Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.
13e zondag na Pinksteren
Mirakel van de H. Aartsengel Michaël te Kolosse

Heilige Michaël en het wonder van Kolosse
Lezingen :
1 Kor.16,13-24
]Blijf waakzaam, sta vast in het geloof, wees moedig en sterk. Laat alles bij u gebeuren met liefde.
Ik heb nog een verzoek aan u, broeders en zusters: u weet dat Stefanas en zijn gezin de eerste bekeerlingen van Achaje zijn en dat zij altijd klaarstaan voor de heiligen. Aanvaard dan ook van uw kant de leiding van zulke mensen en van allen die hun werk en moeite delen. Ik verheug mij over de aanwezigheid hier van Stefanas Fortunatus en Achaïkus; zij hebben voor mij het gemis van u vergoed, zij hebben mijn zorgen verlicht, en daarmee ook de uwe. Houd zulke mensen in ere.
De gemeenten van Asia laten u groeten. Veel groeten in de Heer, van Aquilaen Prisca en van de gemeente bij hen aan huis. Alle broeders groeten u. Groet elkaar met de heilige kus.Deze groet schrijf ik met eigen hand: Paulus. Wie de Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranatha De genade van de Heer Jezus is met u, en mijn liefde is met u allen in Christus Jezus.
Evangelie : Matth.21,33-42
Gelijkenis van de vruchten
Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij zette hem met een omheining af, groef er een perskuil in en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. Maar toen de tijd van de vruchten gekomen was, stuurde hij zijn slaven naar de wijnbouwers om de vruchten in ontvangst te nemen. De wijnbouwers grepen zijn slaven vast; de een gaven ze een pak slaag, een ander doodden ze, een derde stenigden ze. Hij stuurde toen andere slaven, meer dan de eerste keer, en ze deden met hen hetzelfde. Later stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: mijn zoon zullen ze ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfdeel in bezit nemen.” Ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Welnu, wanneer de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?’ Ze gaven Hem ten antwoord: ‘Hij zal die ellendelingen een ellendige dood bezorgen, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die vruchten aan hem afdragen wanneer het er de tijd voor is.’ Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is de hoeksteen geworden. De Heer heeft dit gedaan; het is een wonder in onze ogen?
13 september :
FEEST VAN DE VERHEFFING VAN HET KOSTBAAR EN LEVENDMAKEND KRUIS
LEZINGEN :
Gal.6,11-18
Zie met wat voor grote letters ik u nu eigenhandig heb geschreven. De lieden die zo graag in menselijk opzicht een goed figuur willen slaan, trachten u alleen maar de besnijdenis op te dringen om niet vervolgd te worden vanwege het kruis van Christus. Want die besnedenen onderhouden zelf niet eens de wet, maar willen wel dat u zich laat besnijden, om daarop trots te kunnen zijn.
Wat mij betreft: ik denk er niet aan mij op iets anders te beroemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld gekruisigd ben. Het gaat niet om besnijdenis of onbesnedenheid, maar om de nieuwe schepping. Laat vrede en barmhartigheid komen over allen die naar dit beginsel leven, en over het Israël van God! Laat voortaan niemand het mij lastig maken, want ik draag de merktekens van Jezus in mijn lichaam.
Broeders en zusters, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met uw geest. Amen
EVANGELIE : Joh.3,13-17
Alleen Hij die uit de hemel is neergedaald, is naar de hemel opgestegen: de Mensenzoon.
Maar evenals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, zodat iedereen die gelooft, in Hem eeuwig leven bezit. Zoveel immers heeft God van de wereld gehouden, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit. Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om door Hem de wereld te redden
H. Isaak de Syriër (7 e eeuw), monnik te Ninive, nabij Mossoel in het actuele Irak
Ascetische overweging, 1e serie, nr. 20

“Wie zich vernedert, zal worden verheven”
Nederigheid is een geheime kracht die de heiligen ontvangen als ze de gehele ascese van hun leven tot een goed einde gebracht hebben. Die kracht is immers slechts gegeven aan hen die komen tot de volmaaktheid van de deugd door de kracht van de genade… En die kracht zelf hebben de gelukzalige apostelen ontvangen in de vorm van vuur. De Verlosser had hen immers bevolen om Jeruzalem niet te verlaten totdat ze een kracht van boven hadden ontvangen (Hand 2,3;1,4). Jeruzalem is hier de deugd. De kracht is de nederigheid. En de kracht van boven is Trooster, dat wil zeggen de H. Geest.
Welnu, daarover zei de heilige Schrift: de mysteriën zullen aan de nederigen geopenbaard worden. Aan de nederigen is gegeven om in henzelf deze Geest van de openbaringen te ontvangen die mysteriën laat ontdekken. Daarom zeggen heiligen dat de nederigheid de ziel vervult met goddelijke schouwingen. Laat niemand zich verbeelden dat hij tot een bepaalde mate van nederigheid is gekomen, omdat hij op een gegeven moment een berouwvolle gedachte had of dat hij enkele tranen heeft vergoten… Maar als een mens alle tegenwerkende geesten heeft overwonnen…, als hij alle kracht van de vijanden heeft verslagen en onderworpen, en als hij voelt dat hij deze genade heeft ontvangen, wanneer “de H. Geest tot zijn geest getuigt” (Rom 8,16) volgens het woord van de apostel Paulus, dan bevindt zich daar de volmaaktheid in nederigheid. Zalig degene die dit bezit. Want hij omhelst op elk moment het hart van Jezus (cf Joh 13,25).
Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org
De patristieke fundering van de sacramenten van de Kerk
Metropoliet Kallistos Ware
Toespraak gehouden in Moscou 13-16 november 2007
“Het zijn de sacramenten die het Lichaam van Christus vormen” schreef de heilige Nicolas Cabasilas. Ze zijn, zegt hij “vensters in de duistere wereld”. Wat dan, zijn de voornaamste thema’s in de Patristieke lering omtrent deze goddelijke activiteiten, zonder welke er geen leven in Christus mogelijk is ? Hoe verstonden de Vaders dit “venster” dat ons bestaan hier op aarde verlicht ?.
1 Het woord “sacrament“
Dat wat de latijnse theologie sacramentum noemt is in de griekse theologie mysterion (in het de Slavische theologie aangeduid met het woord tainstvo). De twee woorden hebben een grondig verschillende betekenis. De latijnse term sacramentum betekent oorspronkelijk de eed van trouw door de romeinse soldaten, terwijl het in wettelijke termen de betekenis heeft van een belofte die onder ede gedaan werd onder redetwistende partijen. De Griekse term Mysterion anderzijds heeft een rijkere en diepere betekenis. Het woord komt ongeveer dertig maal voort in het Nieuwe testament , en nergens heeft het de betekenis van een liturgische ritus. Tegelijk betekent in het Nieuwe Testament “mysterie” niet, zoals het in het moderne gebruik de gewoonte is, een onopgeloste puzzel, een raadsel of enigma. In de eigenlijke Schriftuurlijke en theologische betekenis, daarentegen, is mysterie iets wat onthuld wordt voor ons verstaan, uiteindelijk nooit totaal en uitsluitend, daar het peilt naar de oneindige diepten van God.
In het Nieuwe Testament is het hoogste en fundamenteelste mysterie de menswording van Christus. Sint Paulus in de Kollosenzen 1,25-26 spreekt over “het geheimenis (mysterie) dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest”, en dat u geopenbaard is in Christus die de “hoop en de glorie”is. Zo ook in de Efesiërsbrief 1,9-10 sprekend over het mysterie van Gods wil zegt Paulus dat dit niets anders is dan het “plan ter voorbereiding van de volheid der tijden”,om in Christus alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen of te verzamelen onder één hoofd, Jezus Christus. Meer in het bijzonder dit “mysterie” dat eerst verborgen was en nu geopenbaard, bestaat in de vereniging van Joden en heidenen onder één lichaam, Christus (Efesiërs 3,3-6).
De grote omvang van de term mysterion, waarbij het refereert naar de totaliteit van Christus’incarnerend werk, komt dikwijls voor bij de vroege Kerkvaders Het is pas in de 3e en 4e eeuw dat het woord wordt gebruikt om meer nauwkeurig een liturgisch rite aan te duiden. De term gebruikend in de bredere Nieuw Testamentische betekenis, spreekt Ignatios van Antiochië van de maagdelijkheid van Maria, haar kind baren en de dood als van “drie mysteries die om luid gechreeuw vragen, wat ons brengt tot de stilte van God” In dezelfde termen spreekt Clemens van Alexandrië over “het merkbaar mysterie” van de incarnatie, “God in de mens en de mens in God”. In de latijnse traditie verwijst Tertullianus naar “het sacrament van de economie” (sacramentum oeconomiae”, daarmee bedoelt hij de reddende ingreep van de geïncarneerde Christus in haar totaliteit. Maar hij gebruikt ook de term sacramentum in een meer beperkte betekenis, om er het doopsel en de eucharistie mee aan te duiden. Lang nadat de term mysterion haar technische betekenis had gekregen als een sacramentele rite, gaan de Griekse Vaders nog altijd verder met haar te gebruiken op een meer uitgebreide en flexibele wijze. Wanneer we hen lezen is het belangrijk daarvoor de patristieke teksten niet automatisch te lezen in de meer specifieke betekenis van het woord “sacrament”, zoals ze gevonden wordt in de Rooms Katholieke en Orthodoxe theologie.
Er is een bijzondere reden waarom de bredere betekenis van het woord “mysterie” nooit vergeten mag worden, en dat is de weg waarin het de essentiële link tussen de sacramenten en de incarnatie wordt onderlijnd. Alle sacramenten hebben hun bron en gronding in de incarnatie van Christus. De “mysterievolle” daden van de Kerk zijn niets anders dan de levende en onophoudelijke voortzetting van de incarnatie in ruimte en tijd. In de sacramenten wordt de constante en dynamische tegenwoordigheid van de incarnatie van Christus in de aanbidding van het volk van God verzekerd. In de woorden van Leo de Grote : ” Hij die zichtbaar was als onze redder gaat nu verder in de sacramenten “. Sacramentenleer is een tak van de Christologie.
Het woord mysterion heeft ook nog verdere weerklanken en associaties. Het roept in de geest het adjectief “mystiek” op. Dit wordt dikwijls gebruikt door de Vaders in combinatie met het substantief “contemplatie”, “gebed”, “theologie” en “verbond”. Het mystieke leven, zoals verstaan wordt door de Vaders, is gegrond op het oorspronkelijke mysterie van Christus’ menswording, en tegelijk is het nooit te scheiden van de sacramenten. In deze context is het vanzelfsprekend te denken aan Vladimir Lossky’s welbekende woorden “Verre van wederzijds tegengesteld te zijn dragen en vervolledigen theologie en mystiek elkander. Het ene is ondenkbaar zonder het andere…Mystiek is…het hoogtepunt en de kroon van alle theologie : het is theologie bij uitstek”. Zeker mag Lossky’s standpunt toegepast worden op de sacramenten. Sacramentele theologie en mystiek ondersteunen en vervolledigen elkaar. Het mystieke leven is onmogelijk zonder de sacramenten. Het mystieke leven is niets anders dan de perfectie en de kroon van onze sacramentele deelneming. Met de woorden van Myrrha Lot-Borodine : ” De ganse leer van de mystieke verlichting is…een bovennatuurlijke realiteit die inherent is in de onthulling van het doopsel, en, mogen we eraan toevoegen inherent in ons voortdurend ontvangen van de Eucharistie en de andere sacramenten.
2. De dubbele natuur van de sacramenten
In de catechismus van de Kerk van Engeland ,die ik van buiten moest leren als kind, wordt een sacrament gedefinieerd als ” het uitwendig en zichtbaar teken van een innerlijke en spirituele genade”. Een teken dat werkzaam is, dat doeltreffend is en de oorzaak van wat het betekent. : uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar. Dit is ook de richting waarin de Vaders de natuur van het sacrament verstonden. Elk sacrament heeft twee aspecten : een uiterlijk en een innerlijk, een zichtbaar en een onzichtbaar. Om deze reden geven de Vaders gewoonlijk aan het sacrament de naam “symbool”, niet in een zwakke, maar in een sterke betekenis.
Reeds in het begin van de derde eeuw heeft Tertullianus duidelijk het dubbel karakter van de sacramenten aangeduid : ” Het vlees is gereinigd , moge de ziel brandschoon zijn; het vlees is getekend door het kruis, moge de ziel ook beschermd worden, het vlees is overschaduwd door de handoplegging, moge de ziel verlicht worden door de Heilige Geest, het vlees voedt zich met het lichaam en bloed van Christus, zo dat de ziel ook mag gevuld worden met God. “aan de sacramenten een anthropologische grondslag gevend, zegt de heilige Ambrosius van Milaan dat hun tweevoudig karakter, zicht baar en onzich
tbaar, overeenstemt met de twee-voudige natuur van de mens : lichaam en ziel. Zo wordt in het doopsel het lichaam gewassen met water, terwijl de ziel wordt gezuiverd door de Heilige Geest. St.Augustinus heeft hetzelfde in zijn gedachten in zijn geschriften over het eucharistisch brood en wijn : “Zij worden sacramenten genoemd, omdat één ding wordt gezien terwijl een ander wordt verstaan. Wat gezien wordt heeft een fysieke vorm, maar wat wij verstaan heeft spirituele vruchten”.
Griekse auteurs spreken ongeveer in parallelle termen. Volgens Theodor van Mopsueste is “elk sacrament de aanduiding van vele betekenissen en symbolen, van onzichtbare en onuitsprekelijke realiteiten”. Ze worden sacramenten genoemd, schrijft St.Johannes Chrysostomos, omdat datgene wat wij geloven niet hetzelfde is als wat we zien, maar wij zien één ding en geloven een ander.. Wanneer ik het Lichaam van Christus hoor vernoemen, versta ik wat gezegd wordt, de ongelovige denkt dan aan iets anders.
Beide kenmerken van de sacramenten, zichtbaar en onzichtbaar, benadrukken , vanuit christelijk standpunt,met een uiterste helderheid de waarde van materiële dingen en meer in het bijzonder van het menselijk lichaam. Zoals Tertullianus in deze context benadrukt : : ” Het vlees is de spil van de verlossing” (caro salutis est cardo). Om deze reden wil men in de orthodoxe Kerk onverminderd de materialiteit van de sacramentle elementen bewaren : wij dringen er op aan, dat het doopsel zou gebeuren door onderdompeling, uitgezonderd in noodgevallen; voor de Eucharistie gebruiken wij levend brood en rode wijn; bij begrafenissen wordt het deksel van de kist genomen en wij kussen het dode lichaam.
De materialiteit van de sacramenten maakt duidelijk het verband, wij hebben het reeds benadrukt, tussen de “mysterievolle daad” van de Kerk en de menswording. Bij zijn menselijke geboorte nam de Redder het menselijk vlees aan (met een menselijke ziel), en maakte van dit materiële vlees een voertuig van de Geest. Zo ook wanneer we het water zegenen bij het doopsel, wanneer wij het brood zegenen in de Eucharistie, en wanneer wij de olie voor de ziekenzalving zegenen, dan omvormen wij deze materiële elementen tot voertuigen van de Geest. Zoals we in verband met de incarnatie achterom kijken, zo kijken de sacramenten voorwaards, of beter, ze anticiperen de apocatastasis , of de uiteindelijke verlossing op de laatste dag (zie : Romeinen 8,19-23). Zoals Minucius Felix bevestigt : ” Wij zijn in de verwachting van de lente van het lichaam” (expectandum nobis etiam corporis ver est). De eschatologische lente van het lichaam, en meer in het algemeen, van de ganse natuur is reeds aanwezig in de spirituele materialiteit van de sacramenten.
3. De voorganger of de tussenpersoon van de sacramenten
In overeenstemming met de universele Patristieke traditie, Griekse en Latijnse, is de echte celebrant altijd Christus zelf, onzichtbaar doch werkelijk aanwezig door de Heilige Geest. Dit is duidelijk uit de liturgische praxis van de orthodoxe Kerk. In geen enkele sacrament gebruikt de officiant het woord “ik”. Hij zegt niet “ik doop u”, maar “de dienaar Gods wordt gedoopt”, niet “ik wijd u”, maar “de goddelijke genade, die altijd heelt wat zwak is en opricht wat gebrekkig is, wijd de devote sub-diaken (naam)tot diaken, zoals de bisschop zegt tot God wanneer hij een diaken wijd (hetzelfde gebeurt voor de andere wijdingen).”het is niet door de handoplegging, maar door de zegen van Uw rijke barmhartigheid, dat de genade is gegeven aan hem die U waardig is”. Het is waar dat Peter Mohila in zijn Euchologion voor het sacrament van de boete de formule gebruikt “ik vergeef u”; maar dit kan enkel gezien worden als een afwijking van de sacramentele traditie van de Orthodoxe Kerk.
Dit geloof in Christus als de ware celebrant van alle sacramenten is bijzonder duidelijk in de Goddelijke Liturgie. Voor de zegen bij het begin zegt de diaken tot de priester. “Het is tijd voor de Heer om te handelen”, een citaat uit psalm 118(119).126). De liturgie, is niet enkel woorden uitspreken maar actie; bovendien is het niet op de eerste plaats onze actie, maar de actie van de Heer. De ware celebrant in elke Eucharistie is altijd Christus de enige hogepriester, wij, de clerus en het volk, zijn niet meer dan concelebranten met Hem. Ditzelfde punt wordt expliciet bevestigd in het gebed die door de officiant wordt gezegd gedurende de Hymne van het Cherubicon , wanneer hij tot Christus zegt “Gij zijt het aan wie wij offeren en die geofferd zijt. Christus is beide : offer en offergave , beide, offeraar en offer, beide : priester en slachtoffer. De onmiddellijke deelname van Christus in de Eucharistische actie wordt ook uitgedrukt in het uitwisselen van groeten door de clerus gedurende de “vredeskus” : “Christus is in ons midden”.
Het zelfde verstaan van de sacramenten als een actie van Christus is bij de Vaders te vinden alsook in de liturgische teksten. Zoals St. Augustinus zei : “Het doopsel is werkzaam, niet door de deugd en de verdienste van hen die toedienen, maar door de verdienste van zijn intrinsieke heiligheid en waarheid, omwille van Hem die het ingesteld heeft”.Onder de griekse Vaders is het vooral St.Johannes Chrysostomos die speciaal zich over dit punt heeft uigesproken. “Het is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die alles vervuld” zegt hij. “De priester leent slechts zijn tong en levert zijn handen”.” Bij de heilige Communie is het de hand van Christus dat naar jou wordt uitgestoken”. “Gods gaven zijn niet het resultaat van enige verdienste van de priester, zij zijn volledig het werk van de genade. De functie van de priester bestaat er enkel in zijn mond te openen en het is God die vervult wat moet gedaan worden… De eucharistische offering blijft dezelfde, of nu Peter of paul het zouden offeren. De offerande welke Christus geeft aan Zijn Apostelen is identiek met deze die nu geofferd wordt door de priester. Laatstgenoemde is helemaal niet ondergeschikt aan de vorm, want het is niet de mens die consacreert, maar Hij die de oorspronkelijke offerande heeft geconsacreerd”.
Hieruit volgt dat de geldigheid van de sacramenten niet in het gedrang komt door de onwaardigheid van de celebrant, noch hangt het af van het persoonlijk geloof van de ontvanger. Integendeel, als actie van Christus zelf hebben de sacramenten een objectief karakter.
4 Het getal van de sacramenten
Hier, als op andere gebieden, moeten eigen toegevingen gedaan worden voor het flexibel gebruik van de term mysterion bij de vaders. Wij moeten niet de vroegste bronnen lezen om de juiste betekenis te vinden voortgaande op Peter Lombard en de scholastiekers van de twaalfde eeuw, en die vervolgens zijn overgenomen door vele orthodoxe schrijvers. Bovendien maken de Griekse Vaders een scherp onderscheid tussen de sacramenten enerzijds en de andere riten van de Kerk die de Rooms Katholieke Kerk omschrijft als ‘Sacramentalia.
Vele auteurs – bijvoorbeeld St.Cyrillos van Jerusalem, St. Ambrosius, Theodoor van Mopsueste en Sint Cyrillos van Alexandrië – denken in termen van drie primaire “mysteries”, Doopsel, myronzalving en Eucharistie; maar deze lijst van drie moet niet noodzakelijk gezien worden als volledig. Sint Nicolas cabasilas, in zijn “leven in Christus “ benadrukt
de zelfde drie mysteries, maar dan gaat hij ook de consecratie van het altaar beschouwen als een “mysterie”; misschien echter moet dit gezien worden als een uitbreiding van het sacrament van het chrisma. Sint Johannes van Damascus denkt anderzijds in termen van twee hoofd-sacramenten, Doopsel en Eucharistie. Sint Dyonisios de Aeropagiet spreekt van zes : Doopsel, Eucharistie, chrisma, wijding, monastieke professie, en de begrafenis riten. Dezelfde lijst wordt gevonden bij Sint Theodoros de Studiet. In de tweede helft van de 13e eeuw noemt de monnik Job zeven sacramenten, maar ze komen niet echt overeen met de Westerse lijst; hij combineert penitentie met de ziekenzalving en hij sluit monastieke professie in. Hij gaat spreken over drie andere riten : hij ziet de consecratie en de broodverheffing ter ere van de Moeder Gods als een uitbreiding van de Eucharistie. Dit alles duidt erop dat de Griekse patristieke auteurs, wanneer zij de term mysterie gebruiken, niet te werk gaan met dezelfde precisie die gevonden wordt in de latijnse scholastiek.
Het is waar, dat in de latere Byzantijnse periode er een tendens is om de zelfde sacramenten te aanvaarden zoals in het Westen. Dit is het geval bv. Met Manuel Calecas in de 14e eeuw, en met Joseph Bryennice en Sint Symeon van Thessaloniki in de 15e eeuw. Op het concilie van Ferrara-Florence (1438-9) vonden de Grieken geen problemen met het aanvaarden van de latijnse lijst van zeven sacramenten. Maar Joasaph, Metropoliet van Ephesië (ook in de 15e eeuw) spreekt van tien sacramenten.In de 17e eeuw wordt de latijnse lijst van zeven standaard in de Orthodoxe Kerk : het wordt bv. gevolgd door Patriarch Jeremias II, door Gabriël Severus, door Metropoliet kritopoulos en door de synode van Jassy (1642) en van Jeruzalem (1672). Toch bekwam deze lijst nooit een strikt dogmatisch karakter in de Orthodoxe leer, maar het werd vooral gezien als bruikbaar in de leer. Het meer flexibel gebruik in de vroege Patristische periode is nooit op de achtergrond geraakt. In elk geval, wanneer de sacramenten zijn gecatalogeerd als zeven, mag eruit niet afgeleid worden dat deze zeven allen op gelijke voet van waardigheid staan, er bestaat een welomlijnde hiërarchie tussen hen, met het Doopsel en de Eucharistie als de voornaamste.
Als besluit doen we er goed aan met opnieuw te verwijzen naar de betekenis die eerder werd gegeven aan de term “mysterie” : het is, zeiden wij, iets dat onthuld wordt voor ons verstaan, maar nooit volledig onthuld. Dit betekent dat er een apofatische dimensie bestaat in de orthodoxe theologie van de sacramenten, zoals trouwen in alle andere aspecten van de theologie. Wij moeten altijd op onze hoede zijn om té veel te zeggen. Wanneer de Kerk spreekt van de sacramenten, dan is zij er zich van bewust hoeveel delen van de waarheid noodzakelijk onzegbaar blijven. Met de woorden van Sint Johannes Chrysostomos : ” Zij worden gezegd om mysteries te zijn, en zij zijn dat in waarheid, er is geen nood om de diepe kloof van de stilte te willen verklaren”. ” De verklaring van de Mysteries” merkt Sint Cyrillos van Alexandrië op, “is buitengewoon moeilijk, het is misschien beter de stilte te bewaren”. Laat ons deze waarschuwing in gedachten houden gedurende de huidige conferentie.
Bron : Website van Nouvelles Clés
Vertaling : kris Biesbroeck.
11e zondag na Pinksteren
Over de vergeving

LEZINGEN :
Eerste Lezing : 1 Kor.9,2-12
Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap. Dit is mijn antwoord aan mijn critici. Hebben wij niet het recht om te eten en te drinken? Hebben wij niet het recht om een christenvrouw mee te nemen, zoals de andere apostelen en de broers van de Heer en Kefas? Of zijn Barnabas en ik de enigen die verplicht zijn te werken voor hun levensonderhoud?
Welke soldaat betaalt ooit zijn eigen soldij? Wie plant een wijngaard en eet niet van de vruchten? Of wie weidt een kudde zonder de melk van de kudde te gebruiken? Dit zijn niet enkel menselijke overwegingen, de wet zegt precies hetzelfde, of niet soms? In de wet van Mozes staat immers: Een dorsende os mag men niet muilbanden. Bemoeit God zich hier werkelijk met de ossen, of gaat het eigenlijk over ons? Natuurlijk, met het oog op óns staat er geschreven dat de ploeger moet ploegen en de dorser moet dorsen in de hoop zijn deel te ontvangen. Als wij in u een geestelijk gewas gezaaid hebben, is het dan te veel gevraagd als wij van u stoffelijke steun verwachten? Als anderen zulke aanspraken op u hebben, dan wij toch zeker! Maar wij hebben van dit recht geen gebruik gemaakt, en willen liever alles verduren dan de prediking van Christus’ evangelie belemmeren.
Evangelie : Mattheüs 18,23-35
In dit opzicht gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden. Toen hij begonnen was met afrekenen, werd er iemand bij hem gebracht die een schuld had van tienduizend talenten. Omdat hij niet kon betalen, gaf de heer het bevel om hem met vrouw en kinderen en alles wat hij had te verkopen, zodat hij zou kunnen betalen. Daarop viel de dienaar voor hem neer en vroeg: “Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.” De heer kreeg met die dienaar te doen en liet hem vrij, en hij schold hem het geleende geld kwijt. Toen die dienaar buiten kwam, trof hij een van zijn mededienaren, die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: “Betaal wat je me schuldig bent.” Daarop viel zijn mededienaar voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, en ik zal je betalen.”Dat wilde hij niet, integendeel, hij liet hem zelfs gevangenzetten tot hij het verschuldigde bedrag betaald zou hebben. Toen zijn mededienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij buitengewoon ontstemd en gingen alles wat er gebeurd was aan hun heer vertellen. Toen riep zijn heer hem bij zich en zei: “Jij slechte dienaar, ik heb je heel die schuld kwijtgescholden, toen je mij daarom smeekte. [Had juist jij geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?” En zijn heer werd zo kwaad, dat hij hem overleverde aan de beulen, totdat hij heel zijn schuld zou hebben terugbetaald. Zo zal ook mijn hemelse Vader met jullie doen, als niet ieder van jullie zijn broeder van ganser harte vergeeft.
ISTANBUL – REPORTAGE CHRISTENEN KLAGEN OVER BEHANDELING IN TURKIJE Ongeveer vijfhonderd christenen trokken naar Trabzon om een mis te houden in het Sumela-klooster. Turkse ambtenaren bliezen de aangestoken kaarsen uit en stuurden hen weg. ‘Turken bouwen overal in Europa moskeeën, maar wij mogen niet eens in onze kerken bidden. Het is echt onacceptabel wat ze ons aandoen.’
Van onze correspondent in Turkije
Het klooster in Trabzon ligt op een bergtop. De klim begint bij de zee en eindigt in de wolken die de muren van het klooster likken. Honderden Grieks-orthodoxen hadden de wandeling langs de kleine watervallen, enorme rotsen en een schilderachtige natuur achter de rug toen ze hun gebed wilden beginnen. Maar de museumdirecteur stak daar een stokje voor.
Even later mengde ook de gouverneur van de stad zich in de discussie. De bezoekers, onder wie de gouverneur van de Griekse stad Thessaloniki, moesten afdruipen. Ze verlieten het zestienhonderd jaar oude klooster, zonder te kunnen bidden. Want volgens de Turken is Sumela tegenwoordig een museum.
Sumela is niet de enige christelijke ruimte in Turkije die aan banden is gelegd. De bekendste kerk waar geen mis gehouden mag worden, is de Aya Sophia in Istanbul. In de Armeense kerk Akdamar in het oostelijke Van -door de Turkse overheid gerestaureerd en in 2007 officieel heropend als museum- mogen christenen evenmin vieringen opdragen. En de Griekse school van het klooster op het eiland Heybeli in Istanbul is sinds 1971 dicht; door dat verbod op onderwijs kunnen de Grieken geen geestelijken meer opleiden in Turkije.
Een 41-jarige Griek die vorige week bij de kleine schermutseling in Trabzon aanwezig was, wil liever niet dat zijn naam in de krant wordt genoemd. ‘Ach, je weet maar nooit. De niet-moslims hebben zoveel naars moeten meemaken in dit land’, zegt hij lachend. Zijn witte tanden blinken door de felle zon boven Istanbul. ‘We gingen naar Trabzon om de dood van moeder Maria te herdenken. Er waren ook mensen uit Rusland en Georgië aanwezig. Geestelijken moesten op het vliegveld hun priesterkledij uittrekken, omdat die te provocerend zou zijn. Moet het niet afgelopen zijn met die houding? De Turken bouwen overal in Europa duizenden moskeeën, maar wij mogen niet eens in onze kerken bidden. Ik vind het echt onacceptabel wat ze ons aandoen.’
Ook hij heeft een kaarsje aangestoken in het klooster. ‘Toen ik zag dat ze alle kaarsen uitbliezen, ben ik ermee naar buiten gegaan. Daar heb ik gebeden en gewenst dat we weldra onze kerken en kloosters terugkrijgen.’ Nu hij toch hier is, gaat de veertiger de Aya Sophia in. Bijna fluisterend zegt hij: ‘Ik weet dat het niet mag, maar ik ga binnen toch stiekem bidden.’
Mede door het harde Turkse beleid is het aantal christenen in Turkije geslonken tot een paar duizend. Vooral de Grieken zijn in de loop der jaren -soms gedwongen, vaak ook vrijwillig- vertrokken uit het land waar ze vroeger zo sterk vertegenwoordigd waren. Maar hoe klein de groep nu ook is, toch blijft Istanbul van groot belang voor de Grieken omdat ze de thuisstad is van de Grieks-orthodoxe patriarch.
Vader Dositeos, de woordvoerder van de patriarch, ziet geen reden voor pessimisme. Hij koestert de hoop dat de huidige islamistische regering de beperkingen zal tenietdoen die de vorige seculiere, republikeinse bestuurders hebben opgelegd, omdat hij in premier Recep Tayyip Erdogan gelooft.
‘Erdogan is tegenover de niet-moslims in Turkije een stuk milder dan zijn voorgangers’, zegt Dositeos. ‘Hij is de enige premier die openlijk heeft gezegd dat de niet-moslims in het verleden bloot hebben gestaan aan een fascistisch beleid. Zo’n uitspraak betekent heel veel voor ons. Ik geloof dat hij ook van harte wenst dat onze problemen worden opgelost. Ik verwacht dat onze priesterschool op Heybeli-eiland binnenkort zal opengaan. Ik hoop het enorm. Want zoals nu het ervoor staat, hebben we over tien jaar geen geestelijk kader meer in Turkije.’
Enkele dagen na de ruzie bij Sumela schrijft een Turkse krant dat in de Akdamar-kerk misschien één keer per jaar een mis zal mogen plaatsvinden. De regering buigt zich momenteel over het voorstel, maar de ultranationalistische Grijze Wolven hebben al gereageerd: ‘Als dat gebeurt, maken we van de Aya Sophia een moskee.’
Voor veel Turken is het al een grote vernedering dat de Aya Sophia geen moskee meer is sinds de oprichting van de Turkse seculiere republiek. ‘Als de Grieken maar niet denken dat het een kerk wordt. We hebben al te veel concessies gedaan’, schrijven de extreemrechtse Turken op internetsites.
Bron: http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=BI2DT3AU
H. Petrus Damianus (1007-1072), kluizenaar en vervolgens bisschop, Kerkleraar
Sermon 9 ; PL 144, 549-553

“Vanaf nu, in deze tijd, het honderdvoud ontvangen” (Mc 10,30)
Het is nodig dat we onthecht van onze bezittingen en van onze eigen wil leven, als we Hem willen volgen die “geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen” (Lc 9,58) en die gekomen is “om niet zijn wil te doen, maar de wil van Degene die Hem gezonden had” (Joh 6,38)… Weldra zullen we uit ervaring weten wat de Waarheid beloofde aan wie alles verlaat en Hem navolgt: “Hij zal het honderdvoud ontvangen…, en hij zal het eeuwig leven erven” (Mc 10,30). De gave van het honderdvoud is immers voor ons een troost voor het navolgen, en het bezit van het eeuwig leven zal altijd ons geluk zijn in het hemels vaderland.
Maar wat is het honderdvoud? Dat zijn eenvoudigweg de vertroostingen van de Heilige Geest die zoet zijn als honing, zijn bezoeken en zijn eerste vruchten. Dat is de getuigenis van ons geweten, dat is het gelukkige en zeer vreugdevolle wachten van de rechtvaardigen, dat is de herinnering aan de overvloedige goedheid van God, dat is ook werkelijk zijn immense tederheid. Zij die de ervaring van deze gaven hebben, hebben het niet meer nodig dat men er met hen over spreekt, en wie kan deze gaven met eenvoudige woorden beschrijven aan degenen die er geen ervaring mee hebben?
Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org
Scenes uit het leven van de heilige Panteleimon
H. Anastasius (295-373) bisschop van Alexandrië en Kerkleraar
Het leven van de H. Antonius, vader van de monniken, 2-4

“U zult een schat in de hemel bezitten”
Na de dood van zijn ouders, toen Antonius tussen de achttien en twintig jaar oud was…, kwam hij op een dag in de kerk op het moment dat het Evangelie voorgelezen werd, en hij hoorde dat de Heer tegen de rijke jongeling zei: “Als je volmaakt wilt zijn, ga en verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij”. Antonius had de indruk dat die lezing speciaal voor hem bedoeld was. Hij ging meteen naar buiten en gaf zijn bezittingen aan de mensen in het dorp. Na zijn andere bezit verkocht te hebben, gaf hij al het geld dat hij had aan de armen en zette een klein deel apart voor zijn zusje.
Een andere keer ging hij weer eens de kerk binnen en hoorde de Heer in het Evangelie zeggen: “Maak je geen zorgen over de dag van morgen” (Mt 6,34). Hij kon het niet verdragen dat hij nog iets achtergehouden had, en dat gaf hij ook aan de armste mensen. Hij bracht zijn zus onder bij bekende en trouwe vrouwen, die samen in een huis woonden, om bij hen opgevoed te worden. En hij heeft zich vanaf dat moment, dicht bij zijn huis, toegewijd aan het ascetische leven. Hij was waakzaam over zichzelf en hij volhardde in een streng leven…
Hij werkte met zijn handen, want hij had dit woord gehoord: “Wie niet wil werken, niet zal eten” (2Tes 3,10). Hij kocht zijn brood met een gedeelte dat hij verdiende en verdeelde de rest onder de behoeftigen. Hij bad zonder ophouden, want hij had geleerd “bid onophoudelijk en in eenzaamheid” (Lc 21,36). Hij was zo oplettend op wat er gelezen werd dat hij niets verloren liet gaan van de Schrift en onthield alles; vervolgens kon zijn geheugen de boeken vervangen. Alle inwoners van het dorp en alle godvrezende mensen die hem vaak bezochten en die hem zo zagen leven, noemden hem vriend van God. Sommigen hielden van hem als van een zoon en anderen als hun broer.
Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org
De ervaring van de Heilige Geest in de orthodoxe Kerk
Door Elisabeth Behr Sigel

Orthodoxe theologen en spirituele mensen onderlijnen het verborgen , mysterieuze karakter van de Derde Persoon van de drie-eenheid. Zij constateren een soort anonimiteit van de Geest, waarvan de volle openbaring enkel op het einde der tijden wordt verwacht. De geest heeft geen eigen naam. Spiritualiteit en heiligheid behoren toe aan de Drie goddelijke Personen. Terzelfdertijd heeft de Geest vele namen. Alles wat de mensheid verheft boven zichzelf, alles wat het werk en de uitstraling is van de Heilige Geest. “Gij hebt vele namen, hoe zal ik je noemen, Gij die men niet kan noemen ?” roept Gregorios van Nazianze uit. ” Uw naam, zo begeerd en voortdurend aanroepen, niemand kan zeggen wie het is”, zingt de byzantijnse mystieker Symeon de Nieuwe Theoloog.
De Geest heeft geen onthuller in de andere goddelijke Persoon, stellen de Kerkvaders vast. “De beelden zelf waarmee de Schrift de Geest beschrijft blijven duister”, schrijft de monnik van de Oosterse Kerk. “Hij is een vlam, zalving, parfum. Hij is een duif die vliegt en rust – en hij is tegelijk niets van dit alles” (Een monnik van de Oosterse Kerk, de duif en het lam, Chevetogne, 1979,pp.13-14). De Geest, is de anonieme God die in de wereld aanwezig is zonder zich ermee te vermengen. Zijn persoon verbergt zich tegelijk in hem aan wie hij zich geeft, Christus, waarvan hij de tegenwoordigheid actualiseert, en in hen aan wie Hij zich geeft.
Er is dus ook een kenose van de Geest, zoals er een kenose van de Zoon van God is. De Geest ontledigt zich en verootmoedigt zich als persoon om de Zoon des mensen te openbaren en in de mensen.
“Zijn tegenwoordigheid is verborgen in de Zoon zoals de adem en de stem verdwijnt voor het woord die zij hoorbaar maken” schrijft Paul Evdokimov (L’Esprit Saint dan la Tradition orthodoxe, p88). Het is in de volheid der tijden, in de veelheid van de verlichte aangezichten door hen, de menselijke personen die hij geheiligd heeft, het is in de Kerk-mensheid die de vrouw geworden is,omhuld met de zon uit de Apocalyps (Hand.12,1-2), dat de persoon van de geest onthuld zal worden. De geest kennen, hier en nu, betekent zijn kracht ontvangen, maar het is ook, zoals de heiligen het getuigen, zich laten binnenleiden in het mysterie van zijn tederheid, het zichzelf wegcijferen, de vreugde, in de wederzijdse zelfgave. Zo is het einde van de christelijke existentie, het Koninkrijk van God waarvan wij de komst afsmeken. Het is kenmerkend dat in sommige zeer oude teksten van het Onze Vader, het afsmeken van het Koninkrijk van God wordt vervangen door de vraag : “dat uw Geest kome”.
In dit perspectief betekent Pinksteren de ultieme openbaring die wij zouden kunnen ontvangen in dit aardse leven, een anticipatie van deze waarnaar wij verlangen – en waarnaar wij gaan in geloof en hoop. De gave van de Heilige geest kondigt zich aan en bevat de cosmische transfiguratie in kiem, de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, het hemels Jeruzalem waar God elke traan wist. Daarom komen op de dag van Pinksteren de gelovigen naar de Kerk met groene takken en bloemen. Zij symboliseren het nieuwe van de Geest, die van de verrezen Christus,die vloeit op de aarde en op de mensen, de goddelijke belofte vervullend : ” In zal een nieuwe Geest over hen zenden, ik zal uit hun lichaam het hart van steen weghalen en zal hen een hart van vlees geven ” (Ez.2,19).
Eén van de specifieke uitingen van dit veranderen van hart is de staat van de ziel welke de Russen oumilénié noemen, “ontroering” : pijnlijke vreugde, gemengd met tranen, universele godsvrucht, exstase wanneer het hart zich verblijd over de dimensies van het universum, van gans de schepping die in barensweeën verkeert en die zuchtend streeft – maar met hoop – naar de openbaring van de Zonen en dochters van God ( cf. Rom.8,18-23). Van de woestijnvaders tot de byzantijnse mystiekers en de russen, van Ephraïm de Syriër tot Symeon de Nieuwe Theoloog, van Tikhon en Seraphim van Sarov tot Aliocha Karamazov ( personnage uit de roman “De gebroeders Karamazov van Dostoïevski) en in de anonieme ‘russische pelgrim”, doorkruisen de accenten van deze smartelijke vreugde de oosterse spiritualiteit in een immense doxologie.
Het meest gewoon gebed gericht tot de Geest in de orthodoxe Kerk aanroept hem als ‘Koning van de hemel’. De koninklijkheid van de Geest wordt nochtans nooit in de kerkelijke godsvrucht beschouwd als een soort ‘derde rijk’ die zou volgen op dat van de Vader en de Zoon, als een nieuwe openbaring, volgens de illusie van sommige duizendjarige secten en die dikwijls gevolgd worden door nobele en grootmoedige geesten. De orthodoxe godsvrucht scheidt nooit de geest van de Zoon en de Vader. Zijn koninklijkheid, schrijft de Monnik van de Oosterse Kerk, bestaat erin “zijn onderwerpen te doen buigen naar diegene die gezegd heeft tot Pilatus : “Ik ben koning” (Joh.18,37). De functie van de Geest is om Jezus aan de mensen mede te delen, zijn genade, het inzicht in Zijn Woord en Zijn verrijzenis. En terzelfdertijd in hen en onder hen het rijk van de Zoon te grondvesten. Hij toont hen met hem en in hem en door hem het rijk van de Vader, totdat God in allen zij (cf. 1 Kor.15,24-28).
De gave van de Geest zou in dit perspectief niets anders zijn dan een buitengewone gave, alleen gegeven aan sommigen. Leven in de Heilige Geest, dat is de roeping van elke Christen en tenslotte de ultieme roeping van elk menselijk zijn. In zijn beroemd onderhoud met Nicolas Motolitov, zegt de heilige Seraphim van Sarov, een Russische heilige uit de XIXe eeuw, aan zijn leerling en vriend : “Het gebed, de vasten, de waken en elk ander Christelijk werk zijn goed op zichzelf. Echter, het is niet in hun vervulling dat het doel van het christelijk leven bestaat. Het zijn slechts middelen. Het waarachtig doel van het christelijk leven is de verwerving van de Heilige Geest”. De heilige Seraphilm van Sarov doet niets anders dan – in de taal van een simpele Russische monnik, een taal waarin men niet te veel de termen moet benadrukken – de vaste leer van de Kerk te onderwijzen, Helaas, dikwijls verduisterd door het ritualisme en het legalisme, maar altijd aangepast voor de authentische spirituelen.
Tien eeuwen voor Sint Seraphim, vermaande Symeon de Nieuwe Theoloog zijn tijdgenoten : ” Het zegel van de Geest is vanaf nu gegeven aan de gelovigen…aangespoord door dit geloof, loop zoals het behoort om het doel te bereiken….Klopt totdat men u opent en dat gij binnen de bruidskamer de Bruid kunt aanschouwen”. Dit appel en nog andere analoge die verspreid worden door deze bijbel van de mystiek van de Oosterse Kerk, dat de philocalie is, miljoenen orthodoxen hebben niet opgehouden het te bemediteren : hesychasten van de Athos berg, monniken-eremijten van Rusland en Moldavië, leerlingen van Nil van de Sora (Sorsky) of de staretz Païssii Velitchkovski, maar ook eenvoudige leken, mannen en vrouwen levend in deze wereld, zoals de beroemde Verhalen van de Russische pelgrim. Vandaag nog, is het spirituele gebed of het gebed van het hart de geheime bron die de orthodoxe vroomheid besproeien. Ee
n gebed waarvan de naam van Jezus in zekere zin de materie vormt en waarvan de kracht de Adem is, de onuitsprekelijke Geest verenigt met de menselijke adem.
De Geest en de Kerk
De persoonlijke bewustwording van de inwoning van de Geest, “God is intiemer dan mijn intiemste”, situeert zich nochtans in een kerkelijke context. De Kerk is, volgens de orthodoxe opvatting, bij uitstek “de plaats waar de Heilige Geest werkzaam is”. Deze definitie is ons gegeven door Vader nicolas Afanassieff in zijn boek “L’Eglise de l’Esprit Saint” (De Kerk van de Heilige Geest). Het werd hernomen door de libanese metropoliet Georges Khodr in een communicatie die hij gedaan heeft op het theologisch colloquium over de heilige Geest te Rome (maart 1982) : “De Kerk is geactualiseerd op de dag van Pinksteren door de Geest en in de Geest. Zij is de plaats waar de Heilige Geest handelt en de Geest is haar principe van activiteit door de charisma’s”. En Georges Khodr citeert het gezang van de grote vespers van Pinksteren : “De Geest doet de profeten opspringen als een bron ; hij stelt de priesters aan ; de zondaars, hij maakt theologen , hij vormt de Kerk”. En om de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos op te roepen : ” Indien de Geest niet aanwezig was in haar midden, dan zou zij niet blijven bestaan. Indien zij blijft bestaan, dan is dit een teken van de aanwezigheid van de Geest”.
Er is geen tegenstelling in dit perspectief tussen “het instituut” en de “Charisma’s”. Er zijn verschillende functies in de Kerk. Spanningen ontwikkelen zich, te wijten aan de menselijke zonde. Maar de Geest is de enige bron van de gaven die aan ieder gegeven worden met het oog op het bouwen van het gemeenschappelijk spirituele huis, waarvan alle gelovigen de kostbare en noodzakelijke stenen zijn. Als plaats waar de Heilige Geest handelt beschikt de Kerk niet over hem als haar eigendom, krachtens een magische priesterlijke macht die de bedienaar zou bezitten. Als gave en gever geeft de Geest zich in vrijheid. Hij is de persoon-gave die zichzelf geeft om met de Zoon, de wil van de Vader te vervullen. Hij is het antwoord van de Vader op het nederige en vertrouwvolle gebed van de Kerk, conform de woorden van het evangelie : “Vraagt en gij zult verkrijgen…Klopt en er zal u worden opengedaan. Als gij dus , die slecht zijt, de goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer dan zal uw hemelse vader zijn heilige Geest geven aan hen die erom vragen.”(Luc.11,13). De orthodoxe eucharistische liturgie bereikt haar hoogtepunt in de épiclese : een dringend gebed gericht tot God om Zijn Heilige Geest te zenden, tegelijk over de gaven om ze te veranderen in het lichaam en bloed van Christus en over de gelovigen opdat het ontvangen van deze gaven voor hen zouden zijn “zuivering van de ziel, vergeving der zonden, communicatie met de Heilige Geest en vervulling van het Koninkrijk der hemelen “. Zo is elke eucharistie de actualisatie van zowel Pasen als Pinksteren, communio, door en in de Heilige Geest voor de gelovigen ten overstaan van de bevrijdende verlossing van het heil dat vervuld is door Christus eenmaal voor allen (Hebr.10,10) “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige Geest ontvangen” zingen de gelovigen na de eucharistische communie.
Zo sterk uitgedrukt in de eucharistische epiclese, vergezeld en authentificeert de Geest alle sacramenten. Zij is de ademhaling van de Kerk : gans het leven van de Kerk is epicletisch, ’t is te zeggen, afwachting, aanroeping en ontvangst van de Geest. De figuur van de kerk is de biddende die men ziet op de muren van de catacomben : de vrouw rechtop, haar lege,open handen omhoog naar de hemel gericht. Als gemeenschappelijk werk, volgens de ethymologische betekenis van het woord, actualiseert de liturgie het gebed van de Geest en de bruid : “Kom, Heer Jezus…Maranatha” (Apoc.22,17-20). Als antwoord doet de Heer de bruid deelnemen aan haar Pasen. Zo is de dialoog die het liturgisch gebed uitdrukt, als een echo van de eeuwige dialoog, in het intertrinitaire leven, van de Duif en het Lam. “De liturgische bijeenkomst”, schrijft Georges Khodr, “is een bruidsvergadering die de bewoners van hemel en aarde omvat en zelfs het universum. Haar bezieler, de daadwerkelijke liturgie, is de Geest “gever van het leven”. Aanwezig in de christelijke bijeenkomst, zingt de Geest in haar, spreekt hij ten beste in haar bij de Vader. De Kerk smeekt de Geest heiligmaker en verlichter dat zij haar zet – en in haar elke gelovige- in de staat van het gebed” (Georges Khodr, “L’Esprit Saint dans la Tradition orthodoxe” SOP, supplément n° 68np.7).). Dit gebed sluit de Kerk niet op in haarzelf. Zij verruimt haar tot wereldse dimensies. Als wij, door de Heilige Geest, de aanwezigheid van de Heer midden onder ons kunnen waarnemen, dan worden wij opgeroepen om zijn aangezicht waar te nemen in elk menselijk wezen, vooral in de minsten van onze broeders.
Wanneer de priester, op het einde van de eucharistische liturgie zegt : “Laat ons heengaan in vrede”, dan wil dit zeggen, zoals vader Bobrinskoy eraan herinnert, dat wijzelf dragers zijn geworden van de Geest, dat wij geroepen zijn om het Goede Nieuws te zijn voor de wereld, verenigt met hem die het Goede Nieuws in persoon is.
Als gratis gave wordt de genade van de Geest gegeven aan de gelovige voor de geestelijke strijd in zijn eigen hart en in de wereld. Zij is Koninklijke en priesterlijke zalving die zichtbaar wordt in de cultus “in geest en waarheid” waartoe de mensheid is geroepen (cf.Joh.4,24). : offerande van zichzelf en het nutteloze universum waarvan hij de woordvoerder is, aan de Vader als de bron van de liefde zonder grenzen. Een offerande die de werken van een authentische menselijke cultuur zou kunnen veranderen in een cultus. Zo is de doelgerichtheid kenbaar gemaakt door het sacrament van het chrisma zoals het wordt toegekend in de orthodoxe kerk, na het doopsel. Wij vermelden hierbij de zalving met het heilig chrisma over alle leden en in het bijzonder over de zintuigen, die het menselijk wezen in relatie stelt met zijn gelijken en met de wereld, deze zalving consacreert hem totaal aan God, opdat zijn ganse leven, hier en nu wordt veranderd, in afwachting van de uiteindelijke cosmische transfiguratie.
De Geest en de éénheid van de Kerk
Een voorafbeelding van de éénheid in Christus in de schepping in haar geheel, op het einde der tijden wanneer “God alles in allen zal zijn” (1 Kor.15,28),is de éénheid van de Kerk in orthodox perspectief, als een gave van de Geest. Het is de geest die de Kerk bijeenbrengt; een vergadering van hen die Hij heeft geroepen uit het Oosten en het Westen om ondergedompeld te worden in de dood van Christus en te verrijzen met Hem door hen het nieuwe leven te schenken in de uitstraling van de trinitaire liefde.
Zoals Vader Jean Meyendorf merkt op, (Jean Meyendorf, Introduction à la théologie Byzantine, pp232-233, Seuil, 1975) dat in de byzantijns liturgische taal, de griekse term koinonia – Communio -specifiek de aanwezigheid van de Geest in de eucharistische bijeenkomst aanduidt. Aldus is het idee evident dat de communio van de Vader, de Zoon en de Geest – deze communicatie van de Heilige Geest die de mens binnenleidt in het goddelijke leven, en de communio-communauté die er is tussen de mensen, in Christus, door de Geest, niet alleen worden aangeduid met hetzelfde woord maar ook geworteld zijn in dezelfde realiteit. De eucharistische communio is een gave bij uitstek van de Geest, ze geeft
vorm aan en actualiseert sacramenteel, de Kerk in haar volheid en dit in een gegeven plaats en tijd.
Door de uitstorting van de Geest, wordt een virtuele gemeenschap van zondaars veranderd zodat het Lichaam van Christus in hen aanwezig is, “De Kerk is één, heilig, katholiek en apostolisch”.
Deze band tussen de sacramentele eucharistie en de éénheid van de Kerk die zij actualiseert door de gave van de Heilige Geest wordt sterk uitgedrukt in het anafoor van Sint Basilius : “Wij bidden en smeken u, o Heilige der Heiligen, opdat door uw goedheid, uw Heilige Geest over ons en over de gaven die wij nu offeren kome, en dat hij ze zegent, heiligt en kenbaar maakt als het kostbaar Lichaam van onze Heer en God, en deze kelk als het kostbaar Bloed van onze Heer en Verlosser Jezus Christus… en dat de Geest ons allen, die het Brood en de Kelk delen, in de gemeenschap van de Heilige Geest, moge verenigen.”
Geworteld in de gemeenschap van de Drie Goddelijke Personen is de kerkelijke communie ook een communio tussen personen. Traditioneel wordt in de Kerk van het Oosten ieder die communiceert genoemd bij zijn naam. “Het is omdat ieder van ons de tempel van de Heilige Geest is en dat wij gezamenlijk het “lichaam van Christus” vormen” (Un Moine de l’Eglise d’Orient, op.cit.p21). Eén van de thema’s uit de byzantijnse hymnologie van Pinksteren is de parallel tussen de “verwarring van Babel” en de harmonie die gegrondvest is door de nederdaling van de Geest onder de vorm van vurige tongen die op ieder rustte, “Hij riep ons allen op tot éénheid, zo verheerlijken wij ook met één stem de Alheilige Heilige Geest” (Kondakion van Pinksteren).
De gave van de geest heft de pluraliteit van personen niet op. Hij schaft deze onuitsprekelijke verschillen tussen de één en de ander niet af. Maar door de uitstorting van de Geest, triomfeert God op de zaaier van verdeeldheid – diabolos – die de verschillen omvormt tot een instrument van scheiding, onderdrukking, wederzijdse uitsluiting. De Geest is de ziel van de symfonie van de schepping die sacramenteel wordt geanticipeerd in de Kerk, maar die zich slechts ten volle zal realiseren wanneer de tijden vervuld zijn.
Het empirische leven van de historische Kerken ontkent dikwijls deze visie, die nochtans ingeschreven staat in de diepten van het kerkelijk geweten. Moge de kerk worden zoals ze is in de gedachten van de levende God ! Mogen wij Kerk worden door de altijd vernieuwende uitstorting van de Geest !
Koning van de hemel, trooster, Geest der Waarheid
Die overal tegenwoordig zijt en met wie alles vervuld is.
Schatkamer van alle goed, en Gever van het leven
Kom en verblijf in ons
Zuiver ons van alle smet, en red onze zielen, O Algoede.
(Uittreksel uit : Quelques aspects de le théologie et de l’experience de l’Esprit Saint dans l’Eglise orthodoxe aujourd’hui”, Contacts, Vol.36)
Vertaling : Kris Biesbroeck
10e zondag na Pinksteren
‘Genezing van de maanzieke’

LEZINGEN :
Epistel : 1 Kor 4,9-16
Want* ons, apostelen, heeft God volgens mij de minste plaats toegewezen, die van ter dood veroordeelden. Wij zijn een schouwspel geworden voor heel de wereld, voor engelen en voor mensen: wij zijn dwaas ter wille van Christus, en u bent zo verstandig in Christus! Wij zijn zwak, u bent sterk; u geëerd, wij geminacht. Tot nu toe lijden wij honger en dorst. Wij zijn naakt en krijgen slaag, wij zijn dakloos en matten ons af om met eigen handen de kost te verdienen. Worden wij uitgescholden, dan zegenen wij; worden wij vervolgd, dan verdragen wij het; op smaad antwoorden wij minzaam. Wij worden nog steeds behandeld als het schuim der aarde, als het uitvaagsel van de maatschappij.
Niet om u beschaamd te maken schrijf ik dit, maar om u te vermanen als mijn dierbare kinderen. Misschien hebt u in Christus duizend opvoeders, maar veel vaders hebt u niet. Ik ben het die u door het evangelie in Christus Jezus heb verwekt..Ik mag u dus aansporen: neem een voorbeeld aan mij.
EVANGELIE : Mattheüs 14,22-34
Tegenwind op het meer
Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen.Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij de berg op om te bidden, Hij alleen. Toen het avond geworden was, was Hij daar nog alleen. Toen de boot al veel stadiën uit de kust was, had die het zwaar te verduren van de golven, omdat de wind tegenzat. Op het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. ‘Een spook!’, riepen ze, en ze schreeuwden van angst. Meteen zei Jezus: ‘Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.’ Petrus gaf Hem ten antwoord: ‘Heer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.’ Hij zei: ‘Kom.’ En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe. Toen hij lette op de kracht van de wind, werd hij bang, en toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: ‘Heer, red me.’Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Toen ze in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.De mensen in de boot vielen voor Hem op de knieën en zeiden: ‘Werkelijk, U bent de Zoon van God.’ Ze staken over en kwamen aan land in Gennesaret.
H. Caesareus van Arles (470-543), monnik en bisschop
Sermon 25

“Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af.”
Als we goed opletten, broeders en zusters, dan kunnen we profiteren van het feit dat Christus honger heeft .. Kijk: een muntstuk aan de ene kant, het Koninkrijk aan de andere. Welke vergelijkingen zijn er? Je geeft een muntstuk aan een arme en van Christus ontvang je het Koninkrijk; je geeft een stuk brood en van Christus ontvang je het eeuwige leven; je geeft een kledingstuk en van Christus ontvang je de vergeving van je zonden.
Laten we de armen dus niet minachten, maar laten we ze liever bij ons wensen en laten we ons haasten om bij hen te komen, omdat de ellende van de armen het geneesmiddel van de rijken is, zoals de Heer heeft gezegd: “Doch geeft liever de inhoud als aalmoes en zie, alles in u is rein.” En “Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen” (Lc 11,41;12,33). En de heilige Geest roept door de profeet: “Water blust een laaiend vuur, mededogen neemt je zonden weg” (Sir 3,30)… Laten we dus barmhartig zijn, broeders en zusters en met de hulp van Christus, houden we de verbinding met zijn belofte vast; vooral die die ik u heb herinnerd, toen Hij zei: “Geef en u zal gegeven worden” (Lc 6,38) en ook: “Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt 5,7).
Dat iedereen naar zijn bezit moeite doet om niet met lege handen naar de kerk te komen: degene die verlangt te ontvangen, moet iets geven. Dat degene die het zich kan permitteren, de arme met een nieuw kledingstuk bedekt; dat degene die dat niet kan tenminste een oud kledingstuk geeft. Wat degene betreft die zich daarvoor niet voldoende rijk acht, dat hij een stuk brood geeft, dat hij een reiziger ontvangt, dat hij een bed klaarmaakt, dat hij hem de voeten wast; om te verdienen dat Christus tegen hem zegt: “Komt gezegenden van mijn Vader, neem bezit van het Koninkrijk; want ik had honger en u hebt me te eten gegeven; ik was een vreemdeling en u hebt me ontvangen.” Niemand zal zich kunnen verontschuldigen dat hij geen aalmoes geeft, wanneer Christus heeft beloofd om een beloning te geven in ruil voor een glas water (Mt 10,42).
Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org
Eusebius van Cesarea (rond 265-340), bisschop, theoloog en historicus.
Kerkelijke geschiedenis, II, 3, 9

Het martelaarschap van de apostel Jacobus
Het was ongetwijfeld dankzij de genade van kracht en hulp uit de hemel dat de leer van het heil als een zonnestraal plotseling de gehele aarde verlichtte. Volgens de goddelijke Schrift weerklonken immers de stemmen van de goddelijke Evangelisten en Apostelen over de gehele aarde; hun woorden bereikten de uiteinden van het universum. En in elke stad, in elk dorp, als in de open lucht vormden zich massaal sterke Kerken met duizenden mensen, gevuld met gelovigen…
Maar onder de regering van keizer Claudius, begon koning Herodes met het slecht behandelen van enkele leden van de Kerk; zo liet hij Jacobus, de broer van Johannes omkomen door het zwaard (Hand 2,2). Clemens vertelt het volgende verhaal over Jacobus, welke waard is om herinnerd te worden: degene die hem had meegenomen naar de rechtbank was geraakt toen hij zag hoe Jacobus getuigenis aflegde, en hij beleed openlijk dat hij ook christen was. Beiden werden meegenomen naar terechtstelling; en onderweg vroeg hij aan Jacobus om hem te vergeven. Jacobus dacht een ogenblik na en omhelsde hem vervolgens en zei: “De vrede zij met u!” En beiden werden tegelijkertijd onthoofd
Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org
‘Wij moeten door onze daden bewijzen dat wij een onverdeelde Kerk zijn’
Metropoliet Jean (Zizioulas)
In een toespraak die gehouden is naar aanleiding van de werkzaamheden van de 4e panorthodoxe conferentie, op 8 juni jongstleden, in het patriarchale centrum, nabij Genève, heeft metropoliet Jean van Pergamos, die deze vergadering voorzat, het accent gelegd op de essentiële uitdagingen die zich stellen aan de verantwoordelijken van de ganse territoriale orthodoxe Kerk die op deze vergadering aanwezig waren, te weten het opnieuw opstarten van het voorbereidend panorthodox préconciliair proces,en dit na 15 jaar van immobilisme.
Men wil er de voorstellen laten aannemen in het vooruitzicht om de hachelijke vraagstukken vande canonische organisatie van de orthodoxe gemeenschappen te regelen.
Bisschop Jean Zizioulas is titulair bisschop van Pergamo. Hij is één van de beste specialisten van de Kerkleer ( ecclesiologie). Hij is gediplomeerde van de universiteit van Harvard, doctor in de Theologie van de universiteit van Athene en doctor honoris causa van de orthodoxe faculteit voor theologie van Belgrado, van het instituut Saint Serge en het ‘ institut Catholique’ van Parijs. Verder is hij professor emeritus van de theologische faculteit van Thessaloniki en van het Kings College in Londen en lid van de Academie van Athene. Hij is verder co-president van de internationale gemengde commisie voor de theologische dialoog tussen de katholieke Kerk en de orthodoxe Kerk. Veel werken staan op zijn naam, vooral op het domein van de ecclesiologie, vele daarvan zijn in het Frans verschenen. L’être ecclesial (Labor et fidens,1881) en L’Eucharistie, l’évêque et l’Eglise durant les trois premiers siècles (Desclée de Brouwer,1994)
(…) Door de welwillendheid en de genade van de drie-ene God heeft onze vergadering plaats gedurende de celebratie van het Pinksterfeest, de komst van de Heilige Geest. Dit om aan te duiden dat het mandaad dat ons gegeven is door onze heilige Orthodoxe Kerk, heilig is, en dat dat ze een bevel vormt van de Heilige Geest zelf (…) In de loop van onze huidige bijeenkomst worden wij opgeroepen, ondanks onze nederige wijze van bestaan, om instrumenten te worden van de Parakleet (Joh 14,15-17,6; 15,26; 16,7 ; 1 Joh.2,1). Op dezelfde wijze, door te gehoorzamen aan Hem die ‘elk Kerkgebouw overeind houdt’, om op onze wijze bij te dragen om de eenheid van de Kerk te versterken en te verdiepen ten voordele van de eenheid van de Kerk ‘één, heilige en apostolisch’. God heeft ons door Zijn barhartigheid ons waardig bevonden hieraan deel te nemen. Alhoewel deze eenheid ons door de genade van God is gegeven, toch moeten wij er altijd om bezorgd zijn en ze ontwikkelen, want onze vijand de duivel (1 Petrus 5,8), houdt niet op om onenigheid te zaaien en de eenheid ernstig en te bedreigen, nu eens met succes, dan weer ernstig en gevaarlijk. De verantwoordelijkheid die op ons rust, vooral bij diegenen onder ons aan wie het bisschopsambt werd toevertrouwd, bestaat erin deze eenheid te beschermen en te versterken met alle middelen.
‘De autocephalie mag niet verworden tot een autocephalisme’
Dit blijkt niet noodzakelijk het geval te zijn voor alle orthodoxen, gegeven het feit, dat , eerder gezien wordt als een totaliteit van kerken, veeleer dan één Kerk. Zeker, het is waar dat de orthodoxe ecclesiologie de eenheid van de kerk ziet als een eenheid van autocephale Kerken. Maar in geen enkel geval mag deze interpretatie niet het idee suggereren dat wij bestaan uit ‘Kerken’ en niet uit één ‘Kerk’. Er is slechts één enkele en enige orthodoxe Kerk, en dit manifesteert zich zowel op het vlak van het geloof en de liturgie als op het vlazk van haar canonische structuur. Zoals de oecumenische patriarch Bartholomeüs het heeft onderlijnd van zijn toespraak tot de primaten van de orthodoxe Kerken, tijdens de synaxe die gehouden werd in oktober laatst in de phanar. Het hoort niet dat de autocephalie verwordt tot een ‘autocephalisme’. Het is dus van belang dat, zowel in hun wederzijdse relaties als in hun contacten met hen die buiten de orthodoxe Kerk staan, de autocephale Kerken handelen als één lichaam, als één enkele en enige Kerk.
Het is juist in deze Geest dat alle Orthodoxe Kerken hebben beslist, op die manier handelend als één onverdeelde Kerk, om het groot en heilige concilie van de orthodoxe Kerk te celebreren. Want overeenkomstig met de seculaire traditie van de Kerk, die teruggaat op de eerste apostolische gemeenschappen en waarvan de handelingen der Apostelen getuigen (Hand.15), vormt het conciliaire systeem de meest authentieke wijze om de eenheid van de Kerk te bevestigen, te garanderen en af te kondigen. In dit opzicht kan onze heilige Kerk niets anders reageren dan te handelen conform met de traditie en met de eccesiologie die deze traditie dicteert .
Nochtans laat de bijeenkomst van dit concilie lang op zich wachten zodat dit aanstoot neemt bij hen die ons geloof delen en dikwijls zelfs spot bij hen “van buiten” die zich afvragen : als de orthodoxe Kerk daadwerkelijk één is en of ze werkelijk in staat is het aangekondigd concilie kan bijeenbrengen. De verantwoordelijkheid van onze Kerken hierin is enorm. Het volstaat niet van te zeggen dat wij één zijn in het geloof en de liturgie : wij moeten door onze daden bewijzen dat wij een Kerk zijn die één en onverdeeld is, en die in staat is zo een concilie bijeen te brengen. Wij kunnen de bijeenroeping van het heilig en groot concilie van de orthodoxe Kerk niet meer uistellen, die trouwens al sedert lang is aangekondigd, zonder dat dit een fatale klap toebrengt aan de authoriteit en de geloofwaardigheid van onze Kerk (…).
De “disapora”, een canonisch en ecclesiologisch probleem.
Wij weten allen dat het vraagstuk van wat we gewoonlijk de “orthodoxe diaspora “ noemen één van de grootste problemen vormt waarmee de orthodoxe Ker in onze tijd wordt geconfronteerd (…) Men kan moeilijk het feit ontkennen dat de wijze van organiseren van de orthodoxe diaspora enorm lijdt op het canonische en ecclesiologische vlak. Zoals we allen weten bepaalt de 8e canon van het 1e Oecumenisch concilie heel duidelijk dat er maar één bisschop mag zijn in dezelfde stad. Deze canon is fundamenteel, want hij drukt duidelijk de orthodoxe ecclesiologie aan. Conform aan dit fundamenteel ecclesiologisch princiep, die bewaarheid werd in het tijdperk van Ignatius van Antiochië (einde van het 1e en begin van de 2e eeuw), en absoluut gerespecteerd door de oude onverdeelde Kerk, verenigt de bisschop gans de locale Kerk in zijn persoon als hoofd van de locale Kerk, zonder fysische, raciale, nationale, sociale of andere discriminaties. In de persoon van de bisschop worden alle verschillen getranscendeerd naar het voorbeeld van Christus van wie de bisschop het symbool is, en die “er is geen Griek en Jood, besnedene en onbesnedene, barbaar, scythe, slaaf maar de vrije mens” (Kol.3,11). In de oude Kerk zou het ondenkbaar geweest zijn dat er in dezelfde stad een bisschop zou geweest zijn voor de Grieken en een ander voor de Syriërs of de Latijnen, of voor nog andere vertegenwoordigers van elke andere culturele of etnische identiteit.
De orthodoxe Kerk heeft altijd met eerbied dit principe gerespecteerd tot in de 20e eeuw ongeveer. Geleidelijk aan ontstonden, niet zonder aarzeling in het begin, parallelle jurisdicties in de “diaspora”. Het gaat hier dus om een historisch fenomeen, relatief recent die een ecclesiologisch principe , dat fundamenteel werd uitgedrukt in de canon van bovenvermeld 1e Oecumenisch cioncilie, schendt Op het moment dat dit fenomeen naar voren kwam, heeft het oecumenisch patriarchaat gereageerd door te verwijzen naar de 28e canon van het 4e oecumenisch concilie dat bepaalt dat in de diocesen “bezet door de barbaren”, ’t is te zeggen die zich situeerden buiten de geografische van elke autocephale Kerk, zouden worden gewijd door de primaat van Constantinopel. Sommige orthodoxen hebben echter deze interpretatie van de 28e canon gecontesteerd, wat als resultaat had dat dit niet werd gerespecteerd door een deel van hen. Het is hier niet het moment om over deze vraag te debatteren (…). Het oecumenisch patriarchaat, zonder te verzaken aan haar interpretatie van bovenvernoemde canon, en bezorgd om de éénheid van de orthodoxe Kerk te handhaven, die ze beschouwt als het opperste goed, heeft de aanwezigheid van bisschoppen van andere jurisdicties in de landen van de “diaspora” van aanvaard. Dit echter tot er een midden wordt gevonden conform de canonische orde, uitgedrukt door de 8e canon van het 1e oecumenisch concilie, en de fundamentele ecclesiologische principes aanbevolen door het geloof en de orthodoxe traditie.
Wij worden geconfronteerd met deze cruciale vraag : zijn wij klaar, wij de orthodoxe Kerken om terug te eren tot de oude canonische discipline die slechts één bisschop voorziet voor de locale Kerk ? De interorthodoxe voorbereidende commissies, die de vragen heeft onderzocht en documenten hebben uitgewerkt en onderworpen aan onze goedkeuring, hebben geoordeeld dat de orthodoxe Kerken er op dit ogenblik nog niet klaar voor zijn om terug te keren tot de strenge canonische discipline, en dit om verschillende redenen. Zij stellen nochtans voor om deze orde geleidelijkaan te herstellen. Gedurende een eerste stap gedurende dewelke de bisschoppenvergaderingen, één per regio, en samengesteld uit “canonische” bisschoppen die elk hun regio bedienen, goed zouden functioneren .
Wij worden opgeroepen om onze consensus op, te bouwen rond twee voorname assen. Vooreerst, de orthodoxe Kerk herbevestigt en proclameert haar aanhankelijkheid aan de heilige canons en aan haar ecclesiologie die slechts één bisschop voorzien en voorschrijven binnen elke locale Kerk. Ten tweede, omwille van historische omstandigheden en pastorale behoeften die ermee verbonden zijn, een overgangs-etappe voordat de canonische orde het fundament moet zijn van de bisschoppenconferenties, zoals voorzien is in de uitgewerkte documenten door de interorthodoxe voorbereidende commissie.
“Wij kunnen niet in inactief
blijven !”
De verantwoordelijkheid die op ons rust, aan ons, deelnemers van de huidige conferentie, is werkelijk enorm. Het is een verantwoordelijkheid tegenover God, tegenover het volk van God en de Geschiedenis. De vraag die zich aan ons stelt is te weten of de bijeenkomst van het heilige en groot concilie van de orthodoxe Kerk zal bespoedigen of dat zij terug op de lange baan zal geschoven worden. Alles hangt af van onze beslissingen. Wat zullen wij zeggen aan het volk van God die met angst wacht om het resultaat te kennen van onze conferentie ? of datwij mislukt zijn om een consensus te bereiken ? Wie zou de durf hebben om de verantwoordelijkheid te nemen voor zo een verantwoordelijkheid ? Wie zou de enge belangen durven laten primeren van zijn eigen Kerk ten nadele van het algemeen belang van de orthodoxie als geheel, van de trouw aan de canonische traditie en de ecclesiologie ?
De canonische oplossing die moet gevonden worden voor het probleem van de “orthodoxe diaspora” is wezenlijk een complexe vraag en kan niet direct haar canonische vorm veranderen. Het gaat hier nochtans ook om een urgente zaak, en indien wij geen onmiddellijke maatregelen nemen die georiënteerd zijn op een canonische oplossing, een situatie die de orthodoxie voorstel als onverdeeld wordt hiermee gefundeerd (….) Wij kunnen niet inactief blijven ! (…)
Het minste dat wij kunnen doen is onze trouw te proclameren aan de principes van de ecclesiologie en aan de heilige canons, waarop onze Kerk is gefundeerd. Dit, om niet beschuldigd te worden tekort te hebben geschoten aan het geloof van onze Vaders. Anderzijds, door de bestaande moeilijkheden te bekennen om onmiddellijk terug te keren tot de strenge canonische discipline en om maatregelen te nemen om het geleidelijkaan te bereiken. Dat kan door de maatregelen goed te keuren die voorgesteld worden in de documenten van de voorbereidende commissie en onderworpen zijn aan onze goedkeuring en die de wijze van functioneren voorzien van de locale bisschoppenvergaderingen. Beginnen wij dus de werkzaamheden van onze conferentie in een geest van liefde en waarachtige dialoog, en dat de Parakleet , de Geest van Waarheid onze gids moge zijn, opdat, komende tot een consensus , de naam van de Alheilige Drie-eenheid moge worden verheerlijkt.
Uit : SOP 340 Juli-Augustus 2009
Vertaling : Kris Biesbroeck