Isaak de Syriër bloemlezing

Isaak de Syriër :

Over de schade die de bittere ijver, die zich in ijver voor God vermomt, veroorzaakt, en over de hulp die de zachtmoedigheid en andere deugden verlenen

Eerste verzameling, discours 58

Deel 2

 

Isaac_the_Syrian (groot formaat).jpg

 

Isaak de Syriër (van Ninive)

13.

Een rechtvaardig mens, maar verstoten van wijsheid, is als een lamp in volle zon. Het gebed van wie zich beledigingen herinnert, is als een zaad dat op de rots is geworpen. Een asceet zonder barmhartigheid is als een onvruchtbare boom. Een verwijt dat voortkomt uit het begeren, is als een vergiftigde pijl. Een lofbetuiging die voortkomt uit dubbelhartigheid , is een verborgen valkuil. Een onredelijke raadgever is als een blinde leider. De kring van de spotters breekt het hart. Geregeld een wijs man bezoeken, is als een verfrissende bron. Een wijze raadgever is een veilige schutsmuur. Een onredelijke vriend en verstoten van wijsheid, is een vat vol onheil. Het is beter een huis in rouw te zien dan een wijze die een dwaas volgt. Het is beter bij wilde dieren te verblijven dan met begerige lieden. Het is beter en een graf te wonen dan met verdorven mensen. Verkies eerder te leven met gieren dan met hebzuchtige en onverzadigbare mensen. Heb liever een moordenaar als gezel dan een ruziemaker. Verkies het gezelschap van een zwijn boven dat van een gulzigaard, want de pens van een zwijn is beter in de mond van een gulzigaard. Verkies het gezelschap van melaatsen boven dat van trotsen.

14.

Wees vervolgd,maar vervolg niet. Wees gekruisigd, maar kruisig niet, lijd onrechtvaardigheid, maar bega geen onrechtvaardigheid. Word neergehaald, maar haal niet neer. Wees lankmoedig en geef geen blijk van slechts ijver. Zich als rechter gedragen, past niet in de zeden van de christenen. Er is niets dergelijks in het onderricht van Christus. Wees blij met wie blij zijn, en ween met wie wenen : dit is het teken van de helderheid van de ziel. Lijd mee met de zieken, maak je te doen met de zondaars, verheug je met wie berouw tonen. Wees de vriend van elke mens, maar blijf alleen in je gedachte. Deel in het lijden van allen, maar blijf lichamelijk ver van allen. Wijs niemand terecht, richt verwijten aan niemand, zelfs niet aan wie een heel slecht leven lijden. Spreid je mantel over de zondaar, en bedek hem. Als je niet in staat bent zijn zonden op je te nemen en het oordeel erover te dragen in zijn plaats, deel tenminste zijn schaamte, veeleer dan hem te schande te maken.

15.

Weet mijn broeder dat, als wij binnen in onze cel moeten blijven, dan is dat om de slechte handelingen van de mensen niet te kennen en om zodoende ze alle te kunnen beschouwen als heilige en goed, in de zuiverheid van onze geest. Als wij makers worden van verwijten, lieden (worden) die er op uit zijn om anderen te oordelen, onderzoekers, kritische geesten, wezens die steeds onvoldaan zijn, waarin zou ons leven uiteindelijk verschillen van dat van de bewoners  van de steden ? Wat is erger dan ons leven in de woestijn als we aan dit alles niet zouden verzaken ?

16.

Als je niet in staat bent om de stilte in je hart te bewaren, bewaar ten minste deze van je tong. Als je niet in staat bent om je gedachten te bedwingen, bedwing dan ten minste je zintuigen. Als je niet in staat bent om alleen te zijn in je gedachte, wees ten minste lichamelijk alleen. En als je de ascese van het lichaam niet kan beoefenen, wees dan ten minste kommervol in je gedachte. En als je gedurende de nachtwake niet kan blijven rechtstaan, blijf dan wakker terwijl je op je bed zit, of zelfs neerligt. Als je geen kracht hebt om twee dagen zonder voedsel te blijven, vast dan tenminste tot de avond, wees dan ten minste op je hoede voor de verzadiging. Als je niet zuiver bent in je hart, wees dan tenminste zuiver van lichaam. Als je geen kommer draagt in je hart, draag dan tenminste het berouw op je gelaat. Als je niet in staat bent om barmhartig te zijn, spreek dan in het bewustzijn uit dat je een zondaar bent. Als je geen vredestichter bent, wees dan tenminste geen stichter van verwarring. Als je niet in staat bent om vol vurigheid te zijn, wees dan tenminste nederig in je geest. Als je niet in staat bent om overwinnaar te zijn, veracht dan niet wie overwonnen is. Als je niet de moed hebt de mond te sluiten van wie over zijn naaste kwaad spreekt, hoed je er dan toch voor het eens te zijn met hem.

17.

Weet dat, als er een vuur uit je hart komt en (het) de anderen verbrandt, God je rekenschap zal vragen voor de zielen die door het vuur dat uit jou kwam, verteerd zijn. En als jij het vuur niet hebt aangestoken maar het eens waart met hem die het ontstak en er plezier in vond, weet dat je zijn metgezel zult zijn bij het oordeel.

18.

Als je van de zachtmoedigheid houdt, wees vredelievend. En als je de vrede waardig bent  bevonden, zal je ten allen tijde vol vreugde zijn. Zoek de wijsheid, en niet het goud. Bekleed je met nederigheid, en niet met purper. Verover de vrede, en geen (aards) koningschap. Wie de nederigheid niet bezit is niet verstandig. Wie niet vredelievend is, is niet nederig. En niemand is vredelievend zonder vreugdevol te zijn. Langs geen van de wegen waarop de mensen lopen op deze wereld, zal een mens de vrede vinden, vóór dat hij de ‘hoop op God’ is genaderd. Het hart kan geen vrede vinden te midden van de smarten en moeilijkheden die hij tegenkomt, zolang het niet tot deze joop gekomen is. Zij is het die vrede uitspreidt in het hart en er vreugde uitgiet. Het is van haar dat de aanbiddelijke en alheilige lippen van de Heer spraken toen Hij zei : ‘Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en ik zal u rust schenken’ (Matth.11,28). Nadert, zo zei Hij, tot de joop, en je zal rust vinden, ver van je zwoegen en je angsten.

19.

De hoop op God verheft het hart, en de vrees voor de hel breekt het (hart). Het licht van de gedachte verwekt het geloof. Het geloof verwekt de troost en de hoop, en de hoop sterkt het hart. Het geloof is een inwendige openbaring en als de gedachte verduisterd wordt, dan verbergt het geloof zich, gaat de vrees ons beheersen en onze hoop afsnijden. Het is niet het geloof dat voortkomt uit een onderricht van buitenaf dat de mens bevrijdt van hoogmoed en twijfel, maar het geloof dat ontwaakt en opgaat in het bewustzijn en dat men “epignosis” noemt of openbaring van de waarheid. Zolang de geest dankzij deze inwendige openbaring van God als God waarneemt, kan de vrees het hart niet naderen. Als we dan, opdat we nederig zouden worden, overgelaten worden aan de duisternis en dit bewustzijn (van God) verliezen, dan komt de vrees terug, tot de genade weerom dichterbij ons komt, door de nederigheid en het berouw.

20.

De Zoon van God heeft het kruis verduurd; laten wij dus, wij, zondaars, moed vatten en ons overgeven aan de rouwmoed. Als het aanlichten van de rouwmoed voor Achab de toorn van God afwendde (1 Kon.21,27-29), zal ook ons oprecht berouw heel zeker niet zonder voordeel voor ons blijven. En, als een opflakkering van nederigheid de toorn Gods van hem afwendde – en hij was niet oprecht – hoeveel te meer zal (een ongeveinsde nederigheid) van onzentwege dit bewerken als we op waarachtige wijze over onze fouten kommer voelen. De kommer van de gedachte kan dit (bewerken), beter dan gelijk welke lichamelijke ascese.

21.

De Heilige Gregorius (de Theoloog) heeft gezegd : “Een tempel van God is hij, die nauw met Hem verenigd is en die zonder ophouden bekommerd is over het oordeel !. Waarin bestaat de bezorgdheid over het oordeel, tenzij hierin dat men onophoudelijk zijn rust zoekt en dat men voortdurend in kommer is als men bedenkt dat men de volmaaktheid niet kan bereiken door de zwakheid van onze natuur ?

Onophoudelijk hierover bekommernis voelen, dat is zonder ophouden in zijn ziel de herinnering aan God bewaren. Zoals de gelukzalige Basilius het zegt : “Het gebed zonder verstrooiing is het (het gebed) dat in de ziel de voortdurende gedachte aan God voortbrengt. En het inwonen van God in ons betekent dat we God in onszelf bezitten, omdat de herinnering aan Hem er stevig is ingeplant”, (H.Baslios de grote, Brief 2, Aan Gregorius 4.). Zo worden wij de tempel van God. Dit is onze zorg en dit vermorzelt ons hart, om ons klaar te maken om in zijn rust binnen te gaan.

Hem zij de eer in de eeuwen.

(uit : Heiliging – 1-2/2008)

14e zondag na Pinksteren : onthoofding van Johannes de Doper

14e zondag na Pinksteren

Feest van de Onthoofding van Johannes de Doper

 

Johannes de doper hoofd.jpg

 

LEZINGEN :

 

Handelingen 13,25-32

 Toen Johannes zijn taak had volbracht, zei hij: “Wie u denkt dat ik ben, ben ik niet; maar, let op, na mij komt iemand wiens schoenen ik niet waard ben los te maken.” Broeders, afstammelingen van Abraham en ook u, godvrezenden, wij hebben de taak gekregen deze redding te verkondigen. Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders erkenden Hem niet en door hun vonnis hebben zij de uitspraken van de profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, in vervulling doen gaan. Hoewel ze geen enkele grond voor een doodvonnis konden vinden, eisten ze van Pilatus zijn terechtstelling. Toen ze alles ten uitvoer hadden gebracht wat over Hem geschreven staat, namen ze Hem van het kruis en legden Hem in een graf. Maar God wekte Hem op uit de doden en Hij verscheen gedurende vele dagen aan hen die met Hem van Galilea naar Jeruzalem waren getrokken, en die nu zijn getuigen zijn voor het volk. En wij brengen u de goede boodschap

Marcus 6,14-30 :

 Het levenseinde van Johannes de Doper
     Koning Herodes hoorde over Hem, want zijn naam was bekend geworden, en ze zeiden: ‘Johannes de Doper is uit de doden opgewekt. Daarom zijn die krachten in Hem werkzaam.’ Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia’, en weer anderen: ‘Het is een profeet als andere profeten.’ Toen Herodes dat hoorde, zei hij: ‘Die Johannes, die ik heb laten onthoofden, is uit de doden opgewekt.’ Want zelf had Herodes Johannes laten arresteren en in de gevangenis laten zetten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. Want Johannes had tegen Herodes gezegd: ‘Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te bezitten.’ Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem uit de weg ruimen, maar ze had daartoe niet de macht. Want Herodes had ontzag voor Johannes, in het besef dat deze een rechtvaardige en heilige man was, en hij nam hem in bescherming. Als hij naar hem luisterde, raakte hij steeds in verlegenheid, en toch hoorde hij hem graag. Er kwam een gunstige dag toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hofhouding, de legerleiding en de hoge heren van Galilea. De dochter van hem en Herodias kwam binnen en met haar dans deed ze Herodes en zijn gasten een groot genoegen. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, ik zal het je geven.’ En hij deed er zelfs een eed op: ‘Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk.’Ze ging weg en zei tegen haar moeder: ‘Wat moet ik vragen?’ Die zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ Haastig ging ze recht op de koning af en vroeg: ‘Ik wil dat u mij terstond op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ De koning werd bedroefd, maar vanwege zijn eed en omwille van zijn gasten wilde hij het haar niet weigeren. Meteen stuurde de koning iemand van zijn lijfwacht en gaf het bevel om het hoofd van Johannes te brengen. Die ging weg en onthoofdde hem in de gevangenis. Hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder. Toen zijn leerlingen het hoorden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

Jezus geeft vijfduizend mensen te eten
     De apostelen kwamen terug bij Jezus, en ze vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en hoe ze onderricht gegeven hadden

Johannes de doper onthoofding.jpg

Het leven van de Geest…

Het leven van de Geest

pantokrator 55.jpg

 “ Het leven van de Geest zoekt verschillende wegen om zich naar buiten uit te drukken in concrete gedragingen waarvan liefden de drijfveer is. Wie de ervaring mocht opdoen van Gods Barmhartige Liefde, kan niets anders dan die liefde rond hem uitstralen. ‘Wees volmaakt ( of ‘barmhartig ‘bij Lucas’); zei Jezus, ‘zoals uw Vader in de hemel volmaakt (of ‘barmhartig’ ) is’ (Matth.5,48; Luc.6,36). Hier ligt de eerste bron van wat straks ‘christelijke moraal’ zal genoemd worden. Op de eerste plaats komt de ervaring van het goddelijk leven in elk van ons. Het is een ervaring die kan herkend worden aan bepaalde onbetwistbare criteria : spontaniteit, vrijheid en diepe vreugde. Dit zijn altijd de tekenen van authentiek leven “

Citaat : Dom A LOUF +

Gregorius van Nyssa : Er is hier meer dan Salomo

H. Gregorius van Nyssea (ca 335-395), monnik en bisschop
Homile 1 over het Hooglied

“Er is hier meer dan Salomo”

 

Gregor_von_Nyssa 2212.jpg

      De tekst van het Hooglied van Salomo stelt de ziel voor als een verloofde, getooid voor een onlichamelijke, geestelijke en smetteloze vereniging met God. Degene die “wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen” (1Tm 2,4) zet daar het meest volmaakte middel, het zalige middel om gered te worden, uiteen: ik hoor Hem die uit liefde voorbijkomt. Sommigen kunnen het heil ook zonder vrees vinden: door de straffen te beschouwen die dreigen in de hel, behoeden we ons voor het kwaad. Zo is het ook voor degenen die een oprecht en deugdzaam leven leiden omdat ze hopen op het loon dat bestemd is voor hen die een vroom leven hebben geleid; ze handelen zo niet uit liefde voor het goede, maar uit hoop om beloond te worden.

      Welnu om zich naar de volmaaktheid te begeven, begint men eerst met het verjagen van de vrees uit zijn ziel; dat is een dienstbaar gevoel ervaren van slechts aan zijn meester verbonden te zijn uit liefde… Men bemint “met heel zijn hart en met heel zijn ziel en met heel zijn kracht” (Mc 12,30), niet één van de gaven waarmee men begiftigd is, maar Degene die de bron is van zijn bezit. Zo moet dus een ziel zijn naar hetgeen Salomo zegt…

      Denk je dat ik Salomo, de zoon van Batseba, aanroep die op de berg duizend runderen heeft geofferd en die, op advies van zijn vreemde vrouw, een zonde heeft begaan? Nee. Ik denk aan een andere Salomo die ook naar het vlees geboren is uit het zaad van David; hij heeft als naam `vrede´ [de naam Salomo betekent “man van vrede” (1 Kron 22,9)]. Hij is de ware koning van Israël, de bouwer van de Tempel van God, de houder van de universele kennis. Zijn wijsheid is onvergelijkbaar; nog beter gezegd hij is bij uitstek wijsheid en waarheid; zijn naam en zijn gedachte zijn volmaakt goddelijk en subliem. Hij heeft van Salomo gebruik gemaakt als van een instrument en door zijn stem, richt Hij zich tot ons, eerst in de Spreuken, vervolgens in Prediker, dan in het Hooglied. Zo toont Hij, met methode en orde, de wijze van vooruitgang naar de volmaaktheid aan onze overdenking.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Bloemlezing uit Isaak de Syriër

Bloemlezing uit Isaac van Ninive (de Syriër)(Deel 1)

 

isaac de syriër.jpg

Isaak de Syriër

Over de schade die de bittere ijver, die zich in ijver voor God vermomt, veroorzaakt en over de hulp die de zachtmoedigheid en andere deugden verlenen.

Eerste verzameling, discours 58

1.

Een ijveraar zal nooit tot de vrede van de gedachten geraken. En hij die de vrede niet kent, kent evenmin de vreugde. Als, zoals men zegt, de vrede van de gedachte volmaakte gezondheid betekent, dan is de ijver om de anderen te verbeteren het tegenovergestelde van de vrede, en hij die door deze ijver wordt bewogen lijdt aan een erge ziekte

O mens ! Wanneer je ijvert tegen de gebreken van de anderen, heb je de gezondheid uit je eigen ziel verjaagd. Je zou er beter aan doen om zorg te dragen voor je eigen gezondheid. Als je kost wat kost de zieken wil verzorgen, weet dan dat zij meer nood hebben aan liefdevolle bezorgdheid dan aan berispingen.

Maar jij, in plaats van anderen te helpen, maakt jezelf ernstig ziek. De ijver om de anderen te verbeteren wordt onder de mensen niet beschouwd als een vorm van wijsheid, maar als een ziekte van de ziel die enggeestigheid noemt en diepe onwetendheid die voortkomen uit de grootmoedigheid en uit het geduld om de menselijke zwakheid te verdragen. Ook staat er geschreven “De sterke moet de onvolkomenheden van de zwakke dragen” (Rom 15,1), en “Richt de gevallenen op in een geest van zachtmoedigheid (Gal 6,1). De Apostel rekent de vrede en het geduld onder de vruchten van de Geest (cf Gal 5,22).

2.

Een hart dat zich pijnlijk te doen maakt omdat de ziekte en de zwakheid het lichaam verhinderen om zichtbare daden te stellen, levert op deze wijze een bijdrage aan alle lichamelijke werken. Deze werken, zonder de kommervolle smart (Dit gaat over een mens die steeds de anderen oordeelt en heel zijn ijver aanwendt om hen op te richten en hun fouten, of wat hij als zodanig beschouwt te verbeteren) van de gedachte, zijn als een lichaam zonder ziel. Hij die kommervolle smart voelt in zijn hart maar zijn eigen zintuigen alle vrijheid laat, gelijkt op een zieke die lijdt in zijn lichaam, maar zijn mond toelaat om alle soorten voedsel die voor hem schadelijk zijn, te eten. Wie kommervolle smart voelt in zijn hart, maar zijn zintuigen alle vrijheid laat, gelijkt op een man die een enige zoon heeft en hem beetje bij beetje doet sterven door zijn eigen handen. De smart van de gedachte is een kostbare gave in de ogen van God, en wie haar bezit zoals het hoort, gelijkt op een mens die gezond is in zijn ledematen. Maar de mens die zijn tong de vrije teugel laat om over de anderen te praten, ten goede of ten kwade, is een dergelijke genade niet waardig.

De rouwmoed die samengaat met geklets is als een doorboorde ton. De goede manieren die samengaan met het honen van anderen, zijn een zwaard dat in honing is gedrenkt. De zuiverheid en het bezoeken van vrouwen zijn als een leeuwin en een lam in hetzelfde huis.

3.

De werken die volbracht zijn zonder barmhartigheid, zijn in de ogen van God als een man die een zoon doodt onder de ogen van zijn vader. Hij die ziek is in zijn ziel en een ander corrigeert, gelijkt op een blinde die de weg wijst aan anderen. De barmhartigheid en de strikte rechtvaardigheid(letterlijk : rechtvaardig oordeel), als zij samen in éénzelfde ziel wonen, zijn als een mens die in éénzelfde huis God aanbidt en de afgoden. De barhartigheid is het tegendeel van de strikte rechtvaardigheid. Deze (laatste) bestaat in een billijke verdeling onder allen. Zij bedeelt aan elkeen wat hij verdient, helt niet over naar de ene kant noch naar de andere, is zonder partijdigheid in de verdeling. Maar de barmhartigheid is een “geraakt worden” opgewekt door de genade. Zij buigt zich over elkeen met mededogen, geeft aan wie tuchtiging waardig is, niet terug wat hij verdient, en ze overlaadt mateloos hij die een beloning waardig is.

Als de barmhartigheid aan de kant staat van het goede, dan staat de strikte rechtvaardigheid aan de kant van het kwade. Zoals het hooi en het vuur niet in eenzelfde plaats kunnen samen zijn, zo kunnen de strikte rechtvaardigheid en de barmhartigheid niet verblijven in éénzelfde ziel. Zoals een korrel zand niet opweegt tegen een grote hoeveelheid goud, zo weegt de strikte rechtvaardigheid van God niet door in vergelijking met zijn barmhartigheid.

4.

Gelijkend op een handvol zand dat in de oceaan valt zijn de fouten van alle vlees, in vergelijking met de voorzienigheid en de barmhartigheid van God. Zoals een bron die overvloedig stroomt en niet kan worden verstopt door een handvol zand, zo kan de barmhartigheid van de Schepper niet overwonnen worden door de kwaadwilligheid van de schepselen. Gelijkend op een mens die zaait in de zee en hoopt te oogsten is hij die wrok koestert en bidt. Zoals het niet mogelijk is de lichtende vlam van het vuur te verhinderen om te klimmen, evenzo kan niets verhinderen dat het gebed van de barmhartige opstijgt naar de hemel. Zoals het water zich naar de diepte toe verspreidt, evenzo (doet) de macht van de woede, als deze haar plaats heeft gevonden in onze geest. Hij die de nederigheid heeft verworven in zijn hart, is voortaan dood voor de wereld, en wie dood is voor de wereld, is afgestorven aan de hartstochten. Voor wie in zijn hart dood is voor zijn verwanten, is de duivel dood. Wie de begeerte heeft binnengehaald, heeft, met haar, de duivel binnengehaald.

5.

Er is een nederigheid die komt van de vreze Gods, en er is een nederigheid die van God zelf komt. Er is hij die nederig is omdat hij God vreest, en er is hij die nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft. Bij wie nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft, volgt daaruit de bescheidenheid van zijn ledematen, de goede orde van zijn zintuigen en te allen tijde een vermorzeld hart; bij de andere, bij hem die nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft, volgt daaruit een grote jubel (het grieks geeft : eenvoud), een verruimd hart dat zichzelf niet meer omvat. De liefde kent geen schaamte, daarom is zij niet in staat een juiste maat aan haar veruitwendigheden op te leggen. De liefde is van nature spontaan en ze vergeet de in acht te nemen grenzen. Gelukzalig die U Heeft gevonden, U, de haven van alle vreugde.

6.

De samenkomst van de nederigen wordt door God in gelijke mate bemind als de samenkomst van de serafijnen. Een kuis lichaam is voor God kostbaarder dan een zuivere offergave. Beide zaken, de nederigheid en de kuisheid, bereiden in de ziel een verblijf (het grieks heeft : waarborg) voor de Drie eenheid.

7.

Als je met vrienden onderweg bent, bewaar dan een gereserveerde houding. Door zo te handelen bewijs je hen een dienst en ook aan jezelf. Inderdaad, het gebeurt vaak dat de ziel onder voorwendsel van vriendschap, de teugels van de waakzaamheid loslaat. Wees wantrouwig voor gesprekken, zij bouwen niet altijd op. Houd in de vergaderingen de stilte in ere, want zij bespaart voor heel wat schade. Waak over je buik, maar meer nog over je gezichtsvermogen, want een huiselijk conflict is zonder twijfel minder erg dan een oorlog die zich buiten afspeelt. Denk niet broeder dat het mogelijk is de innerlijke gedachten te bestrijden, als het lichaam niet goed toegerust is en niet goed geordend. Vrees de gewoonten meer dan de vijand. Wie in zichzelf een gewoonte voedt, is als een man die het vuur voedt, want de kracht van de gewoonten, en evenzo die van het vuur, komt van wat men hem als voedsel geeft. Als de gewoonte je één keer vraagt haar voedsel te geven, en je het haar weigert, zal ze je in het vervolg krachteloos bevinden. Maar als je één keer haar wil involgt, zal ze je daarna met nog meer kracht aanvallen.

8.

Aangaande alle zaken, houd dit in gedachten : de hulp die de waakzaamheid biedt, is meer waard dan (de hulp) die van de (ascetische) werken komt. Wees niet de vriend van wie graag lacht en (van wie) de mensen graag aan het lachen brengt, want hij zal je de gewoonte van de verstrooiing doen aannemen. Bied geen glimlachend gezicht aan wie zich laat gaan in zijn manier van leven. Hoed je er echter voor om hem te haten. Als hij verlangt zich op te richten, reik hem dan de hand en draag zorg voor hem tot aan zijn dood. Maar als je zelf ziek bent, mijd het dan om voor hem te zorgen Zoals men heeft gezegd : reik hem het uiteinde van je stok, enz. (Isaak verwijst naar een apophtegma dat door zijn lezers gekend is). Spreek in de nabijheid van een zelfvoldaan en begerig mens met omzichtigheid, want terwijl jij spreekt, interpreteert hij in zijn binnenste wat jij zegt op zijn manier, en hij zal jouw goede woorden gebruiken om de anderen te doen vallen, en hij verdraait in zijn geest de betekenis van jouw woorden om ze dienstbaar te maken aan zijn ziekte. Van zodra hij, in jouw aanwezigheid, over iemand begint te spreken, versomber (dan) je gelaat. En door zo te handelen zal je voor God en voor hem blijk geven van waakzaamheid.

9.

Als je iets geeft aan een mens die behoeftig is, laat dan een blije gelaatsuitdrukking de gift die je hem geeft voorafgaan en troost hem in zijn kommer met welwillende woorden. Als je zo handelt zal de vreugde die zijn gedachte zal vervullen, het halen op de voldoening van zijn lichamelijke behoeften.

10.

De dag waarop je de mond opent om van iemand kwaad te spreken, weet dan dat je dood bent voor God en dat al je werken ijdel zijn gemaakt, zelfs als je denkt dat dit terecht is en dat het met de intentie is om op te bouwen dat je gedachte deze aanvechting om te spreken heeft gekend. Inderdaad, waartoe dient het om zijn eigen huis af te breken om dat van zijn gezel te herstellen.

11.

De dag waarop je moeite doet voor een mens, op een of andere wijze, met je lichaam of in je gedachte, zonder onderscheid te maken of hij nu goed is of slecht, beschouw jezelf die dag als een martelaar en als iemand die heeft geleden voor Christus en waardig is bevonden hem te belijden. Herinner je inderdaad dat Christus gestorven is voor de zondaars, en niet voor de rechtvaardigen (cf. Matth 9,13). Begrijp hoe het een grote zaak is als je bekommerd bent voor slechte mensen en om eerder goed te doen aan zondaars dan aan rechtvaardigen ! De Apostel brengt het ons in herinnering als een zaak die bewondering verdient (Rom.5,7-8).

12.

Als je ertoe geraakt om in je binnenste de gerechtigheid van de ziel te verwerven, maak je dan niet bezorgd om een andere gerechtigheid te zoeken. Dat al je werken worden voorafgegaan door de kuisheid van het lichaam en de zuiverheid van het geweten, want, zonder deze zijn al je daden ijdel voor God (letterlijk : leeg). Wees je ook bewust dat elke daad die je zonder bedachtzaamheid of onderscheiding volbrengt, eveneens ijdel is, zelfs al is ze (op zichzelf) goed, want God beschouwt als gerechtigheid wat met onderscheiding is volbracht en niet wat de vrucht is van het toeval.

Uit :  Heiliging 1-2/2008

Wordt vervolgd…..

Heilige filothea van Athene

Heiligenleven

De heilige Filothea van Athene

 

Filothea van Athene.jpg

 

De heilige Filothea Venizelou was het enig kind van een rijke atheense familie. Haar verlangen was om moniale te worden, maar uit liefde voor haar ouders aanvaardde zij om te trouwen. Het was geen gelukkig huwelijk, maar na drie jaar stierf haar echtgenoot, zodat Filothea vrij was om haar verlangen te volgen en zich aan het monastieke leven te wijden. Zij stichtte een kloostergemeenschap die vele meisjes en vrouwen aantrok. Met grote edelmoedigheid zette zij zich in voor armen en verdrukten, en haar naam werd tot ver in de omtrek bekend. Daardoor vonden ook vier christenmeisjes, die als slavinnen door hun trukse bezitter mishandeld werden, de moed om te vluchten en haar om bescheming te vragen. Daarop werd Filothea gearresteerd, maar zij verklaarde liever de marteldood te willen sterven dan hun schuilplaats te verraden.

Bij die gelegenheid zou zij echter niet sterven, want enige rijke christenen brachten geld bijeen om de eigenaars van de slavinnen schadeloos te stellen, en waarschijnlijk ook om het gerecht om te kopen. Filothea werd vrijgelaten en keerde naar haar klooster terug. Enige tijd later werd zij echter slachtoffer van de wraak der Turken, die tijdens de dienst in de kerk inbraken en haar zodanig afranselden dat zij enige tijd later aan haar verwondingen bezweek, 1589. Zij was toen 67 jaar oud.

De heilige Filothea is een beschermheilige van Athene. Bij haar jaarlijks feest worden haar relieken gedragen door leden van de familie Venizelou.

Bron : Heiligenlevens voor elke dag .Uitg.orthodox klooster Den Haag

Augustinus: Broederliefde

 

Augustinus12.jpg

AUGUSTINUS : Broederliefde

“Wie niet rechtvaardig leeft, is geen kind van God, en allerminst hij die zijn broeder niet liefheeft. Want dit is de boodschap – dat gij vanaf het begin hebt gehoord : dat wij elkaar moeten beminnen” Hier laat Johannes  in zijn eerste brief duidelijk zien hoe hij tot de uitspraak komt dat alwie tegen  het gebod van de broederliefde misdoet, vervalt tot die misdadige zonde, die het kenmer is van hen die niet uit God zijn. “Niet gelijk Kaïn, die een kind van het kwaad was, en zijn broeder vermoordde. En waarom vermoordde hij hem ? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer goed. Waar afgunst heerst, is geen plaats voor broederliefde”

Augustinus : Eenheid en liefde – Augustinus preken over de eerste brief van Johannes. Vertaald door Prof. Dr. T.J.van Bavel. Uitgave Augustijns historisch instituut. P91

Cyrillus van Jeruzalem : de mens van het elfde uur

H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350) bisschop van Jeruzalem en kerkleraar
Doopcatechese 13

De mens van het elfde uur

 

cyrillus van Jerrusalem13.jpg

Cyrillus van Jeruzalem

 

     Een van de bandieten die met Jezus gekruisigd was, riep uit: “Heer, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt. Nu keer ik me tot U … Ik vertel U niet over mijn werken, want zij laten mij huiveren. Elk mens is beschikbaar voor zijn medereiziger, zie, ik ben nu uw metgezel op weg naar de dood. Vergeet niet uw reisgezel, niet nu en als u in uw Koninkrijk aankomt” (Lc 23,42).

      Welke kracht heeft jou verlicht, goede moordenaar? Wie heeft jou geleerd om op die wijze Degene te aanbidden die geminacht en met jou gekruisigd wordt? O eeuwig licht die hen verlicht die in duisternis zijn (Lc 1,79)! “Wees moedig… Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs, omdat je vandaag mijn stem hebt gehoord en je je hart niet hebt verhard (Ps 95,8). Omdat Adam ongehoorzaam was, werd hij meteen het paradijs uitgestuurd. Jij die vandaag aan het geloof gehoorzaamt, zult vandaag gered worden. Voor Adam was het hout de oorzaak van de val, het hout zal jou het paradijs binnen laten gaan.”

      Ach, enorme en onuitspreekbare genade: Abraham die de gelovige bij uitstek was, was er nog niet binnengegaan en de goede moordenaar gaat er nu al binnen. Paulus is stomverbaasd en zegt: “Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos!” (Rm 5,20). Zij die elke dag gezwoegd hebben waren het Koninkrijk nog niet binnengegaan, en deze mens van het elfde uur, werd ogenblikkelijk toegelaten. Dat niemand moppert tegen zijn meester: “Ik doe niemand onrecht; Of mag ik niet met het mijne doen wat ik wil? De moordenaar wil rechtvaardig zijn, …Ik ben tevreden over zijn geloof, Ik, de goede herder, heb het verdwaalde schaap gevonden en Ik neem het op mijn schouders (Lc 15,5). 0mdat zij heeft gezegd: Ik heb gedwaald, maar vergeet mij niet Heer, wanneer U in uw Koninkrijk aankomt.”

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Gods aanwezigheid ervaren

Gods aanwezigheid ervaren

 

Christus pantocrator 55577.jpg

 

Zijn wij ontmoedigd ? Vinden wij de zin van het leven niet ? zijn wij (nutteloos) angstig, ongerust en bezorgd ? Zijn wij in onze stresserende consumptiemaatschappij levensmoe geworden ? Hebben wij alle “houvast” verloren, zelfs bij de geliefden die ons omringen ?…

Weet en besef dan dat de mensgeworden Zoon Gods, Christus – die ons menselijk bestaan in al zijn consequenties deelde, behalve in de zonde – ons niet als weeskinderen achterliet. Zoals Hij het beloofd had kwam de Heilige Geest, dezelfde Onzichtbare God op de Apostelen neer, en ook op ons allen. Beseffen wij het wel iedere dag opnieuw dat God aanwezig is en blijft. Hij is geen “afwezige” ! Wij zouden slechts onze vrije ontmoeting met Hem in de intimiteit van ons hart missen, indien wij onszelf afsluiten, indien wij “blind” en “doofstom” blijven ten overstaan van Zijn zo verrijkende aanwezigheid. Hij dringt zich echter niet op ! Hij eerbiedigt onze menselijke vrijheid, met dewelke Hij ons bij onze schepping heeft bekleed. De Kerkvaders herhaalden het vaak : “God kan alles, behalve de mens te dwingen Hem lief te hebben”.

Langs ons persoonlijk gebed kunnen wij God in de intimiteit van ons hart ervaren. Bijzonder  sterke momenten zijn deze van het ontwaken en opstaan en deze van het slapengaan. Iedere dag opnieuw is een “schenking” van God, maar iedere dag is tevens opnieuw voor ons de grote “onbekende”, waarbij wij Zijn Aanwezigheid zo broodnodig hebben. In feite moeten wij beseffen hoe roekeloos het is het leven aan te gaan zonder Zijn leiding, zonder  Zijn bescherming , zonder Zijn liefde, zonder Zijn zegen. Ons morgengebed ( dat zo vaak in onze “jachtige” maatschappij vergeten of overgeslagen wordt !) zal niets anders zijn dan een gesprek met God, een intiem gesprek, waarbij wij ons hart in alle vertrouwen voor Hem openstellen. Vragen wij de Heilige Geest ons hierbij tegemoet te komen…want alleen zijn wij zwak.

En iedere avond, vóór het slapengaan, dienen wij opnieuw God te ontmoeten, om Hem te danken voor alles wat Hij ons tijdens de voorbije dag wist te geven. En zelfs mochten wij op die dag tegenkantingen, ziekte, lijden, problemen gehad hebben, dan weten wij dat Hij ons nooit in een hachelijke situatie alleen laat. Onoverkomelijke problemen bestaan voor God niet ! “Voor God is alles mogelijk “(Matth.19,26). Laten wij Hem tenslotte zeer nederig, in dezelfde intimiteit van ons hart, vergeving vragen voor alles wat wij in de voorbije dag verkeerd deden. Nogmaals : bidden is niets anders dan spreken met de Aanwezige God !

Maar ook in onze ontmoetingen met anderen is God aanwezig, op voorwaarde dat wij in Zijn Naam verenigd zijn. Jezus zegt het zelf : “ Want waar twee of drie verenigd zijn in Mijn Naam, daar ben ik in hun midden” (Matth.18,20). Onze relatie met de anderen wordt in een heilbrengende realiteit gebracht, wanneer wij God aldus in ons midden hebben. Denken wij vooral aan de realiteit van ons samenzijn in ons gezin. Met God in hun midden zullen echtgenoten bij hun levensproblemen nooit als antagonisten tegenover elkaar staan, maar werkelijk tot het besef komen dat zij met “drie” zijn. Gods aanwezigheid heiligt hun echtelijke liefde. Voor God is trouwens niets “onbekend” of “onzichtbaar” of “verborgen”. Hij doorziet al onze levensangsten, onze frustraties, onze zwakmenselijke conflicten, en Hij is zo dicht bij ons om dit alles op te lossen, om ons te “omvormen”, te “transfigureren”. Daar waar de wereld faalt en wanhoopt, daar leidt de aanwezige God, Die in ons midden is, ons op het pad van een harmonisch levensgeluk Zo gaat het eveneens in onze relatie met onze kinderen, met onze ouders, met familieleden, broers en zusters, met de leden van onze kerkelijke communauteit, met vrienden en kennissen. Als wij maar in Zijn Naam verenigd zijn, is Hij in ons midden…als de grote Aanwezige.

En wat dan te zeggen van het “summum” van Zijn Aanwezigheid : Zijn Aanwezigheid in de Heilige Eucharistie ! Jezus zegt inderdaad : “Want Mijn Vlees is echt voedsel en Mijn Bloed is echte drank. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh.6,56). Bij de heilige Gaven, waaraan wij in de Goddelijke Liturgie mogen communiceren, ontvangen wij echt het Kostbaar Lichaam en Bloed van Christus in ons. Dit verenigt ons in de diepste intimiteit met Hem. En langs Zijn Eucharistische aanwezigheid in ieder van ons, leden van de Kerkgemeenschap, worden wij ook innig spiritueel met mekaar verbonden, met een goddelijke band die sterker is dan de fysische bloedgemeenschap. Daarom brengt de Goddelijke Liturgie ons reeds in de dimensie van de eeuwigheid.

En de Christus-ikoon : ook langs haar manifesteert God Zijn aanwezigheid. Alhoewel onzichtbaar in Zijn wezen wil Hij ons op ondubbelzinnige wijze geruststellen en ons tonen dat Hij aanwezig is en dicht bij ons staat. De “onzichtbare” ziet en hoort ons. Telkenmale wij de Ikoon aanschouwen weten wij dat de onzichtbare aanwezige God ons eerst heeft aanschouwd. Want steeds is Zijn blik naar ons gericht, vanaf het moment dat wij Hem willen opzoeken en ontmoeten In het Mysterie van de Ikoon – door de kracht van de Heilige Geest – ervaren wij hoe de onzichtbare “Aanwezige” ons nooit verlaat. Daarom kussen wij de Ikoon, hierbij niet de afbeelding, het hout, de materie op het oog hebbende, maar het “prototype” ervan : de Menslievende God, Die ons aanschouwt. Daarom zal ook de centrale plaats van ons huis, van onze werk- of slaapkamer, de Christus-Ikoon zijn, manifestatie van Zijn aanwezigheid. En die goddelijke aanwezigheid geeft ons de zekerheid dat alles wat in Zijn handen berust, dat alles wat Hem toevertrouwd wordt, goed is.

“Gods aanwezigheid ervaren” is voor de christenen de roeping van iedere dag, de roeping van ieder moment. God dringt Zijn aanwezigheid nooit op. Hij wacht….tot wij Hem opmerken, tot wij ons vertrouwen in Hem stellen, tot wij ons hart voor Hem openen, tot wij langs het gebed tot Hem spreken. Geduldig blijft Hij en altijd aanwezig ! Niet voldoende kunnen wij Hem hiervoor danken!

Vader Ignace Peckstadt

Historische viering in oud Turks klooster

Wereld 15 augustus 2010 novum

Historische viering in oud Turks klooster

(Novum/AP) – Oosters-orthodoxe christenen hebben zondag een liturgie gevierd in een eeuwenoud klooster in Turkije. De Turkse regering heeft toegestaan dat er eens per jaar een kerkdienst mag worden gehouden. De regering wil de beperkingen op religieuze uitingen in het land gaandeweg versoepelen. De dienst in het klooster, dat dateert uit het Byzantijnse tijdperk, werd geleid door patriarch Bartholomeus I, de spirituele leider van de Oosters-orthodoxe Kerk. Pelgrims uit Griekenland, Rusland en andere landen waren naar het klooster afgereisd. De Turkse regering probeert de situatie van etnische en religieuze minderheden in het land te verbeteren, omdat het land graag lid wil worden van de Europese Unie. Volgens activisten verlopen de veranderingen echter te traag. Een belangrijke eis van de Oosters-orthodoxe christenen is de heropening van een theologische school nabij Istanbul.

Johannes van Dalhyatha : uit Brief 27

Johannes van Dalyatha

Drie eenheid 1.jpg

 

Johannes van Dalhyatha leefde tussen 690 en 780. Hij is geboren in het dorp Ardamut, in de provincie van Beit Nouhadra, vandaag ten noorden van Mossoul in Irak. Hij sterft op hoge leeftijd in het klooster waar hij als kluizenaar leefde.

 Uit Brief 27

Ik ken de Vader in zijn Gezalfde, en de Zoon zie ik door de Geest. Er is voor mij buiten Hem geen stevigheid, geen beweging, geen leven, geen perceptie. En wanneer ik opgeslorpt ben door de verwondering, zie ik Hem als zijn  ze één Lamp, en zoals deze straal ook ik. Daarom ook verwonder ik mij over mijzelf en verheug ik mij geestelijk dat in mij zich de Bron van het leven bevindt, deze Bron die het einddoel is van de onstoffelijke wereld. Dit uitleggen is aan geen wijze mens gegeven. Eer aan Hem die de zijnen tot wijzen maakt en zijn schoonheid openbaart voor de genieting van wie Hem liefhebben !

Petrus Damianus : Voorgaan door zijn leven en dood

H. Petrus Damianus (1007-1072), kluizenaar en vervolgens bisschop, Kerkleraar
Sermon 24-25

Voorgaan door zijn leven en zijn dood

   

Petrus Damianus.gif

   Johannes was reeds door zijn geboorte voorloper van Christus, en ook door zijn prediking, door zijn doop en door zijn dood… Kan men één deugd vinden, één soort heiligheid die de Voorloper niet in de hoogste graad bezat? Wie onder de heilige kluizenaars heeft zich ooit de regel opgelegd om als voedsel slechts wilde honing of dat oneetbare gerecht: sprinkhanen te eten! Enkelen  wenden zich af van de wereld en vluchten weg voor de mensen om heilig te kunnen leven, maar Johannes is nog een kind… als hij de woestijn intrekt en ervoor kiest om in eenzaamheid te gaan leven. Hij ziet ervan af om zijn vader op te volgen als priester, om zo in alle vrijheid als een werkelijk en oprecht Priester te kunnen verkondigen. De profeten hebben van te voren de komst van de Verlosser voorzegd, de apostelen en de andere leraren in de Kerk bevestigen dat deze komst werkelijk plaats heeft gevonden, maar Johannes toont dit als aanwezig onder de mensen. Velen hebben de maagdelijkheid bewaard en hebben niet de witheid van hun kleding bezoedeld (cf Ap 14,4), maar Johannes ziet af van elk menselijk gezelschap om zo de begeertes van het vlees tot aan zijn wortels uit te kunnen roeien, en, hij woont vol van geestelijk vuur tussen de wilde dieren.

      Johannes gaat zelfs voor in het scharlaken koor van martelaren, als meester van allen: hij heeft waakzaam voor de waarheid gevochten, en hij is voor haar gestorven. Hij is de leider van allen die vechten voor Christus, geworden en, als eerste van allen heeft hij in de hemel het overwinningsvaandel van het martelaarschap geplaatst.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

 

mandylion 16 augustus.jpg

 

Het wezen van de icoon wordt ons het duidelijkst bij de liturgie van de iconenwijding, dat wil zeggen de door de priester verrichte gewijde handeling, waardoor een geschilderde icoon geschikt gemaakt wordt voor kerkelijk gebruik. Deze wijding is beslist noodzakelijk, want zij is de kerkelijke bevestiging van de identiteit tussen de geschilderde beeltenis en het hemels oerbeeld. De huidige liturgie van de iconenwijding vertoont nog duidelijk sporen van de conflicten, die in de tijd van de Beeldenstorm in de Kerk gewoed hebben. Ook in de 7e en de 8e eeuw hadden de tegenstanders van de heilige afbeeldingen zich vooral beroepen op het tweede van de tien geboden (Ex.20,4) : “Gij zult U geen godenbeelden maken, noch enig beeld van wat in de hemel daarboven, op aarde beneden, of in het water onder de aarde is !”, en zij hadden in de verering van afbeeldingen in de orthodoxe kerk een vergrijp gezien tegen het uitdrukkelijk verbod van God. Volgens hun opvatting hield de verering van de afbeeldingen in, dat daardoor God tekort wordt gedaan in de eer, die hem alleen toekomt. Op beide argumenten nu gaan de gebeden en lofzangen van de iconenwijding in. In het openingsgebed richt men zich namelijk tot God en laat dan duidelijk uitkomen, dat deze met zijn verbod alleen het vervaardigen van afgodsbeelden heeft bedoeld.”Gij hebt door een gebod verboden, afbeeldingen en gelijkenissen die U, de ware God mishagen, te maken om ze als de Heer te aanbidden en te dienen”.  Nadat dit is vastgesteld, wordt er echter met des te meer nadruk op gewezen, dat God zelf heeft bevolen  “beelden op te richten, waardoor niet de naam van vreemde, valse en niet bestaande goden, maar Uw allerheiligste en hoogverheven naam, die van de enig ware God wordt verheerlijkt”. Als zodanig worden vermeld de Ark des Verbonds met de beide gouden Cherubijnen, zowel als de Cherubijnen van verguld cypressenhout, die op Gods bevel aan de tempel van Salomon moesten worden aangebracht. Zo is God zelf na de afschaffing van de valse beelden- en afgodenverering begonnen met het afbeelden van de mysteriën van zijn rijk. De meest verheven afbeelding van zichzelf – zo gaat het wijdingsgebed verder – heeft God tot stand gebracht in zijn vleeswording, door de menswording van zijn Zoon, die het “Beeld van de onzichtbare God “Koll.1,15) is en de “afstraling van zijn Glorie” (Hebr.1,3). God zelf “de beeldhouwer van de hele zichtbare en onzichtbare schepping” heeft zichzelf afgebeeld in Jezus Christus, zijn volmaakte icoon. De menswording van de Zoon is de afbeelding, die God van zichzelf heeft gemaakt. Zo is God zelf de schepper van de eerste icoon, die zich in de gedaante van Christus voor ons mensen zichtbaar maakte.

En nu volgt de meest opvallende en voor ons West- europeanen meest onverwachte zinswending : van Christus zelf namelijk, de afbeelding van de Vader, hebben wij, zo wordt gezegd, een gedetailleerde, “niet door mensenhanden gemaakte” afbeelding, waarop de gelaatstrekken van de Godmens bewaard zijn gebleven. De liturgie zinspeelt hier op de reeds genoemde wonderbare afbeelding, die Christus aan koning Abgar van Edessa zond, evenals op de overlevering van de zweetdoek, waarmee Christus op weg naar Golgotha zijn aangezicht afwiste en waarop op wonderbare wijze de afbeelding van zijn gelaat achterbleef. Christus zelf heeft dus de eerste Christus-icoon gemaakt en daarmee zowel het schilderen van iconen als de iconenverering gewettigd – dit argument gebruikt men dus tegen het eerste bezwaar van de tegenstanders van iconen.

Het tweede bezwaar van de tegenstanders, dat God door de verering van de heilige afbeelding tekort wordt gedaan in de hem alleen toekomende eer, wordt weerlegd door een ander gezichtspunt, dat geheel ontwikkeld is uit de neo-platonische  bespiegeling over de afbeeldingen : “Wij verafgoden de iconen niet, maar weten, dat de eer, die aan de afbeelding bewezen wordt, opstijgt naar het afgebeelde wezen”. Niet de afbeelding als zodanig is voorwerp en ontvanger van de aanbidding, maar het afgebeelde wezen, dat er in “verschijnt”. Zo vindt men in de gebeden om voorspraak de uitdrukkelijke bede, dat de afbeeldingen niemand in de verleiding mogen brengen, de aan God alleen als de oorsprong van alle heiligheid toekomende verering op zichzelf te betrekken.

Uit :  Ernst Benz : De Oosters orthodoxe kerk, Aula boeken pp. 18-20

Heilige Amandus

Heiligenleven

De heilige Amandus

 

 

amandus3658.jpg

Bij de dood van de heilige Jean L’Agneau in 637, duidde koning Dagobert Amandus aan om hem op te volgen. De heilige Amandus is één van de meest voorname Belgische heiligen, en het belang van zijn apostolaat is ontzaglijk. Het is een diep menselijk leven, gans verschillend van de traditionele hagiographie, waar men slechts rekening houdt met hun deugden, succes en mirakels. Voor Amandus, wij kennen zijn tegenslagen, zijn vrees, zijn  afschuw, zij ziels gesteltenis. Hij is één van de heiligen van deze periode die het meest bekend is, en één die het dichts bij ons staat.

Amandus werd geboren te Herbauge, bij Nantes, de 7e mei 594. Zijn ouders waren van voorname afkomst, verschillende bronnen vermelden dat zijn vader hertog van Aquitaine was. Maar Amandus verzaakte reeds heel vroeg aan de dingen van de wereld. Amandus verliet het ouderlijk huis en trok zich terug in een  monasterie dat gebouwd was op een eiland dicht bij La Rochelle. Maar zijn vader vond hem terug en dwong hem het religieuze habijt te verzaken. Hij bedreigde hem om hem te onterven indien hij aan zijn verlangens weigerde te voldoen. Amanus bleef vastbesloten, en om niet langer strijd  te moeten voeren hiertegen, hernam hij heimelijk de pelgrimsstaf terug op.

Zijn schreden voerden hem eerst naar Tours, waar hij bad op het graf van de heilige Martinus. Hij werd zelfs enige tijd opgenomen onder de clerus van deze kerk. Vervolgens ging  hij, met de zegen van zijn oversten, naar Bourges waar de bisschop Sint Austregisile voor hem een cel bouwde in de omstreken van  de kerk. Amandus verbleef er vijftien jaar, vastend en biddend. Vervolgens besloot hij een pelgrimstocht te maken naar Rome om de graven van de heilige Apostelen Petrus en Paulus te gaan bezoeken. Hij vroeg om een nachtwake mogen  houden bij de graven, maar hij werd weggejaagd als een vuil door de bewakers ! Dit avontuur zal hem trouwens meerdere keren overkomen in zijn leven. Hij mediteerde dan maar op de treden van de basiliek, over de wreedheid  van de mensen tegenover hun gelijken. Amandus had een visioen waarin  de apostel Petrus hem de weg zou tonen naar Belgisch Gallië en hem gelastte om er het woord van God te gaan verkondigen.

Amandus gehoorzaamde en nadat hij in 626 tot bisschop zonder residentie werd gewijd kwam hij in de bossen van het Noorden terecht en ging hij op de eerste plaats naar de oevers van de schelde, dit, vergezeld van enkele gezellen die zich haastten om zich terug te trekken bij de eerste moeilijkheden. Alleen achtergebleven, preekte de heilige in de regio’s Gent en Doornik. Hij vond er een volk dat, nadat ze het christendom hadden aangenomen, teruggekeerd waren tot de valse goden, en zij waren zo woest, dat de priesters niet meer durfden te evangeliseren. Lange tijd bleef Amandus zonder asiel, verlaten van elke kracht van God, overladen met beledigingen door de vrouwen en de  slagen van de mannen, en vele malen in het koude water geworpen van de rivieren.

Er was in die tijd een beruchte rover, genaamd Bavo, afkomstig van Hesbaye, en verwant zoals men zei  met Pepijn van Landen. Hij kende slechts als wet de macht en had geen ander doel in het leven dan zijn passies te bevredigen. Vertrokken uit Hesbaye om in de bossen van Mempisque te gaan roven, maakte hij zich op een dag meester van Amandus, en deze laatste had de besliste wil om hem te bekeren, zonder zich te laten afschrikken door de moeilijkheden. Hij voorzag dat de bekering van zo’n man een belangrijk voorbeeld zou zijn die grote diensten zou kunnen verlenen aan de Heer. De krachtinspanningen van Amandus waren uiteindelijk een succes : Bavo was zich bewust van zijn dwalingen en bekeerde zich. Vanaf dat moment deed hij zijn best om het goede te doen, meer dan toen hij aan zijn passies wilde voldoen. Deze bekering had een enorme weerklank en vele oude gezellen van Bavo begonnen zijn spoor te volgen.

Bavo had afstand gedaan van een deel van zijn goederen aan Amandus, om een kerk op te richten op de plaats waar hij was besmet met zijn misdaden. Deze kerk zal het begin vormen van wat de Kathedraal van Gent zou worden. En Amandus, aangemoedigd door dit eerste succes spande zich in om de mensen uit de omgeving te bekeren die nog altijd de cultus van Mercurius praktiseerden alsook van enkele andere heidense goden. De heilige missionaris deed overal de afgoden vallen en bouwde op de plaatsen waar ze werden aanbeden kerken en monasteria.

Maar er zijn nog andere , veel moeilijker idolen te bestrijden dan het standbeeld van Mercurius : de slechte eigenschappen van Koning Dagobert en zijn hofhouding die niet ophielden het volk te schandaliseren. Amandus nam zich voor de koning en zijn anarchie te berispen. Maar Dagobert, die meer hield van vleierij dan van verwijten, aanhoorde hem niet : hij verwijderde de opdringerige van het hof na hem te hebben geradbraakt met stokslagen, en verbandde hem uit zijn rijk. Amandus was opnieuw alleen en verworpen. Hij ging naar de oevers van de Donau waar hij begon met de slaven te evangeliseren. Maar zijn eeuwige eenzaamheid begon hem zwaar te wegen : Hij ging naar Rome om aan de Paus gezellen te vragen voor zijn evangelisatie reizen. Hij kreeg er verschillende, waaronder een beroemd man omwille van zijn deugdzaamheid, genaamd Landoald, waarvan we nog zullen spreken.

Daarop is Koning Dagobert tot betere gedachten gekomen. Hij huwde de wijze Regentrude met wie hij een kind had (die de Heilige Sigebert zou worden) . Zich de ijver herinnerend van Amandus voor de deugd, verlangde hij dat zijn kind het doopsel zou ontvangen door hem. Hij herinnerde zich toen de ballingschap van de heilige bisschop en hij getuigde van de achting die hij had voor zijn persoon, zoveel als hij had voor zijn raadgevers.

De Heilige Jean l’Agneau is zoals wij hebben gezegd gestorven in 637. Dagobert zette Amandus onder druk om het diocees van Tongeren-Maastricht op zich te nemen ( men bemerkt hier meer en meer in deze tijd de neiging dat de groten van deze wereld tussenbeide kwamen bij de keuze van bisschoppen, in plaats van zich te houden aan een verkiezing zoals in de eerste tijden van de Kerk). Amandus prefereerde om zijn apostolaat in de verschillende streken die hij had geëvangeliseerd voort te zetten, maar hij was bezorgd om opnieuw de veroordeling van de koning te moeten ondergaan. Daarom nam hij uiteindelijk de last die hem werd opgedragen op zich.

Hij was weinig gelukkig, en had dikwijls verdriet door het feit dat grote persoonlijkheden, die hem moesten bijstaan in zijn inspanningen, niet ophielden aanstoot te geven aan het volk door hun gedrag en die ongevoelig bleven aan zijn oproepen tot bekering. Uiteindelijk bleef hij slechts drie jaar op de bisschopszetel. Vervolgens , diep bedroefd dat hij de groten van deze wereld niet kon bekeren, vertrouwde hij de zorgen van zijn diocees toe aan zijn leerling Landoald, en vertrok om het goddelijk woord te verkondigen aan de Gentenaars.

In een eerste periode verliet hij niet geheel het diocees van Tongeren, want hij gaf de raad aan de Heilige Itte, weduwe van Pepijn en haar dochter Gertrude om een monasterie voor religieuzen op te richten te Nijvel. Maar vervolgens, bedroefd door de wanorde die in zijn diocees heerste, droomde hij ervan zijn ontslag te nemen en schreef in die zin aan Paus de Heilige Martinus. Deze laatste bewoog hem om moedig de lasten die inherent zijn aan het episcopaat te verdragen, en raadde hem aan strenger op te treden ten overstaan van de meest harde zondaars.

Amandus moest dus voortgaan met de zware last van het episcopaat, maar hij was niet de man om te verzaken aan een project. Hij keerde dus terug naar zijn lastige taak, en in 650 verkreeg hij uiteindelijk de toestemming om zijn ontslag te nemen. Hij trok zich terug in de eenzaamheid van een klooster, die hij had gesticht te Elnone, vandaag Saint-Amand-les-eaux, op enkele kilometer van Valenciennes. Maar hij kon niet lang genieten van zijn opruststelling en het volgende jaar ontsliep hij als een heilige in de Heer. Men vertelt dat de heilige Aldegonde, op het uur van zijn dood in gebed verzonken voor het altaar van de Maagd van Maubeuge, hem opgenomen zag worden ten hemel, omringt door al diegenen die hij had bekeerd.

Hij wordt vereerd in de bisdommen Brugge, Gent, Doornik, Namen, Luik en Mechelen. Vele dorpen dragen zijn naam : Saint-Amand-lez-Fleurus, Sint Amand in vlaams Brabant en Sint Amandsberg. De gedachtenis van de heilige Amandus is zeer sterk aanwezig, zowel bij de orthodoxen als bij de katholieken. Van orthodoxe zijde is een fresco van hem te zien in de Kerk van de heilige apostel Andreas te Gent, een ander in de parochie van de heilige Silouan en sint Martinus te Brussel, en een derde in de koptische parochie van Rijsel. Een zeer mooie icoon die hem voorstelt samen met sint Bavo, is gerealiseerd door een belg van griekse afkomst Michel Kramboussanos. Zij is de eigendom van een parochiaan van de kapel van de orthodoxe parochie van alle heiligen van Rusland te Ottignies. Een andere icoon waarop hij alleen wordt voorgesteld is te zien in de kerk van de orthodoxe parochie van de heilige Amandus te Kortrijk, en een  reproductie van dezelfde icoon is te zien in de parochie van de heilige Silouan en Sint Martinus te Brussel. Ten slotte, nog een andere stelt hem voor samen met de heilige Baudemond, in de coptische parochie van Rijsel.

Van katholieke zijde gaat er elke eerste zondag van september een processie uit in een vlaamse plaats die zijn naam draagt : Sint Amand. Veel kerken zijn aan hem toegewijd zowel in Vlaanderen als in Wallonië. De heilige Amandus wordt aanroepen voor de genezing van een huidziekte (ziekte van de huid)

Uit. Saints et saintes de Belgique au premier millenaire – Jean Hamblenne, p.101-105