Augustinus : Hij nam een stuk brood…

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Johannes, 62, 63

augustinus01k

“Hij nam een stuk brood, doopte het in, en gaf het aan Judas”

      Toen de Heer, zelf het Levensbrood (Joh 6,35), het brood aan de dode man gaf, die daarmee het levend brood verraadde, zei Hij tegen hem: “Doe maar meteen wat je te doen hebt”. Hij beval geen misdaad: Hij openbaarde Judas’ kwaad en kondigde ons het goede aan. Dat Christus overgeleverd werd, was dat niet het slechtste voor Judas, en voor ons het beste? Judas, dus, die zichzelf beschadigt, handelt zonder het te weten, voor ons.

      “Doe maar meteen wat je te doen hebt.” Dat is een woord van een mens die gereed is, niet van een mens die geïrriteerd is. In dit woord wordt niet zozeer de straf voor degene die verraadt uitgedrukt, alswel de beloning van de verlosser, van degene die vrijkoopt. Want door te zeggen: “Doe maar meteen wat je te doen hebt”, probeert Christus, meer nog dan de misdaad van ontrouw, het heil van de gelovigen te verhaasten. “Hij werd om onze zonden overgeleverd; Hij houdt van de Kerk en heeft zich voor haar gegeven” (Rm 4,25; Ef 5,25). Dat zegt de apostel Paulus: “Hij heeft mij liefgehad en zich voor mij overgeleverd” (Gal 2,20). Niemand zou immers Christus overgeleverd hebben als Hij zichzelf niet overgeleverd had… Wanneer Judas Hem verraadt, is het Christus die zich overlevert; de één onderhandelt over zijn verkoop, de ander koopt ons vrij. “Ga snel doen wat je te doen hebt”: niet dat dit in jouw macht ligt, maar het is de wil van Degene die alles kan…

      “Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht.” Degene die vertrok was zelf nacht. Welnu toen de nacht vertrok, zei Jezus: “Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt!” De dag zegt het voort aan de dag die komt (Ps 19,3), dat wil zeggen Christus heeft het aan zijn leerlingen toevertrouwd, opdat zij er naar luisteren en Hem in liefde volgen…  Iets soortgelijks zal gebeuren als de door Christus overwonnen wereld voorbij zal gaan. Als het onkruid zich niet langer mengt met het graan, zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk van hun Vader (Mt 13,43).

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Proclus van Constantinopel : Gezegend Hij die komt in de naam des Heren

H. Proclus van Constantinopel (rond 390-446), bisschop
Sermon 9, voor Palmzondag; PG 65, 772


Proclus van Constantinopel2

(De heilige Proclus in het midden)

“Gezegend Hij die komt in de naam des Heren”

      Mijn geliefden, dit is een zeer belangrijke dag. Het vraagt een groot verlangen van ons, een enorme haast, een levendig vooruitgaan om de Koning van de Hemel te ontmoeten. Paulus, de boodschapper van de goede boodschap, zei tegen ons: “De Heer komt naderbij, wees onbezorgd” (Fil 4,5-6)…

      Laten we onze lampen van het geloof aansteken: zoals de vijf wijze maagden (Mt 25,1v), laten we ze vullen met de olie van barmhartigheid voor de armen; laten we Christus met een wakkere geest ontvangen, en bezingen we Hem met palmen van gerechtigheid in de hand. Laten we Hem omhelzen door het parfum van Maria over Hem te gieten (Joh 12,3). Laten we naar het verlossingslied luisteren; dat onze stemmen zich verheffen, zoals zijn goddelijke majesteit waardig is, en laten we samen met het volk de roep die opkomt uit menigte, uitroepen: “Hosanna in den hoge. Gezegend Hij die komt in de naam des Heren, de Koning van Israël”. Het is goed om te zeggen: “Hij die komt”, want Hij komt onophoudelijk, Hij zal ons nooit mislopen: “De Heer is nabij aan hen die Hem in waarheid aanroepen” (Ps 145,18). “Gezegend Hij die komt in de naam des Heren.”

      De zachtaardige en vredelievende Koning staat aan onze deur. Degene die troont op de cherubijnen in de hemelen, zit hierbeneden op een ezeltje. Laten we het huis van onze ziel voorbereiden, laten we de spinnenwebben weghalen welke de broederlijke misverstanden zijn; dat bij ons niet het stof van het kwaadspreken gevonden wordt. Laten we waterstromen van liefde verspreiden, en laten we alle wrijvingen die vijandigheid veroorzaken, tot rust brengen; laten we dan de voorhof van onze lippen bestrooien met bloemen van verering. Roepen we dan met het volk de roep die opkomt uit de menigte: “Gezegend Hij die komt in de naam des Heren, de Koning van Israël”

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Beda de eerbiedwaardige : God de Heer zal hem de troon van zijn Vader David geven

H. Beda de Eerbiedwaardige (ca 673-735), monnik, Kerkleraar
Overwegingen voor de advent, nr 3 ; CCL 122, 14-17

Beda heilige 444

“God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David geven; Hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwigheid, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.”

      “De engel Gabriël werd door God gezonden naar een stad in Galilea, Nazareth genaamd, naar een jonge vrouw, een maagd die verloofd was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria.” Wat er over het huis van David gezegd wordt, betreft niet alleen Jozef, maar ook Maria. Want de wet schreef voor dat een ieder moest trouwen met een vrouw uit zijn stam of familie, zoals de apostel Paulus aan Timoteüs schreef: “Houd Jezus Christus in gedachten, Davids nazaat, die uit de doden is opgestaan. Zo luidt mijn evangelie, dat ik verkondig” (2Tm 2,8)…

      “Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven”. De troon van David betekent hier macht over het volk Israël, waarover David in zijn tijd vol met ijver voor het geloof regeerde… Dit volk dat David leidde door zijn tijdelijke macht, wordt door Christus met geestelijke genade meegenomen naar het eeuwige Koninkrijk…

      “Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob.” Het huis van Jacob verwijst naar de universele Kerk, die door het geloof en de getuigenis van Christus, zich opnieuw verbindt met het lot van de vaderen, hetzij met hen die hun lichamelijke oorsprong hebben door hun stamvader, hetzij hen die lichamelijk geboren zijn in een andere natie, en herboren zijn in Christus door de doop van de heilige Geest. Over dat huis van Jacob zal Hij eeuwig heersen: “aan zijn koningschap zal geen einde komen”. Ja, Hij regeert over haar in het huidige leven, wanneer Hij regeert over de harten van de uitverkorenen, waarin Hij woont door hun geloof en hun liefde jegens Hem; en Hij heerst over hen door zijn eeuwige bescherming, en laat hen de gaven van zijn hemelse beloning toekomen; Hij regeert in de toekomst, als eenmaal de staat van de tijdelijke ballingschap is afgelopen, dan brengt Hij hen binnen in het verblijf van het hemels vaderland. En daar, genieten ze van zijn zichtbare aanwezigheid welke hen er voortdurend aan herinnert dat ze niets anders hoeven te doen dan lofzangen te zingen.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Bezoek van de engel aan Maria

Groot feest van de blijde boodschap van de Heilige Moeder Gods

 bezoek van de engel 564

Apostellezing : Hebr.2,11-18

Want Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen één Oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug om hen zijn broeders te noemen, wanneer Hij zegt:  Ik zal uw naam verkondigen aan mijn broeders
en uw lof zingen midden in de gemeente; 
en opnieuw:
Ik zal mij geheel op Hem verlaten;
en nog eens:
Hier ben Ik met de kinderen die God Mij gegeven heeft. 
Omdat ‘de kinderen’ mensen zijn van vlees en bloed, heeft Hij ons bestaan willen delen, om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen,  en hen te bevrijden die door de vrees voor de dood heel hun leven aan slavernij onderworpen waren.  Want het zijn niet de engelen van wie Hij zich het lot aantrekt, maar de nakomelingen van Abraham.  Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden, om een barmhartig en getrouw hogepriester te worden bij God en de zonden van het volk uit te boeten.  Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden.

Evangelielezing : Joh 11,1-45

      Niet lang daarna werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Zij hield zich vijf maanden lang verborgen. Ze zei:  ‘Dit heeft de Heer voor mij gedaan, toen Hij zich mijn lot aantrok en mijn smaad onder de mensen wegnam.’

Aankondiging van de geboorte van Jezus
      In de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, met de naam Nazaret,  naar een maagd die verloofd was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria.  De engel trad bij haar binnen en zei: ‘Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.’  Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had.  Maar de engel zei: ‘Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God.  U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven.  Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven.  Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’  ‘Maar hoe moet dat dan?’ zei Maria tegen de engel. ‘Ik heb geen omgang met een man.’  De engel antwoordde haar: ‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God.  Bovendien, ook Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd onvruchtbaar genoemd, maar zij is al in haar zesde maand.  Want voor God is niets onmogelijk.’  Toen zei Maria: ‘Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Toen ging de engel van haar weg.

Het berouw : Silouan de Athoniet

HET BEROUW

Door de Heilige Silouan de Athoniet

 Siluan

Mijn ziel heeft u gekend, Heer, en ik verkondig uw barmhartigheid aan uw volk. Volkeren der aarde, laat u niet vermorzelen door de last van het leven. Strijd alleen tegen de zonde en vraag hulp aan de Heer; Hij zal het u geven, want hij is barmhartig en houdt van ons.

O volkeren van de aarde ! Het is met tranen dat ik deze zinnen schrijf. Mijn ziel verlangt ernaar dat gij de Heer moge leren kennen en dat gij zijn barmhartigheid en zijn Glorie .moge beschouwen. Ik ben tweeënzeventig jaar, weldra zal ik sterven en ik schrijf u over de barmhartigheid van God welke de Heer mij heeft doen kennen door de Heilige Geest; en de Heilige Geest heeft mij geleerd om alle mensen lief te hebben. Oh ! Hoe zou ik u willen plaatsen op een hoge berg opdat gij, vanaf de hoogte, het zachte en barmhartige gelaat van de Heer zou mogen zien, en dat uw harten zouden jubelen van vreugde. Ik zeg u de waarheid : ik vind niets goeds in mij en ik heb vele zonden bedreven, maar de genade van de Heilige Geest heeft ze uitgewist. En ik weet dat de Heer, aan hen die strijden tegen de zonde, niet alleen vergiffenis zal schenken, maar tevens zal de genade van de Heilige Geest zijn ziel verblijden en hem een zachte en diepe vrede schenken.

O Heer, Gij houdt van uw schepsel. Wie kan uw liefde begrijpen en  er de zachtheid van smaken, indien gij mij niet leidt door uw Heilige Geest !

Ik bid u, Heer : verspreidt de genade van de Heilige Geest over de mensen, opdat zij uw liefde kunnen kennen. Verwarm de afvallige harten van de mensen opdat zij u loven in vreugde en het lijden van de wereld vergeten

O Gezegende trooster, ik vraag het u met de tranen in de ogen :  troost de bedroefde harten van de mensen. Geef aan alle volkeren dat zij uw stem mogen horen die hen met zachtheid zegt : ” Uw zonden zijn u vergeven”. Ja, Heer, het is in uw macht om mirakels te doen , maar er bestaat geen groter mirakel dan de zondaar te helpen in zijn val. Het is gemakkelijk een heilige te beminnen : hij is het waardig. Ja, Heer, luister naar het gebed van de aarde. Alle volkeren zijn in lijden gedompeld; allen zijn getroffen door de zonde; allen zijn beroofd van uw genade en blijven in de duisternis.

O volkeren van gans de aarde ! Laat ons de Heer aanroepen en ons gebed zal verhoord worden, want de Heer verheugd zich over het berouw van de mensen; alle hemelse machten verwachten ons opdat, ook wij, ons zouden verheugen over de zachtheid en de liefde van God en de schoonheid van zijn Gelaat zouden mogen zien.

Wanneer de mensen de vreze voor God bewaren, dan is het leven op aarde vreedzaam en zacht. Maar in onze dagen zijn de mensen geneigd volgens hun goeddunken en hun eigen rede te leven. Zij hebben de heilige geboden verlaten. Zij denken van op aarde de vreugde te vinden door de Heer voorbij te gaan, niet wetende dat alleen de Heer onze vreugde is en dat de ziel van de mens slechts het geluk kan vinden  in de Heer. Hij verwarmt en maakt onze ziel levendig zoals de zon de bloemen op het veld verwarmt, en zoals de wind hen doet heen en weer waaien. Hij geeft hen het leven. De Heer heeft ons alles gegeven opdat wij hem zouden verheerlijken. Maar de wereld begrijpt het niet. En hoe zou men kunnen begrijpen datgene wat men niet gezien noch gesmaakt heeft ! Ik ook, toen ik in de wereld was, dacht ik dat dit het geluk was : genieten van de gezondheid, mooi zijn, rijk en door de anderen bemind worden. Ik werd ijdel. Maar toen ik de Heer leerde kennen door de Heilige Geest, ben ik begonnen met al het geluk van deze wereld te beschouwen als rook die door de wind gedragen wordt. Maar de genade van de Heilige Geest verblijdt de ziel en vervult haar met vreugde, en, in een diepe vrede beschouwd zij de Heer, terwijl zij de aarde vergeet.

Heer, maak dat de mensen zich tot u keren, opdat allen uw liefde zouden kennen, en dat zij , in de Heilige Geest uw zacht gelaat mogen zien; dat allen op aarde genieten van dit visioen en door te zien zoals gij zijt, de gelijken van u mogen worden.

Glorie aan de Heer die ons het berouw geschonken heeft, en door dit berouw zullen wij allen gered worden, zonder uitzondering. Alleen zullen zij die  geen berouw hebben  niet gered kunnen worden : het is hierin dat ik hun wanhoop zie, en ik ween veel uit medelijden voor hen. Zij hebben niet gekend hoe groot Gods medelijden is door de Heilige Geest. Maar indien de ganse ziel de Heer kende, wist hoeveel hij van ons houdt, dan zou niemand wanhopen en nooit mopperen. Elke ziel die de vrede heeft verloren, moet berouw hebben, en de Heer zal hem zijn zonden vergeven. Dan zal de vreugde en de vrede opnieuw in zijn ziel regeren. Men heeft geen nood aan andere getuigen, want de Heilige Geest zelf getuigt dat de zonden zullen zijn vergeven. Ziehier een teken dat de zonden vergeven zijn : indien je de zonde haat, dan heeft de Heer uw zonden vergeven.

Waar wachten wij nog op ! Dat iemand uit de hoge Hemelen ons een hemelse lofzang zingt ! Maar in de hemel leeft alles door de Heilige Geest, en op aarde heeft de Heer ons diezelfde Heilige Geest gegeven. In de kerken zijn de goddelijke diensten vervuld van de Heilige Geest; in de woestijnen, op de bergen, in de grotten en overal leven asceten van Christus door de Heilige Geest; en indien wij hem behouden, zullen wij bevrijd worden van iedere duisternis, en het eeuwige leven zal vanaf hier beneden in onze zielen verblijven.

Indien alle mensen zouden berouw hebben en oog hebben voor Gods geboden, dan zou het Paradijs hier op aarde zijn , want het “Rijk van God is in ons binnenste”. Het Koninkrijk Gods is de Heilige Geest, en de Heilige Geest is dezelfde in de Hemel als op aarde.

Aan wie berouw hebben  geeft de Heer het Paradijs en het eeuwig Koninkrijk, en hij geeft zichzelf. In zijn grote barmhartigheid zal hij onze zonden niet aanrekenen, zoals hij ze ook niet aanrekende aan de gekruisigde dief naast hem.

Heer, groot is uw barmhartigheid. Wie zal in staat zijn u dank te zeggen zoals het hoort  voor de Heilige Geest die gij ons gegeven hebt op aarde ?

Heer, groot is uw rechtvaardigheid. Gij hebt aan uw apostelen beloofd : “Ik laat u niet als wezen achter”. Nu ervaren wij deze barmhartigheid en onze ziel voelt dat de Heer ons liefheeft. Maar diegene die het niet voelt, moet zich bekeren en leven volgens de wil van God. Dan zal de Heer hem zijn genade geven die zijn ziel zal leiden. Maar als gij een mens ziet die zondigt, en je hebt geen medelijden met hem, dan zal de genade u weerhouden worden.

Hij heeft ons bevolen om lief te hebben; de liefde van Christus heeft medelijden met alle mensen, en de Heilige Geest leert de ziel om de goddelijke geboden na te leven, en hij geeft hen de kracht om het goede te volbrengen.

 Heilige Geest, laat ons niet in de steek. Wanneer gij met ons zijt voelt de ziel uw aanwezigheid en zij vi
ndt in God haar schoonheid, want gij doet ons branden van liefde voor God.

De Heer heeft de mensen zodanig liefgehad, dat hij hen heeft geheiligd door de Heilige Geest en hen gelijkvormig aan hem heeft gemaakt. De Heer is barmhartig, en ook aan ons geeft de Heilige Geest de macht om barmhartig te zijn. Broeders, laten wij ons vernederen zodat wij door het berouw een medelijdend hart verwerven. Dan zullen wij de Glorie van de Heer zien : het is door de genade van de Heilige Geest dat de ziel en de geest haar kennen.

Diegene die werkelijk berouw heeft is klaar om alle soorten van lijden te verdragen : honger en gebrek, koude en warmte, ziekte en armoede, misprijzen en vervolging, onrechtvaardigheid en laster, – want zijn ziel richt zich tot de Heer in een zuiver gebed, vergetende wie op aarde is. Maar diegene die gehecht is aan zijn goederen en aan het geld zal nooit de zuivere geest van God kunnen hebben, omdat in zijn ziel zich deze voortdurende bezorgdheden bevinden : wat doen met dit geld ?  Indien hij geen ernstig berouw heeft en niet bedroefd is omdat hij God heeft beledigd, zal hij sterven in zijn hartstochten zonder God te hebben gekend.

Wanneer men van u afneemt wat ge hebt, geef het, want de goddelijke liefde kan niets weigeren; maar hij die de liefde niet gekend heeft kan niet barmhartig zijn, want de vreugde van de Heilige Geest is niet in zijn ziel.

Indien de Heer door zijn lijden ons op aarde de Heilige Geest heeft gegeven die van de Vader komt, en zijn Lichaam en zijn Bloed, dan is het evident dat hij ons ook al de rest zal geven die wij nodig hebben. Laten wij ons totaal geven aan de wil van God, dan zullen wij de goddelijke voorzienigheid zien, en de Heer zal ons zelfs datgene geven wat waar wij niet op wachten. Maar diegene die zich niet overgeeft aan de wil van God, zal nooit zijn Voorzienigheid zien ten opzichte van ons.

Dat wij ons niet bedroeven over het verlies van onze goederen : het loont de moeite niet. Het is mijn eigen vader die mij dat heeft geleerd. Indien een  onheil kwam over het huis, dan bleef hij kalm. Op een zekere dag brandde ons huis en de mensen zeiden : “Ivan Petrovitch, deze brand heeft u geruïneerd”, maar hij antwoordde : “Met de hulp, van God zal ik het herstellen”. Op een zekere dag toen wij langs ons veld wandelden, zei ik hem: “Zie, ze hebben onze schoven en ons graan gestolen”, en hij antwoordde mij : “En dan, mijn kleine, de Heer heeft het graan doen groeien voor ons; wij hebben er genoeg. Maar indien iemand steelt, dan is het omdat hij nood heeft aan eten”. Het overkwam mij dat ik tot hem zei : “Gij geeft veel aalmoezen, maar ginder achter leven ze beter en geven minder”. Maar hij antwoordde : “En dan ! de Heer zal ons geven wat we nodig hebben” En de Heer heeft zijn hoop niet teleurgesteld.

Vanaf het moment dat een barmhartig iemand berouw heeft, dan zal de Heer zijn zonden vergeven. Hij die barmhartig is denkt niet aan de zonden die je bedreven hebt. Zelfs als men hem beledigt of als men neemt van wat hem toekomt, dan blijft hij kalm, want hij kent de barmhartigheid van de Heer, en deze barmhartigheid van de Heer kan niemand ons ontnemen, want ze komt vanuit de hoge, zij is bij God.

Alle kuise en nederige mensen, gehoorzaam, sober en vol berouw zijn tot de Hemelen opgestegen : zij zien onze Heer Jezus Christus in de Glorie, horen de hymnen der Cherubijnen en herinneren zich niets meer van wat aards is. Maar wij, op aarde, wij zijn opgewonden zoals het stof dat door de wind heen en weer wordt gejaagd, en onze geest blijft gehecht aan aardse dingen.

Oh! Hoe is mijn geest zwak ! Een kleine kaars of een lichte adem volstaat om hem uit te doven; maar de geest der Heiligen is ontbrand zoals het brandend braambos, en vreest geen enkele wind. Wie zal mij zo een  vurigheid geven zodat de liefde mij noch des nachts nog overdag met rust laat ! De liefde van de Heer is brandend. Voor hem verdragen de heiligen alle lijden en ontvangen zij de macht om mirakelen te doen. Zij genazen zieken, deden doden opstaan, wandelden op het water,  werden opgeheven in de lucht op het uur van het gebed. Door hun gebed, deden zij het water uit de hemel vallen. Maar ikzelf : het is slechts de nederigheid en de liefde van Christus die ik wil leren, opdat ik niemand zou kwetsen en zou bidden voor alle mensen zoals voor mijzelf.

Ik, ongelukkige ! Ik, die zo weinig van God houd, ik schrijf over de liefde van God. Daarom ben ik bedroefd  zoals Adam wanneer hij uit het paradijs werd gejaagd.  Ik snik en ik roep : “Heb medelijden met mij, o God, heb medelijden met uw gevallen schepsel. Hoeveel keer heb je mij uw genade geschonken, maar omwille van mijn ijdelheid heb ik ze niet behouden. Nochtans kent mijn ziel u, mijn Schepper en mijn God. Daarom zoek ik naar u al wenend, zoals Jozef die weende over zijn vader Jacob op het graf van zijn moeder, toen hij werd meegenomen als slaaf in Egypte.

“Ik heb u beledigd door mijn zonden, gij richt u van mij af en mijn ziel smacht naar u.

“O Heilige Geest, verlaat mij niet. Wanneer gij u verwijdert, komen de slechte gedachten in mij op en mijn ziel verlangt vol tranen naar u.

“O Al-Heilige Souvereine Moeder van God, gij ziet mijn droefheid : ik heb de Heer beledigd en hij heeft mij verlaten. Maar ik smeek om uw goedheid : red mij, ik die een schepsel van God ben die in zonde ben gevallen ; red mij, uw dienaar”

Als ge denkt aan het kwaad van anderen, dan is dit het teken van een slechte

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Chrysostomos : een nederig en volhardend gebed

H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie “Dat Christus verkondigd wordt”, 12-13; PG 51, 319-320

Een nederig en volhardend gebed

Chrysostomos Joh 258

      Een Kananese vrouw naderde Jezus en begon te smeken en schreeuwde het uit om haar dochter die bezeten was door een demon… Was deze vrouw, een vreemdeling, een heiden zonder enig verband met de joodse gemeenschap, anders dan een bedelend hondje om te verkrijgen wat ze vroeg? “Het is niet goed, zei Jezus, om brood voor de kinderen aan de hondjes te geven.” Toch heeft ze het door haar volharding verdiend om verhoord te worden. Zij die slechts als een hondje was, werd door Jezus verheven tot de waardigheid van kinderen; sterker nog, Hij heeft haar complimenten gegeven. Hij zegt tegen haar als Hij haar wegzendt: “Vrouw, uw geloof is groot, dat alles u geschiedt zoals u wilt” (Mt 15,28). Als men Christus hoort zeggen: “Uw geloof is groot”, hoeft men niet meer een ander bewijs te zoeken voor de grootheid van de ziel van deze vrouw. Zie hoe zij haar onwaardigheid uitgewist heeft met haar volharding. Merk ook op dat wij meer van de Heer verkrijgen door ons eigen gebed, dan door het gebed van anderen.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org