De orthodoxe Kerk tegenover de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

De Orthodoxe Kerk tegenover 

de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

Pantelis Kalaïtzidis

De hierna volgende tekst was (in verkorte vorm) te horen in het kader van de internationale conferentie Religions and Reform, georganiseerd door de Konrad-Adenauer-Stiftung en het Royal Institute for Interfaith-Studies, in Jordanië, op 29 en 30 januari 2007. Auteur is de orthodoxe theoloog Pantelis Kalaïtzidis, die filosofie studeerde aan de Université Paris-Sorbonne en directeur is van de Academie voor Theologische Studies in het Griekse Volos. We publiceren, in vier afleveringen, de integrale neerslag van deze uiteenzetting, verschenen in het tijdschrift Contacts n°  223

De orthodoxe kerk wil graag trouw zijn aan de apostolische en patristische traditie. Ze bevindt zich in de ononderbroken continuïteit van de primitieve kerk. Het criterium van de patristische theologie bepaalt in hoge mate haar theologische denken en haar zending in de wereld. Ze herinnert er ook voortdurend aan dat ze noch de letter noch de geest van de traditie heeft verdraaid of veranderd. Ze heeft deze traditie geërfd van de zeven oecumenische concilies in het eerste millennium of van de traditie van de Vaders uit de onverdeelde kerk. Behalve deze nadruk op de traditie herinnert de orthodoxe kerk er voortdurend aan dat ze “de Kerk van de Heilige Geest” is. De Kerk die meer dan een ander de juiste plaats van de derde persoon van de Drie-Eenheid heeft bewaard (met alles wat dit impliceert voor de ecclesiologie, de canonische structuur en de kwestie van de eenheid); de Kerk die de vernieuwende bezieling van de Trooster heeft kunnen bewaren, alsook de charismatische dimensie van het kerkelijke leven.

Geografisch en cultureel gezien vinden we de orthodoxe kerk voornamelijk terug in de grensgebieden tussen Oost en West. De meest betrouwbare berekeningen schatten het aantal gelovigen rond de 180 à 200 miljoen wereldwijd. De meerderheid daarvan is nog steeds geconcentreerd in de traditionele, orthodoxe gebieden, namelijk het Nabije en het Midden-Oosten, de Balkan, het zuidoosten en het oosten van Europa. Anderen zijn verspreid over de orthodoxe diaspora in Noord-Amerika (de Verenigde Staten en Canada), Australië, Centraal- en West-Europa. Bovendien zijn er behalve de gelovigen  afkomstig uit traditionele orthodoxe families, steeds meer bekeerlingen: westerlingen die zijn toegetreden tot de orthodoxe kerk ten gevolge van een persoonlijke keuze en niet door hun geboorte of omdat ze tot een bepaalde natie, cultuur of identiteit behoren.

I. Traditie, vernieuwing en hervorming

Door het accent te leggen op o.m. het begrip traditie en de daaraan verbonden trouw, maakt de orthodoxe kerk aanspraak op christelijke katholiciteit en universaliteit;  ze omschrijft zichzelf als de Kerk die de volheid van het geloof en de waarheid behoedt. Maar blijkbaar heeft het belang van het begrip traditie, gecombineerd met historische factoren – namelijk het einde van het oosterse christendom en zijn onderwerping (vijf eeuwen lang) aan het Turks-Ottomaanse gezag – ertoe geleid dat termen als hervorming, herziening, evolutie en innovatie taboe zijn geworden. Ondanks de pneumatologische dimensie die duidelijk haar stempel heeft gedrukt – en dat nog steeds doet – op de orthodoxe kerk, zijn deze termen bijna verboden, of lijken ze in ieder geval problematisch voor en vreemd aan de orthodoxe traditie en spiritualiteit. Wanneer bepaalde protestantse kerken vandaag nog steeds lijden aan een bepaald fundamentalisme van de Bijbel of van de bijbelse letter, dan bevindt de orthodoxe kerk zich vaak verstrikt en geblokkeerd in een “fundamentalisme van de traditie”, wat in de praktijk haar pneumatologische en charismatische dimensie in de weg staat. Het verhindert haar om deel te nemen aan de moderne wereld en om haar creatieve vermogens en charisma’s in het heden te ontplooien.

Nochtans vinden we in de loop van de geschiedenis van de orthodoxe kerk talrijke momenten terug van beslissende veranderingen en evoluties, of nog van herinterpretaties en herformuleringen die tot een goed einde werden gebracht en die contrasteren met het huidige immobilisme. In onze ogen moeten deze momenten beschouwd worden als het natuurlijke uitvloeisel, het verlengstuk van de theologie van de Menswording en van de pneumatologie; ze moeten dus gezien worden als het permanente, door de Kerk beleefde Pinksteren, of nog als een gevolg van haar engagement in de wereld. Zo worden we er terecht aan herinnerd dat, “wanneer we geloven dat de Heilige Geest nooit heeft opgehouden in de Kerk werkzaam te zijn, de roep tot hervorming en vernieuwing in de Kerk altijd gegrond is” (L.J. Patsavos). Deze visie geeft aan de voortgang van de Kerk in de wereld zijn historische dimensie en zijn eschatologische finaliteit.

Wanneer we dit pneumatologische en eschatologische gezichtspunt volgen – het sluit aan bij een breder perspectief dat ons geopend is door de Menswording en de godmenselijkheid van Christus – dan kan er in de schoot van de orthodoxe kerk ruimte ontstaan voor hervormingen. Zeker wanneer we ons herinneren dat deze hervormingen niet de kern van het geloof aantasten en niets te maken hebben met de fundamentele leerstellingen, zoals de triadologie en de christologie. Hervormingen behoren tot het domein van het tijdelijke en hebben vooral betrekking op praktische, morele, canonische of liturgische kwesties. Zoals vader Nicolas Afanassieff, de grote orthodoxe theoloog en canonist, duidelijk zegt over de canons van de kerk: zij zijn tijdelijke uitdrukkingwijzen van eeuwige waarheden. Dit impliceert dat naast de onveranderlijke en eeuwige waarheden (zoals de fundamentele leerstellingen), die niet kunnen worden veranderd of gewijzigd naargelang de tijd, de periode, de culturele context, enz., er ook de tijdelijke uitdrukking en de historische toepassing van deze waarheden zijn, die onderhevig zijn aan veranderingen, wijzigingen of hervormingen. Met andere woorden, hervormingen vertrekken vaak van pogingen tot formuleringen en herformuleringen van het “hoe” van de waarheid, waarbij de kern van de waarheid onaangeroerd blijft. Hervormingen gaan over het begrip en de interpretatie van de waarheid, de actualisering of aanpassing op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip van de eeuwige waarheid, van de christelijke “enhypo-statische”waarheid, en niet van het wezen zelf van deze waarheid. Met uitzondering dus van de triadologische en christologische leer – de kern van het kerkelijke geloof dat nooit het voorwerp kan zijn van enige hervorming – lijkt ons dat voor de rest elke discussie toegelaten is, soms zelfs wenselijk. Merken we in dit verband op dat tijdens het eerste millennium alle oecumenische concilies van de onverdeelde kerk uiteindelijk betrekking hebben op kwesties die in hoofdzaak triadologisch of christologisch zijn; ze hebben het christelijke geloof vormgegeven en het katholieke geloof afgebakend, de volheid van het geloof geplaatst tegenover de gedeeltelijke aanvaarding ervan – de ketterij. Wanneer we deze stelling in een oecumenisch perspectief doorzetten, dan zouden we kunnen stellen dat, met uitzondering van de triadologie en de christologie die de basis zelf van het christelijke geloof en de christelijke praxis vormen, we voor het overige vrijelijk zouden kunnen discussiëren of, naargelang de precieze context (de tijd, de ruimte, de sociale veranderingen, de nieuwe filosofische richtingen, enz.), zelfs zouden kunnen overgaan tot hervormingen, vermits deze betrekking hebben op de tijdelijke sfeer en niet op “de harde kern” van het geloof.

Deze aanvaarding van de hervorming en van wat in de kerk kan worden hervormd, onderstelt van tevoren een tegelijk positieve en kritische benadering van de contextuele theologie. Dit is bij de orthodoxen niet altijd het geval. Ongeacht enkele excessen, legt de contextuele theologie de nadruk op de nauwe band tussen de tekst en de context; ze herinnert er ons aan dat we onmogelijk theologie kunnen bedrijven op een zuiver intellectuele of academische wijze, zonder rekening te houden met de geschiedenis en de socioculturele context, met de pastorale noden en de onvermijdelijke diversiteit van de menselijke culturen en de theologische uitdrukkingsvormen. Nochtans impliceert het aanvaarden van zo’n hervorming ook een “orthodoxe” versie van het principe “Ecclesia reformata et semper reformanda”, een principe dat volgens de eminente orthodoxe historicus en theoloog Jean Meyendorff “duidelijk de protestantse benaderingswijze van de Traditie is”. Deze grond tot “permanente hervorming” van wat menselijk en tijdelijk is in de Kerk, dit principe van “de hervormde en steeds opnieuw te hervormen Kerk” dat gewoonlijk aan het protestantisme wordt toegeschreven, kan en moet door het orthodoxe christendom toegepast worden “op de zuiver menselijke elementen – en die zijn talrijk in de historische kerk”, zo zegt dezelfde theoloog. “Maar wat God ons geeft,” zo gaat hij verder, namelijk “de goddelijke aanwezigheid van zijn volheid in ons en onder ons, in de sacramenten en in de Waarheid die in de Kerk bewaard wordt door de Heilige Geest, dat staat boven elke ‘hervorming’.” Volgens het standpunt van Meyendorff vormt dit ‘maar’ het wezenlijke verschil tussen de protestantse en de orthodoxe benadering van de hervorming: eerstgenoemde beschouwt de Kerk als een volledig menselijke instelling, terwijl voor de tweede datgene wat de Kerk uitmaakt, niet menselijk is, maar eerder godmenselijk. Dit godmenselijke aspect mag niet tot het onzichtbare worden herleid: het is zichtbaar en historisch, net als de Godmens die een zichtbare en historische persoon was. Volgens Meyendorff schuilt er achter deze verschillende benadering van de hervorming een fundamenteel theologisch verschil, dat teruggaat op de overheersing van het augustinisme in het hele (katholieke, maar ook protestantse) Westen. Dit heersende augustinisme heeft vanwege zijn stelling over de identificatie van God met zijn essentie, nooit de oosterse leer van de deïficatie van de mens en zijn reële deelname aan Gods leven (via de goddelijke energieën) kunnen begrijpen en aanvaarden. Met als gevolg dat het protestantisme de gemeenschap tussen God en de mens in de Kerk heeft afgewezen, en dus ook de verering van de heiligen en het sacramentele realisme heeft verworpen.

II. Kleine geschiedenis van de herinterpretaties, herformuleringen en hervormingen in de orthodoxe kerk

 Laten we na deze elementaire preciseringen en ophelderingen, en met het oog op een theologie van de hervorming, terugkeren in de tijd naar die momenten van verandering en evolutie, van herinterpretaties en herformuleringen, die eigenlijk slechts het natuurlijke gevolg zijn van de theologie van de Menswording en de pneumatologische dimensie van de Kerk. We kunnen in het kort enkele van die grote momenten van evolutie en herformulering aanhalen, die samenvallen met de bloei van het oosterse christendom. Toentertijd hadden die momenten het effect van kleine ‘revoluties’ of kleine ‘hervormingen’, alhoewel het telkens slechts ging om herinterpretaties en herformuleringen van het oorspronkelijke gegeven of van de vroegere traditie:

 – De openheid van de primitieve kerk ten aanzien van de heidenen en meer bepaald van de Griekse wereld, zoals dit merkbaar is in o.m. de geschriften van Johannes, de theologie van de heilige Paulus of de beslissingen van het apostolische concilie van Jeruzalem in 48 n.Chr. Dit concilie heeft alle joodse vooronderstellingen (op cultureel of religieus vlak) opgeheven om zo de heidenen tot de kerk te kunnen toelaten. Het wordt overigens als het eerste concilie van de kerk beschouwd.

 – De ontmoeting of synthese tussen het christendom en het hellenisme, op een moment dat het christelijke geloof, dat aanspraak maakte op universaliteit, ertoe gebracht werd om zich uit te drukken in denkvormen ontleend aan de antieke Griekse filosofie. Hierbij probeerde de christelijke theologie, waarvan de filosofische uitgangspunten aanvankelijk onverenigbaar waren met die van het Griekse denken, een antwoord te geven op vragen die van oorsprong niet christelijk maar Grieks waren.

 – Een analoge beweging leidde van de bijbelse theologie, met haar Semitische en meer bepaald Hebreeuwse roots, naar de patristische theologie. Deze laatste werd niet enkel gevoed door het joodse denken en het evangelische woord, maar ook door de Griekse filosofie en cultuur. Aanvankelijk was de patristische theologie slechts een exegetische theologie, die vertrok van de interpretatie van de Schrifttekst, maar die tegelijk een antwoord probeerde te geven op de uitdagingen en vragen van de heidense filosofen en van het Griekse denken in het algemeen. Aldus getuigde de patristische theologie in die tijd van een aanzienlijke verandering in de wijze van interpreteren van de gewijde teksten. In sommige opzichten belichaamde zij een eerste poging tot ontmythologisering (vooral bij Origenes en Gregorius van Nyssa). Merken we op dat wanneer de Kerkvaders de Bijbel begonnen te interpreteren, zij vooral bekommerd waren om de geest van de Bijbelse teksten bloot te leggen en niet zo geïnteresseerd waren in de letter ervan. Ze deinsden er niet voor terug om gebruik te maken van alle interpretatieve en exegetische methodes die in hun tijd bekend waren, en van alle kennis die de filosofie en andere disciplines, die ze vaak jaren lang hadden bestudeerd, hun verschaft hadden. Het patristische denken kende overigens zo’n ontwikkeling, dat bepaalde theologen en patrologen – ook sommigen die zich tot de behoudsgezinde of ‘traditionele’ stroming rekenden – niet aarzelden om ten opzichte van het Bijbelse of primitief-christelijke denken, te spreken van “groei” (Gr. auksèsis). Ter verduidelijking voegden ze er echter aan toe dat “groei” hier niet betekent verbetering, rijping of vooruitgang in de openbaring van het geloof, maar de vervolmaking in Christus en door de Heilige Geest van het geestelijke leven, alsook de doctrinaire verrijking van het leven in de kerk.

 – Hoe paradoxaal het ook moge lijken, de primitieve christelijke theologie en in zekere mate ook de patristische theologie waren binnen hun specifieke context ‘modern’ avant la lettre; ze waren zelfs de voorbode van bepaalde aspecten van de westerse moderniteit. We vergeten al te gemakkelijk dat het primitieve christendom, gezien de radicale breuk die het in de christelijke gemeenschappen teweegbracht, eigenlijk een vroegtijdige vorm van ‘moderniteit’ vertegenwoordigt, die om diverse redenen – in het kader van deze uiteenzetting kunnen we hierop niet verder ingaan – haar bevrijdende werking niet heeft kunnen afmaken of realiseren: de vervanging van de abstracte metafysica door de persoonlijke ervaring en de vereniging met God; de gelijkheid van geslachten en rassen (een eerste aanzet in de richting van de bevrijding van de vrouw); de eschatologische overwinning in Christus van elke vorm van onrechtvaardigheid en scheiding; de desacralisering van de keizer en zijn gezag; de vrijmaking van de persoon van zijn religieuze onderwerping aan de stad, de staat of het gesacraliseerde gezag;  de vrijmaking van de menselijke persoon van zijn slaafse onderwerping, ditmaal op biologisch vlak, aan zijn ras, patriarchale familie, stam; de weergaloze uniciteit en de uitzonderlijke waarde van de menselijke persoon; de ontvoogding van de onderwerping aan de letter van de wet; de aanzet tot bevrijding van de voor die tijd duistere en niet opgehelderde aspecten van de biologische functies van de mens; de onttovering en desacralisering van de natuur, enz.

– De liturgische evolutie die begonnen is met gemeenschappelijke maaltijden en het eenvoudige eucharistische gebed in de eerste eeuwen van het christendom, om uit te monden in een hele reeks officies en riten. Deze ontwikkeling heeft tot het begin van de 16e eeuw voortgeduurd en wordt onder meer gekenmerkt door de overgang van een parochiale liturgische traditie naar een monastieke liturgische traditie. In wezen is hierbij het communautaire en eschatologische karakter van de cultus behouden gebleven, alsook de visie op de Eucharistie als het sacrament bij uitstek van de kerk. Dit wezenlijke sacrament van de christelijke communauteit doet de ganse biddende gemeenschap deelnemen aan de transfiguratie van de wereld en de geschiedenis, door een voorsmaak te geven van het Eschaton en te anticiperen op het Koninkrijk Gods.

 – De canonische hervormingen, vooral door het Concilie “in Trullo” (Quinisextus) in 691-692. Op basis van het hierboven vermelde onderscheid tussen de eeuwige waarheden en hun tijdelijke en historische uitdrukkingsvormen, hebben deze hervormingen niet enkel het canonische systeem van de kerk, maar ook haar ecclesiologische structuur en liturgische ordening duidelijk gewijzigd. Laten we hier opmerken dat de canonische hervormingen door het Concilie “in Trullo” een poging waren om het theologische onderricht van de kerk aan te passen aan de historische realiteit, die sinds de tijd van het primitieve christendom geëvolueerd was. Deze hervormingsactiviteit getuigt van een conciliaire creativiteit, waarbij zelfs de canonische en conciliaire decreten werden herzien of vervangen. Het probleem dat zich stelt in een tijd van conciliaire achteruitgang, zoals nu het geval is, is dat we de dialectiek tussen de eeuwige waarheden en de tijdelijke en historische uitdrukkingswijzen van deze waarheden, vergeten; we geven er de voorkeur aan deze dialectiek en het criterium van de waarheid te vervangen door de wet van de gewoonte. Het meest karakteristieke voorbeeld van deze situatie is het verplichte celibaat van de bisschoppen, dat ingevoerd werd door canon 12 van het Concilie “in Trullo”. Bijna iedereen erkent inmiddels de impasse en de ernstige problemen die deze dertien eeuwen oude hervorming met zich meebrengen. Maar de conciliaire achteruitgang die de orthodoxe kerk al lange tijd kenmerkt en de voorrang van het principe van de gewoonte op het principe van de waarheid, verhinderen elke ernstige discussie en elke beslissing om terug te keren naar de traditie en de ordening van de oude kerk.

 – De vertaling van de Bijbelse en liturgische teksten in de lokale talen, dit vanaf de eerste eeuwen van het christendom, en later, vanaf de eerste Byzantijnse missies; maar ook de verwerping van elke theorie van ‘heilige talen’, vermits de Menswording van Christus elk menselijk werk, elke plaats, elke taal en elke cultuur heeft geheiligd (en dit vele eeuwen vóór de protestantse Hervorming of, a fortiori, het Tweede Vaticaans Concilie).

 – De voorbeelden die dateren van na het primitieve christendom, zoals het onstaan van het monachisme (dat aanvankelijk wilde herinneren aan de eschatologische dimensie van het christelijke geloof en een protestbeweging was tegen het compromis van de institutionele kerk met de wereld en het gezag) en het ontstaan van de iconenverering (die de theologie van de Menswording vooronderstelt, evenals het achter zich laten van de Semitische aniconische cultus). Het is interessant erop te wijzen dat het monachisme en de iconenverering mettertijd de karakteristieke en zelfs onmisbare uitdrukkingsvormen van de orthodoxe spiritualiteit en vroomheid zijn geworden.

   Men kan natuurlijk discussiëren of redetwisten over de juistheid, de waarde en de reikwijdte van deze veranderingen en evoluties, of over hun trouw aan de apostolische traditie. Maar men kan niet ontkennen dat deze veranderingen en evoluties deel uitmaken van de geschiedenis van een kerk die haar trouw aan deze traditie hoog in het vaandel draagt, die van de traditie een beslissend, zo niet opperste criterium van haar kerkelijke leven en theologie maakt. De voorbeelden zijn beperkt – we zouden er nog vele andere kunnen aanhalen en ons bv. buigen over praktische of morele zaken, zoals echtscheiding, die al vrij vroeg werd toegelaten in de orthodoxe kerk. Maar we hebben de voorbeelden hier enkel naar voren geschoven om eraan te herinneren dat de begrippen hervorming en herziening, in de breedste zin van het woord, niet onbekend zijn in de traditie van de oosterse kerk..                      

Vertaling uit het Frans: Xavier V

Sofrony van Jeruzalem : Zalig de schoot die U heeft gedragen

H.Sofrony van Jeruzalem (?-639), monnik, bisschop
Homilie voor de Annunciatie 2 ; PG 87, 3, 3241

Sofrony van Jeruzalem.jpg

 

Sofrony van Jerusalem

 

“Zalig de schoot, die U heeft gedragen”

      “Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u” (Lc 1,28). Wat is er boven deze vreugde, 0 Maagd Moeder? Wat gaat er boven deze genade?… Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen” (Lc 1,42), omdat u de vloek van Eva omgevormd hebt in zegen; omdat Adam, die eerder vervloekt was, nu door u de zegen gekregen heeft.

      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen”, omdat dankzij u, de zegen van de Vader over de mensen is gekomen en hen van de oude vloek heeft verlost.
     
      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen”, omdat, dankzij u, uw voorouders gered zijn, want u bent het die de Verlosser gaat baren, die hen het heil zal verschaffen.

      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen” omdat u, zonder het zaad te hebben ontvangen, deze vrucht hebt gedragen, die de gehele aarde van zegen voorzien heeft, en haar verlost van de vloek waaruit de doornen geboren worden.

      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen”, omdat door van nature vrouw te zijn, u werkelijk de Moeder van God wordt. Want als degene die u gaat baren werkelijk de vleesgeworden God is, dan wordt u terecht Moeder van God genoemd, aangezien u in volledige waarheid God baart.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

27e zondag na Pinksteren,1Oe na de kruisverheffing

27e zondag na Pinksteren,1Oe na de Kruisverheffing

 “Genezing op de Sabbath”

 

 

 genezing opde sabbath.jpg

 

Lezingen

 Eerste lezing: Ef.6,10-17 :

De wapenrusting van God
     Ten slotte, zoek uw kracht bij de Heer en zijn almacht. Trek de wapenrusting van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen. Grijp daarom naar de wapenrusting van God om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad en staande te blijven, strijdend tot het einde. Stel u op, de waarheid als een gordel om uw middel, de gerechtigheid als een pantser om uw borst, de ijver voor het evangelie van de vrede als schoeisel aan uw voeten. Draag steeds het schild van het geloof, waarmee u alle brandende pijlen van het kwaad kunt doven. Draag ook de helm van de redding en het zwaard van de Geest, dat wil zeggen, het woord van God.

EVANGELIE

Lucas 13,1O-17

Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat
     Eens gaf Hij op sabbat onderricht in een synagoge. Daar bevond zich een vrouw die al achttien jaar leed onder een geest die haar ziek maakte. Ze liep krom en was niet in staat zich op te richten. Jezus zag haar en sprak haar aan. ‘Vrouw’, zei Hij, ‘u bent van uw kwaal verlost.’ Hij legde haar de handen op en onmiddellijk rechtte ze haar rug, en ze prees God. Geërgerd, omdat Jezus op sabbat iemand genezen had, zei de voorzitter van de synagoge tegen de menigte: ‘Zes dagen zijn er om te werken. Dan kunt u komen om u te laten genezen, niet op sabbat.’ De Heer gaf hem dit antwoord: ‘Huichelaars! Ieder van u maakt toch op sabbat zijn os of ezel los van de voerbak om hem te drinken te geven? Moest deze dochter van Abraham dan op sabbat niet losgemaakt worden van de boeien waarmee de satan haar al achttien jaar geleden heeft vastgebonden?’  Toen Hij dat zei stonden al zijn tegenstanders beschaamd en verheugde de hele menigte zich over alle prachtige dingen die door Hem totstandkwamen.

 

De vrouw in de Kerk

DE VROUW IN DE KERK

 

 Op uitnodiging van de Patriarch van Roemenië had enkele jaren geleden in het monasterie van Agapia (Moldavië) een colloquium plaats over “de rol en de plaats van de vrouw in de Kerk en in de samenleving. Vrouwen, die de voornaamste patriarchaten en autokefale kerken vertegenwoordigden, namen aan de besprekingen deel. Tevens waren een aantal vrouwen, afgevaardigd door de niet-chalcedonische kerken, zoals de Armeense Kerk, de Koptische Kerk en de Kerk van India, aanwezig. Naast meer algemene vragen, zoals de plaats van de vrouw in de Kerk, het gezin en de samenleving, werden ook meer specifieke punten aangeraakt zoals het vrouwelijk diakonaat en priesterschap. Het herstel van het vrouwelijk diakonaat is thans reeds een thema van discussie in verschillende orthodoxe kerken, terwijl in de Koptische Kerk de diakonaatsfunctie reeds een feit is (150 diakonessen fungeren thans reeds in de Koptische Kerk). Het probleem van de priesterwijding van de vrouwen werd alleen gesteld in verband met het het debat dat thans omtrent deze kwestie op gang is gekomen in de niet-orthodoxe kerken van het Westen. De vergadering uitte nochtans de wens uit dat dit probleem ook door de Orthodoxe Kerk met de nodige sereniteit en theologische ernst zou onderzocht worden.

 De gekende orthodoxe theologe Elisabeth Behr-Sigel, die gedurende vele jaren docente was aan het Hoger Instituut voor Oecumenische Studies te Parijs en aan het Orthodox Theologisch Instituut St.Serge te Parijs, en die auteur is van verschillende boeken en publicaties omtrent dit onderwerp, nam aan de besprekingen actief deel. Hierna volgt daarover een relaas.

 *     *     *

 Elisabeth Behr-Sigel gaat ervan uit dat een aantal socio-culturele factoren voor gevolg hebben dat de vrouwen een niet-authentiek beeld van zichzelf en van hun vrouwzijn ervaren. Deze niet-authenticiteit belet hen bewust te worden van hun menselijke roeping en verantwoordelijkheid als volwaardige leden van het Godsvolk. De vrouwen wensen in de Kerk een werkelijk “partnership”, een effectieve verdeling der verantwoordelijkheden te bekomen. Dit vergt echter een verandering van mentaliteit bij heel wat mannen, wat dan op zijn beurt structurele veranderingen in de kerkgemeenschappen vereist, dit echter zonder dat een breuk ontstaat met de authentieke Traditie van de Kerk, wel integendeel in een geest van creatieve getrouwheid.

 De “feministische beweging” verschijnt als een teken des tijds. Dikwijls onbehendig en opzettelijk provocerend is dit teken nochtans een “dwaas geworden” christelijk idee in ons extreme Westen, dat door het nihilistisch getij overspoeld wordt. De feministische gedachte heeft in wezen haar wortels in het personalisme van het Evangelie.  “Heden na een lange periode van patriarchaat, tracht de vrouw zich te affirmeren als een volledige menselijke persoon, als een vrij en verantwoordelijk subject. Dit is de werking van het evangelisch ferment, dat zich eindelijk vrijmaakt van de oude heidense structuren.”  (vrij vertaald uit : Olivier Clément :”Questions sur l’homme”, p.115)

  Deze aspiraties van de vrouwen interpelleren de christelijke gemeenschappen. De vraag rijst echter of het specifiek vrouwelijke de gelijkstelling met de man in de orde der waardigheid werkelijk toelaat. De bittere constatatie dat deze gelijkstelling niet vanzelfsprekend is , veroorzaakt bij de vrouwen een  diepe identiteitscrisis. In een wereld, gedomineerd door geperverteerde mannelijke waarden, komen de vrouwen ertoe hun eigen diepste wezen te verloochenen.  Wie ben ik ?  Wie zijn wij ? Waar bevindt zich onze voltooing ? Mannen en vrouwen stellen zich beangstigd deze vragen. De menswetenschappen kunnen weliswaar met luciditeit vaststellen “wat is”, doch ze kunnen “de zin” niet verklaren, noch de menselijke hoop orienteren. Het antwoord op die vragen zou kunnen liggen “binnen het bereik der interiorisering van de Openbaring”.

  Een creatieve orthodoxe theologie, die van het mysterie van de Drie-Eenheid zou uitgaan, en die er tevens de anthropologische implicaties zou van onthullen, zou de mens – man en vrouw  – uit de impasse van het blind nihilisme kunnen halen.

  En in Drie verschillende Personen, van dezelfde natuur en waardigheid, steeds samen handelend in de wereld, doch elk –  de Schepper, de Verlosser, de Trooster  – zijnde volgens hun eigen zending, volgens hun eigen modaliteit, manifesteren het samenvallen van de Eenheid en de Verscheidenheid  .  Dit is de Drie-Eenheid, naar wiens beeld de mensheid als één en tevens multipel, als man en vrouw  , geschapen is om de aarde te beheersen. Deze eenheid werd door de zonde ontwricht, doch in Christus hersteld (Gal. 3,27-28) in de Kerk, die Zijn Lichaam is, waar man en vrouw geroepen zijn om zichzelf te ontplooien volgens verschillende modaliteiten, doch de ene met   de andere, door  de andere in wederzijdse liefde, en samen gericht naar de Derde  , God (Ef. 5,25-33)  

   Deze orthodoxe visie, gevoed aan de bron van de Liturgie werd in onze tijd ontwikkeld in het werk van Paul Evdokimov, in zijn diepzinnige theologie van het huwelijk. Zou thans niet “een meer globale reflectie” dienen ontwikkeld te worden over de taak van man en vrouw , die samen de verantwoordelijkheid van hun koninklijk priesterschap binnen de Kerk en de wereld assumeren ?  Is het in de huidige verwarring der geesten niet de opdracht van de Kerk om een nieuwe stijl en nieuwe modellen van samenwerking tussen man en vrouw te ontwerpen ?

 *     *     *

   De concrete situatie in de Kerk is thans zo, dat de vrouwen zelfs de lagere wijdingen van lector en acoliet niet kunnen ontvangen, al is men in de praktijk niet zo streng. Nochtans is het wenselijk dat de vrouwen op alle niveau’s zouden participeren aan de verantwoordelijkheden van het Godsvolk, dit zowel op het liturgisch vlak der catechese als in het theologisch onderzoek, het parochiaal beleid en in ruimere conciliaire vergaderingen, en uiteindelijk ook op het domein van de profetische getuigenis in de wereld.

   Blijft dan het cruciaal probleem van de wijding van vrouwen tot de verschillende graden van het ministerieel priesterschap of tot een bepaald kerkelijk ministerie, zoals het vrouwelijk diakonaat, dat vroeger in de Kerk bestaan heeft.

  De dramatisering van het probleem is echter de uiting van een clerikale geest, die vreemd is aan de Orthodoxie. De orthodoxe leek beleeft inderdaad zijn lekenstaat niet als een ondergeschikte conditie. Tussen de priester en hem is er verschil van roeping en diakonie, van chrisma, maar er is geen radikaal ontologisch  verschil . Allen – man en vrouw  – participeren actief aan de Liturgie, hetgeen echter niet wegneemt dat het probleem van het vrouwelijk priesterschap gesteld wordt en dat van de Kerk een ernstig gefundeerd antwoord verwacht wordt.

   Tot op heden hebben de orthodoxe instanties de wijding van vrouwen tot het priesterschap beslist afgewezen, op gronden die niet steeds even relevant zijn. Het ernstigste argument lijkt wel verband te houden met het iconisch karakter  van het priesterlijk ambt in de orthodoxe eredienst. In de eucharistische vergadering vertegenwoordigt, of beter, stelt de bisschop of de priester Christus present , Christus, het mensgeworden Woord, die de menselijke natuur integraal aangenomen heeft, doch volgens haar mannelijke modaliteit  . Tussen het mannelijke van het Woord, dat “schept en ordent”, evenals tussen de Geest, die “bijstaat en inspireert” en het vrouwelijke, ontwaart men mysterieuse analogieën. Dit is een aanwijzing, bevestigd trouwens door een constante traditie, die zomaar niet over het hoofd kan worden gezien.

   Anders is het gesteld met het vrouwelijk diakonaat. Het bestaan van diakonessen in de primitieve Kerk staat duidelijk vast (Rom. 6,1). Moeilijker is echter de juiste functies van dit ambt te bepalen.

   Het staat buiten kijf dat in de eerste christelijke communauteiten vrouwen in het openbaar optraden bij het gebed en het profetiseren  . Verder bestonden diakonessen in de byzantijnse traditie. Men kent hun wijdingsritus zoals deze te Constantinopel gebruikelijk was, namelijk tijdens de Liturgie door handoplegging en het aandoen van het orarion  (de diakenstola). De byzantijnse diakonessen communiceerden aan het altaar zoals de priesters en diakens, en vervulden liturgische, catechetische,  pastorale en creatieve taken. Vanaf de IXde – Xde eeuw geraakte het vrouwelijk diakonaat in onbruik. Het herstel ervan werd door de Russische Kerk op de vooravond van de revolutie van 1917 overwogen. Sinds 1957 bestaat een diakonessenschool te Athene, waar een opleiding tot sociaal assistenten ten dienste van de Kerk verkregen wordt. Tot op heden echter worden zij niet gewijd! De Koptische Kerk, die thans een spiritueel “revival” kent, heeft het gewijd diakonaat  opnieuw hersteld. Het belang van dergelijk herstel bestaat hierin dat, doorheen het ambt van gewijde diakonessen een organieke band zou gelegd worden tussen het sacrament van   de Eucharistie en het sacrament van de broeder.  Aldus zou door het herstel van een specifiek diakenminister, dat niet de eerste hiërarchische graad zou zijn tot het priesterschap, een evenwicht tot stand gebracht worden tussen enerzijds de sacramentele en liturgische functie van de diaken, en anderzijds – doorheen zijn organische binding met de Eucharistie, zijn profetische uitstraling in de wereld.

 Antoine van Bruane +                             

Silouan de Athoniet : Het verlangen naar God

Het verlangen naar God

Silouan de Athoniet 

 

Silouan de athoniet3.jpg

Mijn ziel smacht naar de Heer

en onder tranen zoek ik Hem

Hoe zou ik U niet zoeken ?

Gij hebt mij het eerst gevonden

en mij laten genieten van Uw Heilige Geest

En mijn ziel kreeg U lief.

Gij, Heer, ziet mijn verdriet en mijn tranen….

Als Gij mij door Uw liefde niet had aangetrokken,

zou ik u niet zo zoeken, zoals ik U zoek;

Maar Uw Geest heeft U aan mij bekend gemaakt,

en mijn ziel verheugt zich

Omdat Gij mijn God en mijn Heer zijt,

en tot tranen toe verlang ik naar U.

Ireneüs van Lyon : De vinger Gods

H. Ireneus van Lyon (ca. 130 – ca. 208), bisschop, theoloog en martelaar
Tegen de ketterijen IV, Pr 4 ; 39, 2

Irenaeus 123.gif

 Ireneus van Lyon

De vinger van God

     

 De mens is een mengsel van ziel en vlees, een vlees dat gevormd is naar de gelijkenis van God en vormgegeven door zijn twee Handen, dat wil zeggen de Zoon en de Geest. Tegen hen heeft Hij gezegd: ” Laten we de mens maken” (Gn 1,26)…

      Maar hoe zul je op een dag vergoddelijkt worden als je nog geen mens bent geworden? Hoe kun je volmaakt zijn, terwijl je nog maar amper geschapen bent? Hoe zul je onsterfelijk zijn, terwijl je niet gehoorzaamd hebt aan je Schepper in je sterfelijke natuur?… Aangezien je het werk van God bent, wacht geduldig de Hand van jouw Pottenbakker af, die alle dingen op de juiste tijd doet. Toon Hem een soepel en volgzaam hart en bewaak de vorm die deze Pottenbakker jouw gegeven heeft, door in je het water te dragen dat van Hem komt en zonder welke je, door je te verharden, de beeltenis van zijn vingers, weg zou gooien.

      Door je door Hem te laten vormen, zul je tot aan de volmaaktheid opstijgen, want door dat kunstwerk van God wordt de klei die in je is, verstopt; zijn Hand heeft jouw substantie geschapen… Maar als je door hard te worden, zijn kunstwerk afwijst en je ontevreden toont met hetgeen waarmee Hij je mens heeft gemaakt, dan zul je door je ondankbaarheid naar God, niet alleen zijn kunstwerk, maar het leven zelf wegwerpen; want vormen is eigen aan de goedheid van God en gevormd worden is eigen aan de menselijke natuur. Als je je dus aan Hem overgeeft door Hem jouw geloof in Hem te geven en je onderwerping, dan zul je de genade van zijn beeltenis ontvangen en zul je het volmaakte werk van God zijn. Als je daarentegen weerstand biedt en uit zijn Handen wegvlucht, dan zal de oorzaak van je onvolmaaktheid in jou blijven omdat je Hem niet gehoorzaamd hebt en komt dat niet door Hem.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Vader Ignace : Het hart centrum van ons spiritueel leven

HET HART

CENTRUM VAN ONS SPIRITUEEL LEVEN

 

         Bij zijn bezoek aan onze communnauteit, wat meer dan een tiental jaren geleden, benadrukte Vader Sophrony dat “het hart” het centrum van ons spiritueel leven is, en niet het verstand, het intellect, het intellectuele, de rede… Het hart moet de rede leiden en niet omgekeerd. Iedere keuze, iedere levenskeuze die wij doen moet vanuit het hart vertrekken. Iedere wilsuiting, iedere manifestatie van onze vrije wil moet door het hart worden genspireerd. Wat meer is : alle menselijke handelingen moeten vanuit het hart uitgaan.

         Het hart is de intiemste plaats van ons bestaan, de plaats van waaruit liefde uitstraalt, de plaats waar God zich laat voelen, de plaats waarin God Zijn intrek neemt en waar God ons wil ontmoeten. Het hart is de plaats van waaruit wij kunnen bidden, waar wij de stilte kunnen vinden om het diepste van onszelf te ontdekken.

         Het “denken”, de “rede” bouwt voortdurend eigen constructies van ons aardse leven op, vaak alleen gebouwd op de grondvesten van een “wereldse logica”.

         De enige logica van het hart is de “liefde”, de liefde waarvan Apostel Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs spreekt (I Kor. 13, 1-13) : “ Al heb ik de gave der profetie,al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet : als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood : als ik de liefde niet heb, baat het mij niets.

          De enige richtlijn van ons christelijk leven is deze van de “zaligsprekingen”, zoals Jezus ze ons zelf voorhield in Zijn “bergrede” (Mat.5, 1-12).  Wij zijn geroepen om het “zout der aarde” en “het licht der wereld” te zijn (Mat.5, 13-16).

          Vanuit het liefdevolle hart gaat de zachtmoedigheid uit, het geduld en de nederigheid.

          De volheid van ons kerkzijn  manifesteert zich met de woorden die ons naar de Eucharistische eenheid zullen brengen : “Laat ons elkaar beminnen om in eenheid te belijden  : de Vader, de Zoon en de Heilige Geest “.

         In zijn “onderhoud met Motovilov” zei de Heilige Serafim van Sarov : “Zo moet het in feite zijn met de goddelijke genade in het diepste van ons innerlijk,  in ons hart. De Heer heeft gezegd : “Het Koninkrijk der hemelen is binnen in u”  (Lukas 17,21). Onder dat Koninkrijk der hemelen verstaat Hij de genade van de Heilige Geest. Dat Koninkrijk Gods is nu in ons. De Heilige Geest verlicht en verwarmt ons. Hij vervult de omringende lucht met allerhande geuren, verheugt onze zinnen en doordrenkt  onze harten met een onzegbare vreugde. Onze huidige  toestand lijkt op die, waarover de Apostel Paulus zegt : “Het Koninkrijk Gods hangt niet af van spijs en drank, maar is gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest.” (Rom. 14,17). Ons geloof is niet gegrond op woorden van aardse wijsheid maar op de openbaring van de macht van de Geest.” (Serafim van Sarov – van Irina Gorainoff – Monastieke cahiers – Bonheiden 1977 – p. 223-224)

          En Olivier Clément schreef o.m. over de Heilige Serafim van Sarov : “Hij had de naam Serafim gekregen – diegene die van vuur is; hij hield eraan te zeggen : “God is een vuur dat verwarmt en de  harten en binnensten doet  gloeien”.  (“Le visage intérieur” – Olivier Clément – uitg.Stock 1978, p.140 – vrij vertaald)

        Wij kennen de “parabel van de zaaier”, die Jezus ons voorhield (Lukas 8,4-15). Het zaad, dit is het woord Gods, schiet geen wortels wanneer het op de weg valt, of op de rots, of tussen de distels. En de slotzin van de parabel besluit :”Het zaad in de goede aarde zijn zij, die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid.”

        Wij kennen ook de “parabel van de verloren zoon”, die wij in feite beter de “parabel van de barmhartige vader” zouden noemen (Lukas 15,11-32). Luisterend naar het verhaal zijn wij geneigd te zeggen : de verloren zoon heeft zijn ellendig leven veroorzaakt; hij moet maar de gevolgen dragen van zijn losbandigheid. De barmhartige vader echter laat alleen zijn “hart” spreken. Hij vergeet en vergeeft alles! Hij loopt zijn zoon tegemoet, zonder enige opmerking, zonder enig verwijt. Alleen zijn “hart” spreekt. Zijn “hart” leidt heel zijn geest en zijn handelen!“Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk”.  (Lukas 15,20)  De oudste zoon daarentegen, die altijd dacht de” goede” te zijn, filosofeerde met zijn vader en deed hem zelf enig verwijt. Hij voelde zich minderwaardig behandeld, en nochtans bleef hij zijn vader steeds trouw. Ook voor hem had de vader niets dan goede woorden, uitingen van een goed “hart” : “ Jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was  en is teruggevonden.” (Lukas 15,31-32)

        Barm(hart)ig zijn is voortdurend het “hart” laten spreken, boven iedere logica van de rede en van het verstand. Emotioneel zijn, de diepte van de emotie aanvoelen is nooit een schande, een zwakheid, iets waarover men zich moet schamen, of iets dat men moet bekampen!… Alleen “hardvochtigheid” moeten wij bekampen en tegengaan. Een christen, die het “hart” op de rechte plaats draagt, kan of mag nooit “hardvochtig” zijn. Zelfs Jezus liet zijn “hart” op een bepaald ogenblik leiden door Zijn emoties. Zie de “Opwekking van Lazarus” (Joh.11,33-36) : “ Toen Jezus haar zag  wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij : Waar hebt gij hem neergelegd? Zij zeiden Hem : kom en zie, Heer. Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden : zie eens hoe Hij van hem hield”.

        Nog te vaak wordt in onze samenleving, ten onrechte, gedacht dat een vrouw wel emoties mag hebben en mag wenen. Een man zou dit niet mogen!… En waarom niet?…Alleen een wereldse samenleving die wijzelf opgebouwd hebben duldt dit niet, heeft het woordje “hart” vervangen door “hard”! De emoties zijn de gevoelens van medeleven met diegenen die ons omringen of omringden wanneer zij thans ontslapen zijn. De emoties zijn uitingen van affectie, vreugde of verdriet, steeds uitgaande vanuit het diepste van ons hart, vanuit diezelfde plaats waar wij God mogen onthalen, ontmoeten en waar Hij aanwezig blijft.

          Zelfs in het theologisch denken waarschuwt de gekende orthodoxe theoloog Vladimir Lossky ons voor een te “cerebrale” theologie. “In een bepaalde zin is iedere theologie mystiek, voor zover zij het goddelijk mysterie en de gegevens van de openbaring manifesteert.”   En hij voegt eraan toe : “Er is dus geen christelijke mystiek zonder theologie, maar vooral is er geen theologie zonder mystiek.  Welnu iedere “mystiek” gaat uit van het “hart”, de plaats waar de persoonlijke God-menselijke relatie ontstaat en zich ontwikkelt. “De christelijke theologie is uiteindelijk altijd een middel, een geheel van kennissen , die een doel moeten dienen, dat iedere kennis overschrijdt. Dit uiteindelijk doel is de eenheid met God of de deïficatie, of de theosis van de Griekse Kerkvaders.”  ( Theologie Mystique de l’Eglise d’Orient – Vladimir Lossky – Ed.Montaigne – Aubier  1944, p.5-7)

         Tenslotte voelen wij in de hele kerkelijke benadering en beleving van de Orthodoxe Kerk hoe – totaal verschillend met de Westerse Kerken – het “hart” het uitgangspunt is van iedere relatie, en echt centraal staat! Bisschoppen, priesters, diakens en gelovigen “omhelzen” mekaar bij iedere ontmoeting. Geen “wereldse” handdruk, wel een broederlijke begroeting komende vanuit het diepste van het “hart”. Zonder woorden is reeds veel gezegd. Zonder woorden staan wij reeds heel dicht bij mekaar, op concrete wijze uiting gevend aan onze eucharistische verbondenheid, door dewelke wij broeders en zusters in Christus geworden zijn, een nog sterkere band dan deze van de fysische familieband. Wat mij dan persoonlijk steeds bijblijft is de patriarchale omhelzing die ik ooit mocht krijgen van onze Oecumenische Patriarch Bartholomeos (en voor hem van Patriarch Athenagoras), van Patriarch Alexis van Moskou, van Patriarch Teoctist van Roemenië… maar eveneens de omhelzingen met de meest eenvoudige onbekende medegelovigen, zowel hier  ter plaatse in onze kerk als in Griekenland, Rusland, Roemenië, Frankrijk, Engeland, Duitsland…of op onze orthodoxe congressen. Ieder orthodox gelovige moet beseffen dat die wederzijdse broederlijke omhelzing spiritueel heel belangrijk is.

         Maar er is nog meer : in heel het liturgisch en sacramenteel leven van de Orthodoxe Kerk ligt het spiritueel vertrekpunt in het “hart”: de vele namen die genoemd worden bij de dyptieken (voorbereidende liturgie), bij de ekteniën en bij de commemoratie door de celebrant bij de Grote Intocht, zijn opeenvolgende concrete uitingen van liefde. Alle genoemden worden liefdevol benaderd en participeren aldus met ons mee aan het liturgisch gebeuren. Wij bidden met hen en voor hen, steeds met God in ons midden. En in het sacramenteel leven van de Kerk, in de “mysteries”, laat telkens opnieuw de priester zijn “vaderlijk hart” voelen. Ieder sacramenteel handelen is een “liefdesdaad” bij uitstek, steeds bezegeld en gerealiseerd door de kracht van de Heilige Geest. Het gaat om een “goddelijke filantropie” die de bovenhand moet hebben boven de “beredeneringen, de wetten en de tijd” (“Des mystères sacramentels” – Constantin Andronikof  – Cerf, Paris 1998, p.179)

         De hedendaagse mens vergeet zo vaak zich door zijn hart te laten leiden, zijn hart te laten spreken, de stilte van zijn hart te ontdekken. En wij?…Hebben wij reeds de onschatbare rijkdom van ons hart gevonden? In ons hart  kunnen wij iedere dag God ontmoeten en liefhebben…en tot Hem spreken in het intiemste van ons gebed. Vanuit ons hart  kunnen wij allen liefhebben, die God op onze weg wist te plaatsen, op de eerste plaats onze echtgenoot of echtgenote, onze ouders, kinderen, familieleden, vrienden, de leden van onze communauteit en zovele anderen, bekenden of onbekenden, gelovigen of niet-gelovigen. Ons hart  moet zeer groot en ruim zijn om allen in onze liefde te omvatten, steeds bewust dat alleen Gods oneindige Liefde  onze povere, zwakmenselijke liefde kan voeden! God is steeds in alles en voor allen de Grote Barmhartige Daarom moeten wij eveneens onvermoeibaar barmhartig  zijn, vervuld door de kracht van de Heilige Geest.

 Vader Ignace

Heilige Gregorius van Nyssa

Heiligenleven

De Heilige Gregorios van Nyssa

 

Gregorios van Nyssa.jpg

                                                 Gregorius van Nyssa

 

De heilige Gregorios van Nyssa was  een broer van de heilige Basilius, en ook hij was een Kerkvader van groot formaat. Hij was een bijzonder begaafd redenaar en had daar ook zijn beroep van gemaakt als filosoof en rhetor. Hij was gehuwd met Theosba, maar de familievriend Gregorius van Nazianze wist hen te overtuigen dat hij zich geheel aan de Kerk moesten wijden, die in nood was door de ariaanse twisten. Op veertigjarige leeftijd werd hij eigenlijk tegen zijn zin door Basilios tot bisschop van Nyssa gewijd, in 372. Met heel de overtuigingskracht van zijn meeslepende welsprekendheid zette hij zich in voor de waarheid van de Orthodoxie. Hij wekte daardoor de ontstemming van de ariaanse heersers : In 376 werd hij afgezet, doch na twee jaar weer uit zijn ballingschap teruggeroepen. Nog twintig jaar heeft hij zijn diocees bestuurd. Ook hij nam deel aan het Concilie van Constantinopel in 381, voor de voltooiing van de Geloofsbelijdenis. Vooral het laatste deel met de artikelen over de heilige Geest en de Kerk  kwam onder zijn invloed tot stand. Hij is de diepste denker van de Cappadocische vaders en heeft belangrijke boeken nagelaten over de Heilige Drie-eenheid, waar hij met kracht de volkomen Godheid van de Geest verkondigde tegenover de leer van Makedonios. Ook over veel andere theologische onderwerpen heeft hij waardevolle geschriften nagelaten; vooral door zijn mensbeschouwing is hij juist in deze tijd weer bijzonder actueel . Zeer waardevol van zijn hand is ook de levensbeschrijving die hij gegeven heeft van de oudste zuster uit dat bijzondere gezin, de heilige Makrina. Hij is gestorven in 395, 64 jaar oud, als de zeer geliefde bisschop van Nyssa, nadat hij nog herhaalde malen in ballingschap had moeten gaan.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster Den Haag

25e zondag na Pinksteren, 8e na de kruisverheffing

25e zondag na Pinksteren, 8e na de Kruisverheffing

“De barmhartige Samaritaan”

 

Barmhartige Samaritaan 51.jpg

Barmhartige Samaritaan door Van Gogh

 

LEZINGEN

Ef.4,1-6

Eenheid in verscheidenheid
Ik, de gevangene in de Heer, vraag u dus met aandrang om een leven te leiden dat beantwoordt aan de roeping die u van God ontvangen hebt, en altijd nederig te zijn, zachtmoedig en geduldig, en elkaar liefdevol te verdragen, vol ijver om de eenheid van de Geest te behouden door de band van de vrede: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop, waarvoor Gods roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen, met allen en in allen.

Evangelie

Lucas 10,25-37

Gesprek met een wetgeleerde; gelijkenis van een barmhartige Samaritaan
     Daar kwam een wetgeleerde naar Hem toe om Hem op de proef te stellen. ‘Rabbi,’ zei hij, ‘wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’ Hij zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Hoe leest u dat?’ Hij gaf ten antwoord: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’ Hij zei tegen hem: ‘Juist geantwoord! Doe dat en u zult leven.’
     Maar hij wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Ja maar, wie is mijn naaste?’ Jezus nam weer het woord en zei: ‘Op reis van Jeruzalem naar Jericho viel iemand in handen van rovers. Ze schudden hem uit, mishandelden hem en lieten hem halfdood achter. Toevallig kwam er een priester langs die weg; hij zag hem, maar liep in een boog om hem heen. Ook een Leviet die voorbijkwam en hem zag, liep in een boog om hem heen. Toen kwam er een Samaritaan langs die op reis was; hij zag hem en was ten diepste met hem begaan. Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Toen zette hij hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een herberg, waar hij hem verder verzorgde. De volgende ochtend haalde hij twee denariën tevoorschijn en gaf ze aan de waard. “Zorg voor hem,” zei hij, “en als u nog meer kosten moet maken, zal ik ze u op mijn terugreis vergoeden.” Wie van die drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers was gevallen?’ Hij zei: ‘Hij die hem barmhartigheid heeft bewezen.’ Jezus zei tegen hem: ‘Doe dan voortaan net als hij.’

Simeon de Nieuwe Theoloog : Het was God Die sprak

 

Simeon de Nieuwe Theoloog :

Simeon de neuwe theoloog + basilios.jpg 

Simeon de Nieuwe Theoloog en Basilios 

 

 

 Het was God Die sprak : “Er zij licht”.

En dadelijk werd het licht.

Daarom, als Hij schijnt als een spiritueel licht

In een hart, verschijnt als een lichtflits

of straalt als de machtige zon – wat, dunkt gij,

Kan Hij (wel niet) doen als Hij

De ziel van een volgeling verlicht ?

Kan Hij haar niet zozeer verlichten

dat zij een volmaakt heldere kennis heeft

van God en hoe Hij in haar woont ?

Makarios van Egypte : Ons geheel aan Hem overgeven

H. Macarius (? – 405), monnik in Egypte
Geestelijke overwegingen

Ons geheel aan Hem overgeven

 

Macarius van EGYPTE (ca 300-391)11.jpg222.jpg

Macarios van Egypte   

 

   Hoe is het toch mogelijk dat ondanks de aanmoedigingen en de beloftes van de Heer, wij weigeren om ons volledig aan Hem over te geven en zonder terughoudendheid af te zien van alles, zelfs van ons eigen leven, zoals het in het Evangelie staat (Lc 14,26), om alleen Hem lief te hebben en niets anders dan Hem?

      Beschouw alles wat voor ons gemaakt is: wat een heerlijkheid ons gegeven is, wat een schikkingen, als we naar de heilsgeschiedenis kijken, door onze Heer gedaan zijn sinds de vaderen en de profeten, wat een beloftes, wat een verhoringen, wat een barmhartigheid van de kant van de Meester sinds het begin! Op het eind heeft Hij zijn onuitsprekelijke welwillendheid jegens ons getoond, door zelf bij ons komen te wonen en door aan het kruis te sterven om ons te bekeren en ons mee te nemen naar het leven. En wij laten onze eigen wil niet schieten, onze liefde voor de wereld, onze slechte neigingen en gewoontes, daardoor lijken we op mensen met weinig geloof of zelfs zonder geloof.

      En toch, zie hoe, ondanks dat alles, God zich vol met zachtaardige goedheid toont. Hij beschermt ons en verzorgt ons onzichtbaar; ondanks onze fouten levert Hij ons niet definitief uit aan de slechtheid en aan de illusies van deze wereld; door zijn grote geduld verhindert Hij dat wij vergaan en bespeurt Hij van verre reeds het moment waarop wij ons naar Hem zullen keren.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Georges Drobot : het licht in ce icoon

 

 

Het licht in de icoon

Door Vader Georges Drobot

 

christus22222.jpg

 

 

Het licht is van groot belang in de orthodoxe Kerk, om niet te zeggen van essentieel belang. Het woord “licht” komt voortdurend terug in de liturgische teksten – in de loop van de celebraties alsook in het persoonlijk gebed steekt men telken opnieuw de olielampen of de kaarsen aan. Het fysisch licht – dit van de sterren of de lichtbronnen – wordt het symbool van het eeuwige licht van het Koninkrijk van God.

De sacrale kunst van de orthodoxe Kerk, of het nu gaat om iconen, mosaïeken en fresco’s die de muren van een kerk versieren, is essentieel een liturgische kunst. Ze geven in beelden de geschiedenis van het heil weer dat verlicht wordt door de teksten van de kerkvaders en liturgische teksten, die gelezen of gezongen worden gedurende de diensten. Welnu, de orthodoxe liturgische cyclussen stemmen overeen met het cosmisch rythme  volgens dewelke onze aarde leeft. “Bidt zonder ophouden” (1 Thess.5,17) is het gebod dat het gebedsleven van elke christen regelt . Dit onophoudelijk gebed, eeuwig, incarneert zich in de cyclussen van de aardse tijden en wordt geregeld door het verloop van de zon.

De dagelijkse liturgische cyclus begint ’s avonds, volgens het Bijbelwoord : “Er was een avond en er was een morgen, het was  dag (Gen 1) Op het uur van het slapengaan, zingt men in de vespers de hymne van de heilige Sophronius van Jeruzalem : “ Vriendelijk licht der heilige glorie des onsterfelijken, hemelsen en heilige Vaders, Jezus Christus. Weer aangeland bij zonsondergang, schouwend het avondlicht. Zingen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest een lofzang van God”. Dit “vriendelijk licht” is geen eenvoudige woordelijke uitdrukking om te spreken van het ongeschapen licht van het Koninkrijk van God. Het drukt hier het visioen uit van de weerspiegeling van het goddelijk licht van de geschapen wereld, dat deze zang vervult van dankzegging. Het zachte, vriendelijke licht van de avond doet de verwachting van het opkomende licht van de morgen van de Verrijzenis levendig voor ogen houden.

Vervolgens komt de morgen die begint met de verheerlijking van God, schepper van het menselijk geslacht, aan wie hij de bekwaamheid geeft om het licht te zien – dit licht dat voor ons brand en dat wij met  onze ogen kunnen aanschouwen, het fysieke licht, en dat wat onze ziel kan waarnemen : het ongeschapen licht van het Koninkrijk. Op het einde van de Metten, roept de priester :” Eer aan U die ons het licht laat zien!”, en de assistent antwoordt hem :”Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil…”.

 De lofprijzing tot God, Schepper en Gever van het licht is een onophoudelijke lofprijzing die het leven van de mens bepaalt of juister gezegd die al zijn daden oriënteert en  eindigt met ze te transfigureren : dat is de lering van de orthodoxe Kerk. Zo een “getransfigureerd” wezen transfigureert alles : zijn omgeving, de mensen die hem ontmoeten, de natuur die hem omringt, zoals wij het bijvoorbeeld weten van de heilige Serafim van Sarov. Hij heeft  anderen het licht van het koninkrijk laten  zien waarin hij reeds verkeerde vóór het einde van zijn leven, en hij groette hen die kwamen om hem te zien met de woorden : “Christus is verrezen, mijn vreugde !”.

Dus is het niet verbazingwekkend dat de liturgische diensten van Pasen diegene zijn die het goddelijk licht bezingen op een bijna onophoudelijke wijze. En als men weet, dat de zondag voor de christen de dag is van de Verrijzenis en haar licht, dan kan men zich voorstellen dat de sacrale kunst zal pogen te laten zien wat een paasgezang zegt : “ Vandaag is alles vervuld van licht : de hemel, de aarde en zelfs de hel. Dat gans de schepping de verrijzenis van Christus bezinge waarin onze kracht ligt.

De spiritualiteit van deze kunst die onafscheidelijk is van het liturgisch leven van de Kerk drukt zich vooreerst uit in de onderworpenheid, de gehoorzaamheid van de artist-iconograaf (schilder van iconen, miniaturen, fresco’s of mozaïeken) aan zijn spiritueel doel, dit verklaart het instrumentele aspect van zijn werk. Het is moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om het lichtgevend visioen van de spirituele wereld weer te geven in de gangbare vormen van kunst, want sprekend over het concrete – de menswording van het Woord van God, moet hij de spiritualiteit proberen weer te geven in zijn structuur. De “materiële” realiteit van de incarnatie sluit elke vorm van non-figuratieve vormen uit, “ het van zijn stoffelijk omhulsel ontdoen”, en de notie van het ongeschapen transfigurerend licht, dat ons het Koninkrijk van God onthult, laat geen naturalisme toe.

Onafscheidelijk van het leven van de orthodoxe Kerk, is de icoon dikwijls gekenmerkt als “theologie in kleuren”. Zoals elke waarachtige theologie, hangt de icoon af van de mystieke en theologische ervaring  van zijn auteur (want de Kerk van het Oosten scheidt nooit de mystiek van de theologie die, volgens haar noodzakelijk aanvullend  zijn binnen elke menselijke poging om God te benaderen) Het is bovendien zo dat de makers van deze theologische beelden welke de iconen zijn meestal onbekend blijven. Dit is vooral te wijten aan het feit dat zij een waarheid verkondigen welke oneindig meer belangrijk is dan hun eigen persoon. Door het ongeschapen goddelijk licht te tonen en de spirituele realiteit te bezingen, beschouwt de iconenschilder slechts de opperste waarheid die hem zichzelf doet vergeten. Daardoor is zijn persoonlijkheid getransfigureerd door het antwoord dan van boven komt. Ziedaar hoe, door zichzelf te vergeten of veeleer door meer transparant te worden voor de spirituele wereld, de iconograaf dit kan aantonen in zijn werk.

Om een beetje het woord ‘Icoon” te begrijpen in de orthodoxe wereld zou men het woord moeten schrijven met een grote “I”, want de ICOON is het beeld bij uitstek van de persoon of de afgebeelde gebeurtenis. Zij wil aan de toeschouwer de essentie zelf, de diepe waarheid van de personen en de dingen aantonen, zoals ze zich openbaren aan het eeuwige licht waarin ze baden en hen doordringt. De icoon toont ons geen uiterlijk voorkomen  van het moment, maar openbaart ons door haar transparantie de absolute betekenis van het voorgestelde. Zij is openbaring en lering, deelnemer en deelgenomene in de uitwisseling die zich heeft voltrokken tussen haar en door haar, tussen hem die ervoor bidt en de spirituele wereld. Immers, zo moet de functie van de icoon gezien worden volgens de formulering die tot stand is gekomen op het VIIe Oecumenisch Concilie welke de controverse moest sluiten rond de legitimiteit van de iconen : de ICOON moet de mens overtreffen in wat hijaan zijn fysieke blik voorstelt en zijn geest helpen om zich te richten op zijn Archetype.

Het fysieke licht staat ons toe om de goddelijke schepping waar te nemen en ze te integreren in ons bewustzijn op een wijze die helemaal specifiek is, verschillend van deze welke onze andere zintuigen ons bieden. Het goddelijk licht openbaart de zijnden en de dingen in hun waarheid en in hun schoonheid waarmee de Schepper hen heeft bekleed bij het begin, zonder dat een schaduw hen komt bezoedelen. De grote zieners waarvan de Bijbel ons de getuigenissen biedt, hebben gepoogd om hun visioenen van deze wereld zonder duisternis te beschrijven evenals zij hen de menselijke taal hebben toegestaan. Bijvoorbeeld : het visioen van Johannes : “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de stad Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant (…)De stad was van zuiver goud, gelijkend op zuiver glas (…) De stad had geen nood aan de zon noch aan de maan om haar te verlichten, want de glorie van God verlichtte hem (…) Er zal geen nacht meer zijn : en zij hebben geen nood aan een lamp, noch aan licht, want de heer God zal hem verlichten” (Apoc.21,10-11;18,23-22,5).

In de iconen (de schilderijen op hout, de fresco’s of de mozaïeken) is er geen bron van bepaald licht noch van schaduw. De gezichten en de lichamen schijnen van binnenuit te verlichten, door het licht dat God ze geeft “aan elke mens die op de wereld komt”, volgens een liturgisch gebed, dat vervolgt :” Dat de weerschijn van het licht van uw aangezicht zijn sporen mag achterlaten…” De  silhouetten van de personnages en het decor maken zich los op een lichte achtergrond, meestal verguld, maar ook een artistiek middel die korte metten maakt met de zwakke wil om een indruk van diepgang te geven, een verre illusie te scheppen. De icoon zegt de waarheid, zij wil geen illusie geven van wat dan ook. Zij wil iets betekenen, de weg tonen,zoals een verkeersteken of symbool (waarvan de reden van bestaan zich op een totaal ander vlak situeert), zij zal nooit effecten van optische illusie wekken.

Om dezelfde reden, ’t is te zeggen,om  te getuigen van een wereld van zuiver licht, gebruikt de icoon heldere kleuren die kunnen op elkaar gelegd worden, maar zich niet vermengen en zo hun glans zouden verliezen. De zieners van de Bijbel zoeken hun visioenen uit te drukken door het gekleurde licht te vergelijken met kostbare stenen of goud : “ In mijn visioen zag ik hoe een storm uit het noorden op kwam zetten : een grote wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed : de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal(…) Boven het gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zoiets als een safiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar. Ik zag een schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als metaal alsof er vuur in zijn binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde. Zoals de boog er uit ziet, die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahweh” (Ezechiël 1,4 ; 26-28). De oude Russische iconografen verkozen de weerschijn van deze schittering te zien in de modeste bloemen op het veld, waarvan zij zich inspireerden in hun gekleurde composities.

De tempel, de kerk is de  bevoorrechte liturgische ruimte, de plaats waar men bijeenkomt “in Naam van Jezus Christus”, volgens zijn gebod, waar de cherubijnen de troon van God omringen, zoals de orthodoxe liturgische hymne het zegt, om de Eucharistie te celebreren die de dankzegging bij uitstek is. Deze plaats is dus het symbool zelf van de geschapen wereld zoals zijn Schepper het ziet, zonder tijdelijke en ruimtelijke limieten. Een Syrisch gedicht uit de  VIe eeuw beschrijft op deze wijze de kerk van de heilige Sophia van Edessa (toegewijd in feite aan Christus die de wijsheid is – Sophia van God : “ haar uitgestrekte en schitterende bogen stellen de vier delen van de wereld voor, de veelheid en haar kleuren doet denken aan de roemrijke regenboog in de wolken (…). Haar dak uitgestrekt als de hemel : haar colommen, gewelfd en gesloten, zij is versiert met gouden mozaïeken, zoals het firmament met schitterende sterren. En haar verheven koepel is vergelijkbaar met de hemel der hemelen” Ten slotte besluit de auteur van het gedicht “Verheven zijn de mysteries van deze Tempel betreffende de hemelen en de aarde : in haar wordt de verheven Drie-eenheid op een typische wijze voorgesteld (’t is te zeggen, symbolisch), als ook het Heilsplan van onze Redder”.

De mozaïeken of de fresco’s die een kerk versieren stemmen dus overeen met dit ideaal programma. Het is het ontroerend licht van de ondergrond van de mozaïeken of de ruimtes, dikwijls in het blauw, en de ondergrond van de fresco’s  proberen de kwaliteit van het licht zonder verval van het eeuwig Koninkrijk van God te tonen. Nadat wij het belang van het beeld, zijn typische strengheid hebben gegeven(omdat, zoals wij hebben gezien, de icoon de waarheid van elk personage  moet meedelen, dus moeten de karakteristieken gerespecteerd worden),is het zo dat de orthodoxe kerken geen geschilderde ramen hebben, nochtans zijn zij zeker ook ontstaan van uit dezelfde wil om een wereld te tonen die gemaakt is van licht en transparantie. Zoals de icoon die, bij afwezigheid van diepgang, het menselijk psychisme verplicht om terug tot zichzelf te komen om het Archetype te vinden en dit vertrekkend vanuit de diepte van zijn spiritueel zijn. Zo staat de orthodoxe kerk  aan de rusteloze menselijke geest niet toe om van het uitwendige te vertrekken maar het opnieuw te centreren in het licht van het beeld van Christus die het gebouw domineert, om het nogmaals  te zeggen, het goddelijk beeld moet teruggevonden worden in het innerlijke van onszelf, dat ons zal leiden naar zijn Archetype.

Meestal zijn we ver van dit ideaal, vooral op onze dagen. Uit gewoonte zien wij de geschiedenis van de kunst, ook de sacrale kunst, als een evolutie, welbepaald als een vooruitgang. Welnu, de evolutie is niet synoniem met perfectie – dikwijls omvat zij de vernieling van de verworven wijsheid, de culturen, de kunstvormen en zelfs — de mens.

De kunst wordt gezien als een weerspiegeling van haar tijd. En indien deze tijd is geplaatst onder het teken van de vernieling ? Dus, als een weerspiegeling van de tijd zal de kunst aan zelfdestructie doen. Tenslotte, de geschiedenis van de kunst is een geschiedenis van schepping en destructie. Deze voortdurende strijd is de oorzaak van enorme verliezen en wij bewaren er weinig van. Het is altijd gemakkelijker van de vernielen dan van te scheppen….

In de loop van het scheppingsproces, schept en vernielt de mens, vergist hij zich en gaat achteruit, om tenslotte opnieuw te scheppen. Maar de enige activiteit van de mens die aanvaardbaar is ,is zijn scheppende activiteit, want de mens is geschapen naar het beeld van zijn Schepper,  en zijn geschiktheid om te scheppen is de goddelijke vonk die hij van God heeft gekregen. De creativiteit komt dus op de tweede plaats, hij bereikt slechts de oorspronkelijke waarde indien hij zich richt op zijn Bron en wanneer hij zijn licht uitstraalt. Wanneer de mens deze Bron van scheppende energie vergeet, dan wordt zijn activiteit al vlug destructief.

Wanneer ik denk aan alles wat vernield is in de loop van de evolutie van de kunst en aan alles dat ook nu nog weloverwogen wordt vernield, dan heb ik lust om met Jesaja uit te roepen :” schildwacht wat denkt je van de nacht ?(Jes.21,11) Het is door het licht te zoeken dat men bemerkt dat alleen het goddelijk Licht ons de essentie van het licht kan mededelen. “In uw licht zullen wij het licht zien !” (Psalm 36,10). Moge het zich verder openbaren in de iconen !

Vader Georges drobot : Uittreksel van : Lumière et théophanie – L’Icone, Numero hors série de la revue Connaissance des religions, 1999.

Vertaling : Kris Biesbroeck

De heilige Adelheid

Heiligenleven

 De heilige Adelheid

 

Adelheid.jpg

De heilige Adelheid is geboren in Selz, Elzas in 931. Zij was de gemaling van de westelijke Keizer Otto I, en later regentes over haar kleinzoon Otto III. Zij was één van de invloedrijkste vrouwen uit de 10e eeuw. Zij hielp de Duitse Kerk te versterken, terwijl zij ondergeschikt was aan de keizerlijke macht. Zij werd gekroond tot keizerin door paus Johannes XII in Rome in 962.

De heilige Keizerin Adelheid was een vriendelijke, godsdienstige en warmhartige vrouw, omspoeld door een zee van gewelddadige familieleden die aasden op macht, waardoor zijzelf ook nog gevangen is geweest. Zij had ook veel te lijden door haar Griekse schoondochter Theofano, de Byzantijnse prinses die met haar zoon was getrouwd.  Zij reggeerde tot Otto III de leeftijd had , en toen hij heilig Romeinse keizer werd in  996, nam zij afscheid van het hofleven. Zij heeft kloosters gesticht en hersteld in Saksen, Italië en Bourgondië. Herhaalde malen wist zij ook vrede te stichten tussen de strijdende groeperingen. Tijdens één van haar reizen is zij gestorven in 999.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster – Den Haag

24e zondag na Pinksteren, 7e na de kruisverheffing

24e zondag na Pinksteren, 7e na de Kruisverheffing

“De opstanding van het dochtertje van Jaïrus”

 

 

jairus2.jpg

 

LEZINGEN :

Ef.2,14-22

Want Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden één gemaakt heeft, en de scheidsmuur heeft neergehaald, door in zijn vlees de vijandschap, de wet met haar geboden en verordeningen, te vernietigen. Hij heeft vrede gesticht door in zijn persoon uit die twee één nieuwe mens te scheppen, en beiden in één lichaam met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap heeft gedood. En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u die veraf was en vrede aan hen die dichtbij waren. Want door Hem hebben wij beiden in één Geest toegang tot de Vader.
     Zo bent u dus geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Christus Jezus zelf de hoeksteen is. Op Hem, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt, groeit  het uit tot een heilige tempel in de Heer. Op Hem wordt ook u mee opgebouwd tot een woning van God, in de Geest.

EVANGELIE :

Lucas 8,41-56 :

 Daar kwam een man naar voren, een zekere Jaïrus, hoofd van de synagoge. Hij wierp zich aan zijn voeten en smeekte Hem mee te gaan naar zijn huis,
omdat zijn enig kind, een dochter van een jaar of twaalf, op sterven lag.

     Op weg daar naartoe raakte Jezus bekneld in de mensenmassa. Een vrouw die al twaalf jaar aan vloeiingen leed en haar hele inkomen aan dokters had besteed zonder bij iemand genezing te vinden, kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van zijn kleren aan. Onmiddellijk hielden haar vloeiingen op. Jezus vroeg: ‘Wie heeft Me aangeraakt?’ Iedereen ontkende het en Petrus zei: ‘Meester, al die mensen staan te duwen en te dringen om U heen.’ Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft Me aangeraakt, want Ik heb kracht van Mij voelen uitstromen.’ Omdat de vrouw besefte dat het niet verborgen kon blijven, kwam ze bevend naar Jezus toe, wierp zich neer voor zijn voeten, en vertelde waar het hele volk bij stond waarom ze Hem had aangeraakt en hoe ze onmiddellijk genezen was. Jezus zei tot haar: ‘Mijn dochter, uw vertrouwen is uw redding; ga in vrede.’
     Hij was nog niet uitgesproken of de voorzitter van de synagoge kreeg van thuis het bericht: ‘Uw dochter is gestorven; val de meester niet langer lastig.’ Jezus hoorde dat en zei tegen Hem: ‘Wees niet bang; heb maar vertrouwen, dan zal ze gered worden.’ Bij het huis gekomen liet Hij alleen Petrus, Johannes en Jakobus mee naar binnen gaan, en de vader en de moeder van het meisje. Iedereen was in tranen en rouwde om haar, maar Jezus zei: ‘Huil niet; ze is niet gestorven, ze slaapt.’ Ze lachten Hem uit, omdat ze ervan overtuigd waren dat ze gestorven was. Hij pakte haar echter bij de hand en riep: ‘Meisje, sta op.’ Het leven keerde in haar terug, ze stond onmiddellijk op, en Jezus liet haar te eten geven. Haar ouders stonden versteld, maar Hij verbood hun met iemand te praten over wat er was gebeurd.

Citaat : Makarios de Grote

 Makarios de Grote :

 macarius_the_great1.jpg

Soms kan de vlam van een lamp

Oplaaien en hevig branden.

Andere keren brandt zij zacht en stil.

Soms licht de vlam plotseling op

en geeft een sterk licht af.

Andere keren verspreidt de kleine vlam

slechts een flauw licht.

Zo is het ook gesteld met de lamp

van de genade in de ziel.

Hij is altijd ontstoken en

geeft onophoudelijk licht,

Maar als hij opvlamt en

zijn bijzondere straling verspreidt,

is het alsof de ziel dronken is van de liefde Gods.

Andere keren, bepaald door God zelf,

is het licht er nog wel,

Maar is het slechts een zachte gloed