenzelfde plaats en verder, een bewuste en totale deelname aan de eucharistie van alle gelovigen, van een gemeenschappelijke actie die alle gelovigen betreft (betekenis van het woord ‘Liturgie’).

Elk woord naar God gericht – uitgesproken met verheven stem of in het innerlijk van het hart – is een daad van geloof die de hoop van de bijeenkomst onderhoudt. Wij geloven in het bijzonder dat het gebed in de Kerk, in de bijeenkomst, wordt beluisterd, want mijn persoonlijk geloof wordt er, zo kan men zeggen, vervolledigd en versterkt. Zo bestaan er in de liturgie enkele specifieke momenten waar de gebedsintenties meer uitdrukkelijk zijn, meer particulier, meer gedurfd ook, maar altijd in de onderwerping aan Gods wil. Men kan denken aan de dringende gebeden na het Evangelie, waar wij voor elkaar bidden, voor de naasten van de anderen (de zieken, de zwangere vrouwen, de gestorvenen, enz…). De Grote Intocht of het gebed direct na de épiclese ( bijzonder uitvoerig in de liturgie van de heilige Basilios) zijn andere gelegenheden om tot God onze persoonlijke intenties te richten.

De roeping van elke parochie is zonder twijfel verbonden met de ernst waarop wij deze gebeden beschouwen. Hoe beluisteren wij de soms lange lijst met de namen van de overledenen ? Hoe kunnen wij ons gebed intensifiëren opdat wij de vragen van andere leden van de gemeenschap tot de onze maken ? Kan men ook niet ergens anders gebedsintenties die meer specifiek zijn inlassen? (….)

De missionaire roeping van de parochie

 

Zoals Christus, offert en draagt de eucharistische gemeenschap in de liturgie alle lijden van de wereld op aan de Vader. Verenigt met de glorievolle Christus in het lijden gelooft zij dat zij een boodschap van hoop kan brengen aan de wereld, dit vereist een uitgaan uit zichzelf, een beweging naar buiten toe.

In zijn boek over”Le Mystère de L’Eglise” (Cerf,2003), inspireert Vader Boris Bobrinskoy zich op de bewegingen van het hart om deze realiteit uit te drukken : “ In de hartcontractie(systole) heeft men het opeenhopen, het toestromen van het bloed in het hart. In de distole, de vernieuwing van de lichaamscellen door het bloed, dat zelf vernieuw is door de goddelijke Adem” Zo ook, bij de offerande van de gehele wereld in de liturgie ( in het bijzonder bij de Grote Intocht), correspondeert de offerande  met de wereld van de verkondiging van de blijde boodschap, het getuigenis in onze levens van het bestaan van het Koninkrijk.

Deze beweging van uiterlijkheid vindt haar plaats in het ‘laat ons in vrede heengaan” die, in plaats van de liturgie te sluiten haar werk doet in de wereld –“de liturgie na de liturgie”, ’t is te zeggen onze zending als christen.”Meer dan ooit verwacht onze wereld in crisis (…) van de eucharistische communauteit dit getuigenis van vreugde welke het goede nieuws ons brengt in het Koninkrijk van de Ontmoeting, die alle “aardse voedingsmiddelen”doet verbleken voor de moderne mens die vruchteloos naar zijn absolute dorst hunkert(…) ” aldus Costi Bendaly, libanees orthodox denker die bijzonder heeft bijgedragen  tot de initiële vernieuwing in de Beweging van Orthodoxe jongeren (MJO) in het Midden Oosten.

Deze openheid die zich aan de gelovige opdringt ( en die haar bron put aan het innerlijk leven van de communauteit) kan verschillende vormen aannemen : doorheen de ontmoeting met andere christenen maar ook – en wellicht vooral- met de niet-gelovigen.

De openheid op de anderen

Men kan hier de verschillende vormen van openheid van de parochie in lijst brengen door concentrische vormen, vertrekkend van de personen die dicht bij ons staan om te gaan tot de andere christenen, niet orthodoxen. De parochie richt zich vooreerst op haar oud-leden, die vertrokken zijn om persoonlijke redenen (bijvoorbeeld door te verhuizen). De vraag is te weten hoe wij contact met hen kunnen onderhouden is te onderzoeken  volgens de verschillende contexten en de verschillende mogelijkheden ( persoonlijk bezoek, tijdschrift of site van de parochie, e-mailen enz..

De parochie heeft slechts zijn betekenis wanneer zij verbonden is met een bisschop, die garant staat voor de eenheid van de Kerk en haar conformiteit met het Evangelie, en dus garant is voor de eucharistie. De communio met de bisschop verzekert de realiteit van onze eucharistie en getuigt dat zij geen individuele geïsoleerde ritus is maar een communio met de totaliteit van de gelovigen. Zo wordt door de Bisschop de openheid van de parochie op het geheel van de gelovigen mogelijk gemaakt. Deze eenheid met de Bisschop drukt zich uit doorheen de relatie die wij kunnen ontwikkelen met de andere parochies van het diocees. Daden kunnen ondernomen worden om onze band met de Kathedraal te verstevigen. Anderzijds kunnen samenvoegingen tussen parochies ondernomen worden.

De roeping van gans de parochie is anderzijds de banden tussen de orthodoxen te verstevigen. Het historisch getuigenis van een zeker aantal parochianen in de (Franse) Orthodoxe Fraterniteit getuigen reeds hiervan. Kan de aanwezigheid in de grote steden van een grote verscheidenheid van orthodoxe kerken van verschillende tradities geen uitnodiging zijn om mekaar beter te leren kennen en de eenheid te concretiseren ? Het bezoek aan parochies van andere tradities, de organisatie van een interparochiale catechese of nog : de progressieve introductie – zonder syncretisme- in de schoot van onze liturgische praktijk van parels van de Levendige liturgische Traditie van de ene Kerk, zouden wellicht het bouwen van bruggen kunnen bevorderen tussen de verschillende orthodoxe gemeenschappen.

Ten slotte, over de zuivere orthodoxe sfeer heen, zou de parochie kunnen bijdragen tot een betere dialoog met de zogenaamde christenen van het Oosten ( ’t is te zeggen leden van de pre-chacedonische Kerken – Armeniërs, Kopten, de Kerk van Indië enz…) en ook met de Katholieken en de protestanten, waarmee wij ons soms verenigen met diepe vriendschapsbanden. Het deelnemen aan groepen van bezinning, Bijbelstudie of gebed met christenen van andere confessies moet in feite een dubbel getuigenis bevatten : voor de niet-orthodoxen ,de rijkdom van onze traditie; voor de andere orthodoxen die minder spontaan geneigd zijn om toe te treden tot de oecumenische ontmoetingen: de kracht van het geloof en het gebed die ons kunnen aanzetten om te communiceren met andere christenen.

De openheid over de grenzen van het “religieuze” heen.

Ten slotte, het behoort tot de parochie om over de grenzen van de specifieke religieuze sfeer uit te stralen en een manier van uitdrukking te vinden die adequaat  is in de “profane” wereld. In de conferentie die hij gegeven heeft over dit thema en die uitgegeven is in een klein boekje getiteld “Le témoignage de la communauté eucharistique “(Editions An-Nourn Beyrouth, 1992), toont Costi Benali dat “de eucharistische gemeenschap zich niet mag ontdoen van deze essentiële dimensie van haar getuigenis die ingeschreven staat in de historische concrete engagementen, in de dagelijkse strijd, in haar hoop op het Koninkrijk”. En hij verduidelijkt dat men “de reikwijdte van het heil in het zuivere religieuze” niet mag beperken, onderlijnend dat “het heil van Christus een radicale bevrijding is uit elke miserie, elke beroving, elke vervreemding” Vader Cyrille Argenti citerend, nodigt hij ons uit om niet “weg te vluchten in de eucharistische celebratie en daarbij de strijd in de wereld te ontvluchten”.

Vanaf dan kunnen wij ons afvragen wat wij moeten doen om niet te vervallen in een dualisme “spiritueel leven/dagelijks leven”, hoe kunnen wij historische daden stellen, hoe nederig bijdragen om de wereld om te vormen ? Deze vraag is zeer groot, werkelijk, en verdient een diepgaande bezinning. Men kan hierbij  twee voorstellen formuleren, die verre van de pretentie hebben  rond de vraag heen te draaien.

Het vasten van het delen

Het eerste betreft de band tussen ons vasten (in het bijzonder deze van de grote vasten) en de ondersteuning van de meest kwetsbaren. “Vasten om die armer is dan wijzelf te ondersteunen”, dit is de betekenis van de collecte die over het algemeen gehouden wordt in de parochies bij het begin van de Vasten. Het is een Vasten van het verdelen, want het staat toe om mensen te helpen met het geld dat wij hebben geschonken. Costi Bendaly toont dat het hier gaat “om te antwoorden op de consumptiemaatschappij door de bekering van het verlangen, om niet meer  te verspillen, maar om getransformeerd te worden in Christus, worden zoals Hij en in Hem, gave, onthaal en delen”

De tweede suggestie zal een appèl inhouden voor een investering in het leven van elke dag, onder de inspiratie van een heilige als Moeder Maria, wiens leven in dienstbaarheid radicaal was. Velen onder ons zijn reeds geëngageerd, ten persoonlijke titel, in verenigingen als het ACAT (vereniging in Frankrijk voor de afschaffing van het martelen), Montgolfière (hulp aan de mensen zonder papieren), Sint Egidio enz..om er maar enkele te citeren. Zou men niet kunnen profiteren van de ervaringen van sommige parochianen om deze verenigingen te leren kennen door bijvoorbeeld een forum van verenigingen op te richten ? Zou onze parochie  discreet en gevrijwaard van elke politieke inmenging geen soort van draaiende schijf kunnen worden van  belangeloze hulp ?

Het teken van Gods aanwezigheid in de wereld

Zo vormen de verschillende wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap het teken van de tegenwoordigheid van God in de wereld.  Een gebed kan ons helpen om bewust te worden van deze bijzondere zending, een gebed dat zodanig permanent  en voortdurend herhaald wordt in onze liturgie dat wij het niet meer horen; dit gebed duidt expliciet op de roeping van de parochie welke is : onze persoonlijkheden,de andere gelovigen en het geheel van de wereld rond Christus bijeen te brengen. Dit gebed is in feite een oproep, een vermaning, een bemoediging; over het algemeen geformuleerd door de diaken, en zij gebied ons om “onszelf, mekaar en gans ons leven aan Christus onze God toe te vertrouwen.

Jean Jaques LAHAM

Jean jaques LAHAM is van oorsprong Libanees, deed zijn studies in Frankrijk. Hij is gedipomeerde van de “Ecole des hautes études commerciales”. Hij is consultant in het beheer van ondernemingen. Hij is verbonden zowel aan de libanese orthodoxe communauteit (patriarchaat van Alexandrië)als aan de Franstalige parochie van de Crypte van de heilige Drie eenheid, rue Daru te Parijs.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

De heilige Ambrosius van Milaan

Heiligenleven

De heilige Ambrosius

 

 

 

Ambrosius van Milaan2.jpg

De heilige Ambrosius van Milaan

 

 

 

De heilige Kerkvader Ambrosius, bisschop van Milaan, 374-391. De ariaanse bisschop, die de zetel sinds 20 jaar bezet had, was gestorven tegen het einde van het jaar 374. Het volk was in de kathedraal bijeen om onder leiding van Ambrosius, de jonge prefect van de stad, een nioeuwe bisschop te kiezen. Er dreigde een steeds groter wordende onenigheid tussen de Orthodoxen en de Arianen, die weinig geneigd waren om afstand te doen van hun machtspositie. Plotseling klonk een kinderstem : “Ambrosius  bisschop!”. Het sloeg in als een bliksemstraal : deze talentvolle, bekwame bestuurder, alom geacht om zijn bezonken en rechtvaardig oordeel en zijn strikte onomkoopbaarheid : er zou geen betere keuze mogelijk zijn. En na enig onduidelijk rumoer galmde door heel de kerk de kreet : “Ambrosius bisschop !”.

En hoezeer deze zich ook verweerde dat hij nog slechts katechumeen was en niet eens gedoopt, dat de canons een voorbereidingstijd eisen, het werd van geen belang tegenover zulk een duidelijke aanwijzing van de kant van God. Wat Ambrosius ook zei of deed, het volk riep dat het de verantwoordelijkheid voor zijn zonde op zich nam. Ambrosius nam de vlucht maar werd ontdekt en teruggebracht. Tenslotte gaf hij zijn verzet op en vroeg alleen nog maar  om niet door een ketter gedoopt te worden.

Hij werd dus gedoopt, doorliep binnen één week alle rangen van het priesterschap, en werd zeven dagen later bisschop gewijd op de 7e december 374, in de ouderdom van 34 jaar. En hij kon van zichzelf zeggen dat hij anderen al moest onderrichten voordat hijzelf was begonnen te leren. Maar tegelijk begon hij met alle energie aan de studie onder leiding van de priester Simplicianus. Hij wtudeerde vooral filosofie en de griekse kerkvaders, onder wie vooral Origenes, de grote Bijbelkenner. Hij ontdeed zich van al zijn goederen en bezittingen door ze groetendeels over te doen aan de Kerk. Get duurde geen drie jaar of zijn roem als bisschop was over heel het Rijk verbreid. Toen de keizer zich in de strijd moest werpen tegen de oprukkende Gothen, vroeg hij Ambrosius om een samenvatting van de orthodoxe theologie om sterker te staan teegenover de argumenten van de verschillende ketterijen. Ambrosius schreef toe een verhandeling in twee delen over Het geloof, en zond het de keizer toe in 379.

Ook veel jonge vrouwen kwamen naar hem toe en vroegen zijn geestelijke leiding. De preken die hij voor hen hield, verzamelde hij op de wens van zijn oudere zuster, de heilige Marcellina, en hij gaf ze uit als boek over de Maagden. Op dezelfde wijze kwam ook een boek over de Weduwen tot stand.

Toen de Gothen veel slachtoffers en slaven hadden gemaakt in Oost-Europa, liet Ambrosius het gouden en zilveren altaargerei uit de kerken van zijn diocees omsmelten om met de opbrengst de slachtoffers te hulp te komen. De Arianen beschuldigden hem toen van heiligschennis maar Ambrosius antwoordde dat het niet de taak van de Kerk was goud op te potten maar het te gebruiken voor de noden van haar kinderen.

Tijdens de Grote Vasten van 384 waren er veel moeilijkheden met de nieuwe, nog heel jonge keizer die, onder invloed van zijn ariaanse moeder, een ariaanse bisschop in Milaan wilde plaatsen. Ambrosius hield de kathedraal dag en nacht bezet, en om de in groten getale opgekomen gelovigen op passende wijze bezig te houden, liet hij de door hem geschreven hymnen zingen en de Psalmen met antifonen “zoals dat in het oosten gebruikelijk was”, zei hij. De telkens herhaalde doxologie : “Eer aan de vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest..” was tegelijk het solide onderricht tegenover de subtiliteiten van de Arianen. Na enige tijd trok de keizer de troepen van de kerk terug. De energieke Ambrosius vond steeds nieuwe manieren om weerstand te bieden tegen de telkens weer’ opdringende staatsmacht, maar hij wilde geen rol spelen op politiek gebied.

Met Pasen werden de katechumenen die in de vasten het onderricht hadden gevolgd, plechtig gedoopt. De beroemste dopeling van Ambtosius is de heilige Augustinus met zijn vriend Alypius (eveneens later bisschop), en zijn onwettige zoon Adeodatus, in de paasnacht van het jaar 387. Ambrosius zorgde zelf voor het onderricht, schreef theologische werken, en dichtte liturgische hymnen, waarvan het nog altijd gezongen “Te Deum” de beroemste is.

Hij heeft gedurende 23 jaar zijn diocees als een vader bestuurd. Hij was een steun der ongelukkigen maar trad streng op tegen de hooggeplaatsten. Van keizer Theodosios vorderde hij strenge kerkelijke boete toen deze 7000 mensen ter dood had veroordeeld om een niet niet zo omvangrijke opstand in Thessalonika de kop in te drukken, waarbij hij hem zei : “Ge moogt het bloed van Christus niet drinken met lippen die zulk een verschrikkelijk vonnis hebben uitgesproken”. Hij deed veel voor de opleiding van de geestelijkheid, schreef praktische raadgevingen en was daarnaast een  begaafd en geïnspireerd dichter. Hij hoorde nog biecht op orthodoxe wijze, met de biechteling in zijn arm, en hij weende mee met de treurnis van de ander.

Ambrosius is gestorven in de nacht na Grote Vrijdag, de 4e april van het jaar 397, terwijl zijn lippen voortdurend bewogen in stil gebed. Zijn lichaam rust in de aan de heilige Ambrosios gewijde baseliek in Milaan.

Uit :  Heiliegenlevens voor elke dag : uitg. Orth. Klooster Den Haag