De orthodoxe Kerk (deel 2)

DE ORTHODOXE KERK

Olivier Clément

 

Deel 2

 

 

7. – Na de val van Constantinopel : De eeuwen van het in zichzelf gekeerd zijn(16e – 18e eeuw)   

De val van Constantinopel (1453) en de verovering van de Balkan door de Turken maken van Rusland – die zopas het Mongoolse juk heeft afgelegd – het ‘missionaire’ centrum van de Orthodoxie en men vertrouwd haar, wat wij zouden kunnen noemen de diakonale taak van de Kerk, toe (waarvan het spirituele brandpunt de ‘monastieke republiek van de Athos’ is).

Met het weer opnemen door de Russische Kerk van haar missionaire rol , komt de missionering in volle bloei bij de bevolking van het Russische gele ras van  Noord-Aziê. De orthodoxe missionarissen bereiken Kamtchatka in 1705, Peking in 1714, de Aleoeten Eilanden en Alaska op het einde van de 18e eeuw. Zij stichtten de Japanse orthodoxe Kerk bij het begin van de 20e eeuw.

In vergelijking met het Westen kende de Orthodoxie een lange tijd van teruggetrokkenheid, van defensieve houding.

De theologische gedachte wordt polemisch en laat zich aantasten door de problematiek zelf van haar tegenstanders (zo de metropoliet van Kiev, Pierre Moghila (1632-1647), dit, om meer te weerstaan aan de Contra-Reformatie, men latiniseert het theologisch onderwijs (die zo zal blijven in Rusland gedurende gans  de 18e eeuw). Het impact van de westerse controverses (een patriarch van Constantinopel, Cyrillus Loukaris, publiceert in 1629 een calvinistische geloofsbelijdenis) verplicht de Orthodoxie om haar ecclesiologische posities te verduidelijken : ondanks haar verzwakte positie, slaagt zij erin dank zij een groot bisschop: de patriarch van Jeruzalem Dositheos, die veroorzaakt een zekere patristieke herbronning ( in Roemenië, waar men christelijke boeken mag drukken). De concilies van de 17e eeuw (Iassy,1642 – Jeruzalem, 1672 : de belijdenis van Dositheas) onderlijnen de sacramentele structuur van de kerkelijke institutie.

De bekoring van deze tijd blijft  een erfenis van Byzantium, deze van de sacrale gemeenschap en het nationaal messianisme. Deze bekoring is vooral sterk in Rusland waar zich tezelfdertijd de thema’s ontwikkelden van het ‘Derde Rome’ en van het ‘Derde Keizerrijk’, en waar zich in 1589, met de instelling van het patriarchaat van Moscou ( toegelaten en gezegend door de moederkerk, Constantinopel) de ‘symfonie’ van de Basileus en de Patriarch zich herstelde. Ondanks het evangelisch verzet van de ‘dwazen in Christus’ en de eremieten van over de Wolga, verstarde het ‘heilig Rusand’ in het ritualisme, met een gevoeligheid van het Oude Testament die de nadruk legt op de letter, op de wet, en die het Russische Rijk bijna vereenzelfdigde met het messiaanse Rijk.

De onhandige en brutale actie van patriarch Nikon in de 17e, eeuw betekende voor de Russische Kerk zowel veel goed als kwaad voor de orthodoxe universaliteit ( de liturgische teksten werden herzien vanuit de griekse boeken), en overwint, zij het niet altijd, in de psychologie van de gelovigen, dan toch minstens in het bewustzijn van de Kerk, de bekoring van een magisch christianisme en een sacrale samenleving. De concilies van Moscou van 1666-1667, waaraan de patriarchen van Antiochië en Alexandrië deelnamen, veroordeelden de oud-gelovigen , aanhangers van het messiaanse Rijk van de ‘Witte Tsar’, van een ritualistische ecclésiologiedie geen enkele plaats laat voor de scheppende vrijheid van de mens…

Ernstig verzwakt door dit drama, kon de Russische Kerk zich niet verdedigen tegen de secularisatie die werd uitgevoerd door Peter de Grote. In 1721, hief hij het patriarchaat van Moscou op, en zette aan het hoofd van de Russische Kerk een Synode, waar de echte machthebbers aan deelnamen met een vertegenwoordiger van de staat (leek), de ‘procureur generaal van de Heilige Synode’ : de Kerk voelde zich onderworpen zoals ze nog nooit geweest was in Byzantium of het oude Rusland.

De 18e eeuw is dus een tragische periode voor de orthodoxe Kerk. Te Constantinopel zijn de patriarchen, in de greep van instabiliteit en de corruptie van de ottomaanse politiek, niet meer dan marionetten (48 volgden elkaar op in drie en zeventig jaar). In Rusland, waar de icoon en de sacrale muziek ‘ver-ilaliaansten’, de invloed van de ‘verlichting’ brengt Catharina II ertoe om het aantal aanwervingen voor de monasteria nauwlettend te beperken en om hun goederen te seculariseren (1764).

De renaissance komt op een keerpunt in de 18e en 19e eeuw : door het ‘hesychastisch’ gebed en door de universele orthodoxie. Een monnik van de Athos, de heilige Nicodemus de Hagioriet, en de bisschop van Korintië Macarios stellen een monumentaal werk samen de Philocalie, gepubliceerd in 1782 te Venetië ( men noemt de Philocalie ‘liefde voor de schoonheid’, een bloemlezing van spirituele teksten).  Op het moment dat de geest van de Encyclopedie triomfeert binnen de europese elites is dit een waarachtige encyclopedie van de aanbidding, een existentiële  terugkeer naar de Vaders van de woestijn. Vertaald door een inwoner van Ukraïne in Moldavië, Païssios Velitchkovsky, gaat de Slavische en vervolgens de Russische Philocalia, de spirituele renaissance van de Kerk in de 19e eeuw structureren.

Zij vond in Rusland een door de Kerk voorbereid terrein.  Geplaagd centreerde ze zich op het ‘enig noodzakelijke’ ( met in het bijzonder een intense beweging van vrouwelijke godsvrucht : bijeenkomst van leken, vervolgens van gemeenschappen). Op het kruispunt van deze locale herbronning en van de ‘philocalische’ beweging staat een grote ‘getransfigureerde’ op van de moderne Orthodoxie, de heilige Seraphim van sarov, profeet voor allen, monniken en leken, van de ‘verwerving van de Heilige Geest’. De monasteria hervormen zich en laten  openlijk ruimte voor het profetisch ministerie van de startsi (‘ouderen’) die met de leken de schat van het hysychasme delen. Zij beginnen de afgrond te vullen die de hervormingen van Peter de Grote had gegraven tussen de Kerk en de intellectuelen.

8.- Het probleem van de uniaten

In 1596, op het concilie van Brest (Litovsk), hebben bijna alle Ukraïnse bisschoppen zich terug bij Rome aangesloten. Zij mochten hun riten en gebruiken behouden, maar aanvaardden, met de formules van florence, de Katholieke opvatting over het primaatschap en de voortkomst van de Heilige Geest. Het prestige van de cultuur der Jezuïeten, het verlangen om zich van Constantinopel, dat té dicht bij was en wiens controle men hinderlijk vond, los te maken, en om zich van Rusland, toen een vijand te verwijderen. Het was vooral de droom om een politiek statuut te kunnen bekomen dat analoog was met dat van het latijnse episcopaat. Alles verklaart deze gang van zaken. Eerst verrast, moedigden de Poolse koning en het pausdom de geünieerde Kerk aan . Zij hebben op een moment de orthodoxen hard vervolgd. Deze laatsten,  hebben zich gegroepeerd in  confr&eacute
;rieën van leken. Bij het begin van de 17e eeuw zijn  de Polen, profiterend van de ‘Tijd van Verwarring’ die heerste in Rusland na het verdwijnen van de dynastie, Rusland binnengevallen en probeerden het land gans te doen overgaan naar het uniatisme. De weerstand van het volk, opgehitst door de Russische Kerk, dwong hen om dit op te geven. Desondanks cohabiteren twee Kerken van de Byzantijnse ritus in UkraÏne : de orthodoxe Kerk en de Kerk van de ‘uniaten’ of ‘grieks katholieken’. Deze laatste Kerk breidde zich in de 19e eeuw tot in 1918 uit in west Ukraïne dat onder de Oostenrijkse overheersing stond. Ze werd opgeheven in 1946 op bevel van Stalin, zij werd in ere hersteld met de Perestroïka.

Een gelijkaardige evolutie heeft zich in Transylvaniê voltrokken, dat bevolkt was met een meerderheid van Roemenen maar geïntegreerd in Hongarije tot 1918. In 1700 heeft het orthodox episcopaat de Unie aanvaard, om het Roemeense volk van Transylvanië te beschermen steunende op Wenen en Rome….

In de 19e eeuw heeft deze grieks-katholieke Kerk een belangrijke rol gespeeld om de Roemeense cultuur haar latijnse wortels te helpen terugvinden (School van Ardeal). Opgeheven in 1948 heropgericht sedert 1989.

In het Midden-Oosten tenslotte, bij het begin van de 18e eeuw : een rivaliteit voor de troon van Antiochië, de actie van Katholieke machten, voornamelijk Frankrijk, de culturele en economische kracht van het katholicisme hebben de weg geopend voor de vorming van een grieks-katolieke Kerk. Deze Kerk heeft gedurende het 2e Vaticaans Concilie gepoogd om de rol te spelen van ‘brug-Kerk’ en haar theologen hebben op de meest authentische wijze de stem van het Oosten vertolkt.

Algemeen gezien echter werd het fenomeen van de uniaten door de orthodoxen aangevoeld als een agressie, een misleiding en een loochening van hun kerk-zijn. De renaissance van de grieks-katholieke Kerk in Ukraïne na de val van het communisme heeft intense spanningen veroorzaakt tussen orthodoxen en katholieken. In West Ukraïne en in Sowakije hebben de grieks katholieken hetzij met geweld – in Ukraïne – hetzij door een beslissing van de Staat – in Slowakije – bijna alle alle cultusplaatsen hernomen, de orthodoxen bleven ontwapend achter. In Transylvanië daarentegen waar de gelovigen tamelijk passief zijn deed de Kerk en de Roemeense staat geen recht aan de eisen van de uniaten, die ze hielden voor een zeer kleine minderheid en agressief. Het conflict duur nog altijd voort en breid zich nog steeds uit. Een relatief akkoord  werd echter bereikt in october 1998.

Sedert een twaalftal jaren, heeft er een dialoog plaats tussen de orthodoxie en het Katholicisme over dit probleem. In juni 1993 is de grote gemengde commissie katholiek-orthodox, die samengekomen was aan de universiteit van Balamand, in het noorden van Libanon, tot een akkoord gekomen : het uniatisme en het proselytisme werden er verworpen door katholieken en de orthodoxen hadden er zich er toe geëngageerd om tijdelijk de reeds bestaande grieks-katholieke Kerken te respecteren. Maar het lijkt er op dat de toepassing van dit akkoord zowel van de ene als van de andere kant grote moeilijkheden ontmoet.

9.- De 19e eeuw (tot 1917).

In de Balkan, die geleidelijkaan bevrijd werden van de Turken vormden (of hervormden) zich autocephale Kerken. De patriarch van Constantinopel gaf ertoe de toestemming of erkende, deze omvorming van dochter-Kerken tot zuster-Kerken, niet altijd zonder moeilijkheden noch ze te veronachtzamen,

Echter, wanneer de Bulgaren, vanuit een nationalistische houding, een kerk eisen, niet vanuit territoriaal, maar vanuit nationaal standpunt en waarvan de Bulgaren uit Constantinopel zouden deel van uitmaken, heeft het concilie van 1872, voorgezeten in deze stad door patriarch Anthimos VI streng deze vorm van ‘phyletisme’ dit wil zeggen ‘nationale rivaliteiten, twisten onder volkeren binnen de Kerk van Christus’ veroordeeld. Een gouden regel die de orthodoxe visie van de diversiteit zou moeten tot evenwicht brengen, maar ze is zelden in de realiteit toegepast.

De kritische westerse geest, ontvangen zonder voorbereiding noch gezond verstand, zou het orthodoxe geloof hebben kunnen ruïneren indien men er niet vanuit de ‘philocalische’ renaissance op voorbereid was. In Rusland trekken de startsi van Optina vele intellectuelen aan, en Griekenland kent een analoge uitstraling van de gerontes (= ouderen) tot in de literaire middens van de hoofdstad ( beweging genaamd de colyvades : de spirituelen hadden geprotesteerd tegen de celebratie de zondag, dag van de verrijzenis, van een rouwdienst, deze van de colyves, het eten bij een rouwdienst). De Russische hierarchie, die grote mystiekers kende (Theofaan de Kluizenaar, Ignatius Briantchanunoff) werd sterker, en de metropoliet van Moscou Philaret (1821-1867), een diepe theoloog die in zijn prediking de bijbelse en patristieke fundamenten van de Orthodoxie terugvindt komt naar voor als een de facto patriarch. De bijeenroeping van een concilie om het patriarchaat van Moscou in ere te herstellen werd vanaf 1904 beslist door de Synode : alleen de twijfels van Nicolaas II vertraagde dit tot aan de liberale revolutie van maart 1917.

De missie vergrootte haar krachtdadigheid, zowel op het wetenschappelijk als op het spirituele plan. Te Kazan werden de bijbelse en liturgische teksten vertaald in tientallen dialecten die in centraal en het verre -Azië gesproken worden. Groot werk is geleverd in China, Korea en Japan.

Samengevat, de ontmoeting met het Westen, geducht voor het folkloristisch geloof, veroorzaakt een krachtig reveil van de griekse gedachte, een bewustwording van de boodschap en de dienst van de Orthodoxie. In 1848, als antwoord op een appel van Pius XI, publiceren de oosterse patriarchen een plechtige encycliek om de paus te smeken om het dogma van de onfeilbaarheid niet in te voeren, dit om te verduidelijken dat de Waarheid wordt bewaard door het ganse lichaam van de Kerk. Deze encycliek vond een grote weerklank in Rusland.

Indien verschillende ‘slavofielen’ het volk van God verwarren met de cultuur van het Russische volk, indien zij willen democratiseren door té veel ecclesiologie, twee grote leke-theologen, Khomiakov en Kirievski ontwikkelen de orthodoxe notie van katholiciteit (sobernost) als vrije communio.

Een Gogol, een Dostojevsky onderzoeken de diepte van het moderne Atheïsme en tonen ons – dikwijls in het licht van de startsi – een vernieuwd christendom in de smeltkroes van angst en twijfel.

Vervolgens, bij het begin van de 20e eeuw, was er het grote avontuur, verward maar profetisch, van de Russische religieuse filosofie. Haar aanhangers zijn vrijwillig gehecht aan Christus na de tragische ervaring met het atheïsme. Velen komen uit het marxisme. Hun gedachten zijn dikwijls gekenmerkt door een zwaarwegende duitse gnosis en is waardevol door haar ‘afbakeningen’, haar eisen : de ganse moderne realiteit verkennen door een vernieuwde Orthodoxie,  een christelijke cosmologie uitwerken of beter een cosmische ecclesiologie rond de notie van Sophia, de Wijsheid van God, alomtegenwoordig (Soloviev, Florensky, Boulgakov),  een kennis
ondersteunen in het perspectief van een existentialisme en een christelijk personalisme (de Troubetskoï, Berdiaev). Een dikwijls tevergeefse inspanning, altijd stimulerend, en die de Russische gedachte, eenmaal bevrijd, begin te hernemen, maar dan in de marge van de kerkelijke institutie.

10.- De grote beproeving (van 1917 tot 1988).

In de 20e eeuw is het geweld van het atheïsme eerst op de Russische Kerk zijn nefaste uitwerking gehad. Van 1918 tot 1941 heeft ze één van de ergste vervolgingen doorgemaakt welke de christelijke wereld heeft gekend, met tientallen miljoenen martelaren (processen en executies van 1922-1923, verwoesting van het landelijk christendom , van priesters van de dorpen in 1928-1934, de grote stalinistische zuiveringen van 1937-1938) De radicale scheiding van Kerk en Staat en van de school werd ondernomen in het perspectief van de ‘ondergang van de religie’. Het werd gezien als iets onvermijdelijk  voor de officiële ideologie. Monasteria en seminaries werden dus gesloten, elke vorm van catechese verboden. Het dekreet van 2 april 1929 weigerde aan ‘religieuze verenigingen’ elke vorm van intellectuele, culturele, sociale en caritatieve activiteit. Men stond enkel, tegenover de ‘antireligieuze propaganda’ deze van de religieuze ‘cultus’ toe. Deze stellingname werd hernomen door de opeenvolgende Constituties van 1936 en 1977. Na de dood van patriarch Tikhon (1925), kon geen enkele patriarch meer gekozen worden. Het regime bevoordeelde echter een progressief schisma : de ‘levende Kerk’ genaamd, die aan het regime toegewijd was, en deze realiseerde de voorziene hervormingen gedaan in de voorbereidende preconciliaire werkzaamheden. Daardoor zette zij deze hervormingen blijvend in gevaar. (het gebruik van het russisch, bijvoorbeeld).

Alles veranderde met de tweede wereldoorlog. De trouw, het patriottisme, het prestige bij de bevolking van de traditionele Kerk, de noodzaak om alle krachten van het land bijeen te brengen, ook deze om te beantwoorden aan de heropening van vele kerken in bepaalde bezette zones, leidden tot de ‘normalisatie’ van 4 september 1943. Het patriarchaat werd opnieuw ingesteld, vele bisschoppen en priesters kwamen uit de deportatie terug, een beperkte vorm van kerkelijk onderwijs om priesters te vormen werd opnieuw toegestaan , het schisma van links werd ongedaan gemaakt. Na de dood van Stalin, van 1953 tot 1959 kende de Russische Kerk een korte lente. Men telde in 1959, 22.000 parochies (54.000 in 1917) bediend door 30.000 priesters, ongeveer 80 monasteria, 8 seminaries en 3 theologische academiën.

Van 1960 tot 1964, komt gedurende de laatste periode van de regering van Kroutchtchev een nieuwe golf van niet-bloedige maar ‘verstikkende’ vervolgingen tot stand om deze vernieuwingen te breken. In 1961 verliest een priester de leiding van zijn parochie, omdat ze zogezegd toekomt aan een ‘executief lekeorgaan’, waarvan sommige zijn ingesteld door de burgerlijke autoriteiten. De ‘ raad voor religieuze zaken bij  de Raad van ministers van de ussr’ controleert de patriarch en zijn synode. De lokale gevolmachtigden controleerden de priesters. Het aantal open Kerken wordt zo gereduceerd tot ongeveer 7000.

Sedert 1945 hebben alle Kerken van Zuid-Oost Europa (buiten die van Griekenland) dezelfde vervolgingen gekend.

Vertaling van het eerste hoofdstuk van het boekje van Olivier Clément : L’Orthodoxie

door Kris Biesbroeck

 

3e zondag na Pinksteren : over de leliën in het veld

 3e zondag na Pinksteren

Over de leliën in het veld”

Lelie_6582

Eerste lezing

Romeinen 5,1-10

Leven in vrede met God
[1] Gerechtvaardigd door het geloof leven* wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. [2] Hij is het die ons door het geloof* de toegang* heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen* op onze hoop op de heerlijkheid* van God. [3] Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat verdrukking leidt tot volharding, [4] volharding tot beproefde deugd en die weer tot hoop. [5] En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.
     [
6] Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde* tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. [7] Je zult je leven niet snel geven voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand de moed hebben te sterven voor een goed mens. [8] God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor dat Christus voor ons is gestorven toen wij nog zondaars waren. [9] Des te zekerder is het dat wij, eenmaal gerechtvaardigd door zijn bloed, dankzij Hem gered worden van de toorn*. [10] Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder is het dat wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven.

Evangelielezing

Mattheüs 6,22-33

22] De lamp van het lichaam is het oog. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. [23] Maar als je oog slecht is, zal heel je lichaam duister zijn. Als nu binnenin je het licht duisternis is, hoe erg zal dan de duisternis zijn! [24] Niemand kan twee heren dienen. Want hij zal de een verfoeien en van de ander houden, of zich hechten aan de eerste en de ander verachten. Je kunt God en de geldduivel* niet tegelijk dienen. [25] Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten of drinken om in leven te blijven, en ook niet over de kleding voor je lichaam. Is het leven niet meer dan het eten, en het lichaam niet meer dan de kleding? [26] Kijk naar de vogels van de hemel: ze zaaien niet en maaien niet en oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze. Zijn jullie niet meer waard dan vogels? [27] Wie van jullie kan met al zijn zorgen een el toevoegen aan zijn leven? [28] En wat maak je je bezorgd over je kleren? Leer van de lelies op het veld hoe ze groeien. Ze werken niet, ze spinnen niet. [29] Maar Ik zeg jullie: zelfs Salomo met al zijn pracht en praal ging niet gekleed als een van hen. [30] Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo kleedt, hoeveel te meer kleedt Hij dan jullie, kleingelovigen? [31] Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? [32] Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal nodig hebt. [33] Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan krijg je dat alles erbij

 

Eusebius van Caesarea : Velen zullen komen van het oosten en het westen, en zullen aanzitten in het Rijk der helelen

Eusebius van Cesarea (ca.265-340), bisschop, theoloog, historicus
Evangelische bewijsvoering, II, 3, 35

 

Eusebius_of_Caesarea25

“Velen zullen komen van het oosten en het westen, en zullen aanzitten in het Rijk der hemelen”

      Er zijn veel getuigenissen in de Schrift die aantonen dat de heidense naties niet minder genade hebben ontvangen dan het joodse volk. Als de Joden deel hebben aan de zegeningen van Abraham, de vriend van God, omdat ze zijn nakomelingen zijn, laten we ons er dan aan herinneren dat God besloten had om een zelfde zegen aan de heidenen te geven, niet alleen zegeningen voor het nageslacht van Abraham, maar ook voor die van Izaak en Jakob. Hij heeft immers expliciet gezegd dat alle naties gelijk gezegend zullen worden en Hij nodigt alle volken uit tot één en dezelfde vreugde met de gelukzalige vrienden van God “Juicht, gij volken, met Zijn volk!” (Dt 32,43) en ook “De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van de God van Abraham” (Ps. 47,10).

      Als Israël zich beroemt op het Rijk van God, door te zeggen dat het zijn erfenis is, dan tonen de goddelijke profetieën dat God ook regeert over andere volken: “Zeg aan de volken: De Heer is koning” (Ps. 96,10) en ook “God heerst als koning over de volken” (Ps. 47,9). Als de joden uitverkoren zijn om priesters van God te zijn en om hem een dienst op te dragen…. Dan heeft het woord van God beloofd om aan de volken het zelfde ambt mee te delen “Geeft de Heer, gij geslachten der volken, geeft de Heer heerlijkheid en sterkte. Geeft de Heer de heerlijkheid van zijn naam, brengt offer en komt in zijn voorhoven” (Ps. 95,7-8)…

      En aangezien vroeger in de begintijd “het deel van de Heer zijn volk Jakob was, het land Israël dat Hem ten deel viel” (Dt 32,9 LXX), in een tweede tijdperk bevestigt de Schrift dat alle volken als erfdeel aan de Heer gegeven zullen worden. Volgens het woord van de Vader: “Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit” (Ps 2,8). De profetie verkondigt ook dat Hij “zal heersen” niet alleen in Judea, maar “heersen zal hij van zee tot zee, tot aan het einde van de aarde. Alle volken zijn hem tot knecht en alle stammen van de aarde zijn gezegend in Hem” (Ps 72,8-11). Op deze wijze heeft de Heer zijn overwinning bekendgemaakt, voor de ogen van de volken” (Ps 48,10).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Basilios de Grote : Blijft altijd bidden, staande voor de mensenzoon

De Goddelijke Liturgie van de Heilige Basilius (4e eeuw) 
Eucharistisch gebed, 2e deel


Basilios de grote 235

Blijft altijd bidden, staande voor de Mensenzoon

      “Doet dit tot gedachtenis aan Mij. Elke keer als u van dit brood eet en als u uit deze beker drinkt, kondigt u mijn dood aan, en belijdt u mijn verrijzenis”. De priester gaat door: Heer, wij herinneren dus het lijden van Christus die heil geeft, en zijn kruis dat leven geeft, zijn begraven zijn gedurende drie dagen, zijn verrijzenis uit de doden, zijn opstijging ter hemel, zijn aanwezigheid aan uw rechterzijde, o Vader, en zijn wederkomst, die heerlijk en gevreesd zal zijn door hen, die aan U toebehoren, aan U te schenken.

      Het volk zegt: In alles en voor alles zingen wij U toe, wij zegenen U, en wij danken U, Heer, en wij bidden tot U, onze God. Daarom heilige Meester, zijn wij waardig bevonden om u te dienen aan uw heilig altaar, niet om onze gerechtigheid, want wij hebben niets goeds op aarde gedaan, maar door uw goedheid en uw grote barmhartigheid, durven wij uw altaar te naderen, en offeren wij het sacrament van het heilig Lichaam en Heilig bloed van Christus. Wij bidden U en wij roepen U aan, O Heilige der Heiligen: dat door uw goedheid en uw welwillendheid uw Heilige Geest over ons komt en op de gaven hier aanwezig, dat Hij ze zegent en heiligt, dat Hij dit brood van het kostbaar Lichaam van onze Heer en Verlosser Jezus Christus zegent (De diaken zegt: Amen) en ook deze beker met het kostbaar Bloed van onze Heer en Verlosser Jezus Christus (De diaken zegt: Amen) dat vergoten is voor het leven in de wereld (De diaken zegt: Amen).

      Dat wij allen die aan dit enige Brood en deze enige Beker deelnemen, verenigd worden met elkaar in de gemeenschap met de enige Heilige Geest, en dat niemand onder ons deelneemt aan het heilig Lichaam en het heilig Bloed van Christus voor zijn oordeel en zijn veroordeling, maar dat wij medelijden en genade vinden met alle heiligen die sinds het begin U aangenaam waren… Laat ons met één enige stem en één hart Uw waardige en prachtige naam verheerlijken en bejubelen: Vader, Zoon en Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

De Orthodoxe Kerk – deel 1

DE ORTHODOXE KERK

 Olivier Clément

 DEEL  1

Inleiding

Met het Rooms Katholicime en de Kerken voortgekomen uit de Hervorming, is de orthodoxe Kerk één van de  drie grootste uitderukkingsvormen van het historisch christendom. Zij telt ongeveer 200 miljoen gedoopten. In oost Europa moest zij lange tijd gebukt gaan onder de barbaarse omstandigheden van een totalitair regime. Sedert de grote politieke of economische emigraties van onze tijd is zij ook in het Westen aanwezig. Zij is er nochtans minder goed bekend.

Daarom hebben wij getracht, zonder het vuur en de zwakheden uit de geschiedenis te vergeten, om te gaan naar het essentiële. Dit doen we door te vertrekken vanuit het binnenste zelf. Om de levendige éénheid van de Orthodoxie naar waarde te schatten, zijn we kort gebleven in wat betreft de theologische fundering die haar eigen is, om vervolgens aan te tonen hoe deze zelfde realiteit de kerk structureert en haar plaats bepaalt in de heiligheid. Wat zou, op het spiritueel domein, een kennis voor ons betekenen die ons niet het gevoel zou geven van een innerlijke vooruitgang ? Dit is ten minste het doel van de korte bijdrage die wij hier willen geven.

Eerste hoofdstuk

 CHRONOLOGIE

1. – De orthodoxe Kerk in de lijn van de primitieve Kerk

 ‘Apostolisch’, de orthodoxe Kerk situeert zich in de ononderbroken continuïteitVan de primitieve Kerk.

Onder de kenmerken die eigen zijn aan het Oosten, zijn er verschillende  die de historicus treffen: de paasvreugde van de Verrijzenis, de overwinning op de dood en de hel, gemeenschappelijk voor alle christenen, is nooit verduisterd geweest in de Orthodoxie door een overdreven aandacht voor goede vrijdag. De Handelingen der Apostelen verheerlijken de werkdadigheid van de Naam van Jezus : de aanroeping van deze Naam vormt de kern van de orthodoxe spiritualiteit. Voor de heilige Johannes welt het licht en het leven op uit de sacramenten : een Cabasilas in de 16e eeuw, een Johannes van Kronstadt onderlijnen dat het ‘leven in Christus’ ons het bewustzijn geeft en de ervaring van deze sacramentele genade… De locale eucharistische gemeenschap manifesteert ons de gansheid van de Kerk (‘de Kerk van God te Rome…te Korintië’ schrijft Paulus):  dit is ook vandaag nog het fundament van de orthodoxe ecclesiologie. Alle locale kerken  drukken in het concilie hun gemeenschappelijk getuigenis uit : de Orthodoxie ziet in het ‘concilie’ van Jeruzalem (Hand.15,5-29) het prototype van haar denkbeeld van getuigenis en dienst in de Kerk… De ‘charisma’s’ van de Geest zijn overvloedig aanwezig in de apostolische tijden : de Orthodoxie heeft altijd een waarachtige profetische ambt gekend, luisterrijk of verborgen.      

2. – De zeven Oecumenische concilies

Met de bekering van het romeinse Keizerrijk (4e eeuw), en de veralgemeende christianisering van de wereld rond de middellandse zee, de ontmoeting met de griekse filosofen verplicht de Kerk om de ‘intellectuele inhoud’ van het mysterie waarvan zij leeft te verduidelijken. De griekse Vaders hebben niet geprobeerd om een synthese samen te stellen tussen de openbaring en de filosofie : met een onafhankelijke souvereiniteit hebben zij de techniek en de filosofische woordenschat gebruikt uit hun tijd, zonder zich op te sluiten in één bepaald systeem (alles evenzeer, en alles ook even weinig stoïcijns en aristotelisch als platonisch…) In een altijd concreet perspectief, soteriologisch, hebben zij deze christelijke gedaanteverandering van de denkbeelden welke Byzantium ons zal nalaten met ijver verdedigd. Het Semitisch aards  genie van Antiochië matigt het meer symbolische genie dat Alexandrië is. De grote ascese van de woestijn schrijft de theologie voor aan de contemplatie en, met Macarius de Grote ( of de onbekende die onder die naam schuilgaat) hervindt de bijbelse eenheid van de mens zich in het ‘hart’ – dit tegen het griekse dualisme.

Het is in deze tijd, in het kader van het christelijk Keizerrijk en op initiatief van de keizers zelf die bezorgd waren om de eenheid van het geloof van hun onderdanen te bewaren, dat in het mediteraan Oosten de zogenaamde 7 Oecumenische ( komt van oecuméné . de bewoonde wereld –  gelijk met het Keizerrijk) concilies zijn tot stand gekomen. De orthodoxe Kerk heeft vóór en na nog andere concilies gekend, waarvan hun beslissingen de Kerk hebben verrijkt. Nochtans kent zij aan de 7 oecumenische concilies een bijzondere betekenis toe, omdat ze de christologische boodschap van de Kerk hebben verduidelijkt, het mysterie van Christus waarlijk God en waarlijk mens, de spil van gans het christelijk geloof.

Het concilie van Chalcedonië (451), hoogtepunt van de christologie, belijdt Christus ‘waarlijk God en waarlijk mens’ ‘die zich doet kennen in twee naturen zonder vermenging, zonder verandering, ondeelbeer, onscheidbaar, op deze wijze dat…de eigenschappen van elke natuur slechts het meest intens zijn wanneer ze verenigt blijven in één enkele persoon of hypostase…’.

De oecumenische concilies hebben ook de lokale kerken gegroepeerd rond enkele ervan, die een rol spelen als centra van overeenstemming : zo staat de bisschop metropoliet in voor de bisschopswijding van zijn provincie, en de patriarch voor de wijding van metropolieten. Er kwamen vijf patriarchaten tot

stand          : Rome, Constantinopel, Alexandrië, Antiochië, Jeruzalem ( de ‘Pentarchie’). Rome had de rol van ereprimaat en had een grote morele autoriteit, maar haar juridische macht herleidde zich in het Oosten tot een beperkt juridisch appèl

3. – Het schisma tussen de Westerse en de Oosterse christenheid.        

Tussen de 11e en de 13e eeuw, scheidden de wegen van het Westen en het Oosten zich geleidelijk.

De diepste reden, die alleen de duur van de scheiding verklaren, zijn theologisch. Er is vooreerst het probleem van de voortkomst van de Heilige Geest.   

Het Credo van Nicea-Constantinopel, hernam de woorden van Christus (Johannes 16,26),         dat de heilige Geest ‘voortkomt uit de Vader’. In een conceptuele context dat verschilt van die uit het Oosten, en die we zullen vermelden ter gelegenheid van onze uiteenzetting van de trinitaire theologie, zal het Westen vanaf de 3e-4e eeuw verklaren dat de Heilige Geest voortkomt : ‘…uit de Vader en de Zoon’ a Patre Filioque .  Laat gekend in Byzantium, werd deze formule streng verworpen in de 9e eeuw door patriarch Photius die bevestigt : ‘De
Geest komt uit de Vader alleen voort’.

Een andere essentiële oorzaak van het schisma is de wil van de pausen om de morele primauteit, een aanwezigheid in liefde, (heilige Ignatius van Antiochië) in de schoot van de locale kerken om te vormen tot een rechtstreekse juridische macht  over deze kerken, tot misprijzen van de traditionele rechten van de bisschoppen, de metropolieten, de patriarchen. In de 11e eeuw zal de gregoriaanse hervorming, die het pausdom wilde bevrijden van de duitse keizers en de kerk van de feodaliteit, een poging ondernemen om de bisschoppen rechtstreeks onder het gezag van de paus te onderwerpen (en de koningen : theorie van de ‘twee zwaarden’), en de onfeilbaarheid van het hoogste kerkelijk gezag van Rome opeisen (onfeilbaarheid die nochtans maar zal worden gedogmatiseerd in 1870).

De hervormers omringden reeds paus Leo IXe wanneer hij in 1054 een missie naar Constantinopel zond. De voornaamste legaat, kardinaal Humberto,  was een vurig hervormer die overal de wil van Rome wilde opleggen. Tegenover de terughoudendheid van de patriarch van Constantinopel, Michaël Caerularius, legde Humbert op 15 juli 1054 een excommunicatiebulle neer op het altaar van de kerk van de Heilige-Sophia. Daarin veroordeelde hij onder andere de Grieken om het Filioque uit het Credo te hebben weggelaten en het huwelijk van priesters te hebben toegestaan !

In 1204 heeft het onherstelbare zich voltrokken : de 4e kruistocht week af naar Constantinopel, de stad werd ingenomen, de kerken geprofaneerd, de iconen stukgeslagen, de relieken werden geworpen in verachtelijke plaatsen, een prostituee  zong obscene liederen op de patriarchale troon.

Paus Innocent II keurde de gewelddaden van de kruisvaarders af, maar bevestigde de benoeming van een venetiaans patriarch te Constantinopel. De Byzantijnen ontdekten op een brutale wijze de latijnse ecclesiologie : Rome had dezelfde criteria niet meer van de waarheid als het Oosten.

4. – Grootheid van Byzantium

Zoals in de 7e eeuw had de Islam de oude patriarchaten van het Nabije Oosten overstroomd, zonder ze echter te verwoesten. Constantinopel werd voor eeuwen het centrum van het orthodoxe leven : een smeltkroes van een opmerkelijke christelijke cultuur, die voor de mensen de ‘ hemel op aarde’ wilde openen door de iconen en de liturgie. Terwijl de gewijde kunst zich had bevrijd van het naturalisme, bloeide er een immense liturgische  poëzie op, die van de ‘byzantijnse ritus’ – in feite niet rechtstreeks – de enige ritus van de Orthodoxie zal maken : een ontmoeting van het semitische genie en het griekse genie waarvan de meesters twee Syriërs waren, Romanos le Melode (6e eeuw) en de heilige Johannes van Damascus (8e eeuw)die de synthese van de grote patristieke eeuwen opstelde en ze hervormde tot een lofprijzing door bewonderenswaardige ‘Canons’ samen te stellen (gedichten tussen de bijbelse gezangen van de metten).

De grote byzantijnse theologie slaagde erin om de woordenschat van het hellenisme om te vormen in het licht van de Openbaring. Tegen de periodieke ‘renaissances’ van het antieke rationalisme en van de neo-platonische gnose, onderlijnde de Kerk altijd duidelijker de eenheid van de mens en een opvatting van de kennis als een persoonlijk ontmoeting en deelneming, in de Heilige Geest, aan de getransfigureerde mensheid van Christus en waaraan wij deelhebben in de sacramenten. Op de christologische periode van de oecumenische Concilies volgde als het ware een pneumatologische periode.

De leer van de Heilige-Geest werd verduidelijkt – met betrekking tot de Drie-eenheid en de mens – als was zij deze van Christus in de voorgaande periode : de Geest komt voort ‘uit de Vader alleen’ (heilige Photius, 9e eeuw), maar zijn eeuwige ‘manifestatie’ voltrekt zich door de Zoon waarin hij rust (Gregorius van Cyprus en het concilie van 1285).

Tenslotte de Concilies van Constantinopel van 1341 en 1351, gewijd aan het onderricht van Gregorius Palamas, verduidelijken het ‘onderscheid-gelijkheid’ van de verborgen God, radicaal, onkenbaar, en zijn ‘energieën’ in dewelke hij zich volledig participeerbaar stelt voor de gehele mens, zowel het lichaam als de ziel. Byzantium anderzijds, heeft onderlijnd, dat het christelijk leven onlosmakelijk profetische vrijheid (heilige Symeon de Nieuwe Theoloog, 11e eeuw) en gemeenschappelijke  en sacramentele deelname is aan de tegenwoordigheid van de Verrezene (‘La vie en Christ’ van Nicolas Cabasilas, 14e eeuw)

5. – Problemen van de ‘symfonie’

Alleen de iconoclastische keizers van de 8e eeuw hebben formeel  aanspraak willen maken van de cumul van de twee machten (‘Ik ben keizer en priester’, heeft Leo II gezegd). Welnu, de weerstand van de Kerk hiertegen werd actief, belijdend – niet door een revolte, maar door het martelaarschap. Niet door clerikalen, noch door geleerden, maar door waarachtige profeten van de komende wereld. De monniken wekten het getuigenis van het volk op en riepen : ‘Het komt niet aan het keizerrijk toe om beslissingen te nemen op het gebied van geloof’

Het bloed van de martelaren zegevierde. Het keizerrijk kwam gans getransformeerd uit het drama tevoorschijn, bevrijd van het caesaropapisme. Dan bloeide het ideaal van de ‘symfonie’ open : de twee machten (vertegenwoordigd door de Keizer en de Patriarch) moeten elkaar in evenwicht houden, zich harmoniseren, elk in zijn domein, komende van God; De Staat is de verblijfplaats, het ‘hotel’ van de Kerk. Feitelijk haalde de keizer het op de Patriarch, maar de uiteindelijke onafhankelijkheid van de Kerk werd gewaarborgd door de monniken, vooral deze van de Athos :’een bi-polaire structuur’, zei H.-I. Marrou.

Dit heimwee van de ‘symfonie’ van de Kerk en de Staat maakt het de bischoppen van vandaag moeilijk om over hun relatie met de Staat na te denken in een post-christelijke context. Het is alleen in de hedendaagse Diaspora en op de synode van Moscou in augustus 2000 dat de noodzakelijke onafhankelijkheid van de Kerk werd geproclameerd.

6.- De byzantijnse missie en het nieuwe orthodoxe universum

Byzantium ten sotte heeft een immens missionair werk vervuld. Het heeft Oost Europa bekeerd (en geciviliseerd), van de Kaukasus tot de Karpaten en de poolcirkel. De beslissende toename deed zich in de 9e en de 10e eeuw voor : terwijl Georgië (bekeerd in de 5e eeuw door de heilige Nina) een nieuw leven kende door zijn contact met Constantinopel, de landen van de Kaukasus werden geëvangeliseerd, de heiligen Cyrillus en Methodius vertaalden de Bijbel en de liturgie voor de Bulgaren. Zo gaven zij aan de Slaven een geschreven taal, het slavisch, die tot op de dag van vandaag hun liturgische taal is. Bulgaren en Serven werden gedoopt in de 9e eeuw, de Roemenen hadden het christendom leren kennen vanaf de eerste eeuwen, terwijl de Rus van Kiev en van Novgorod (van waaruit Rusland, Ukraïne en Wit-Rusland) zich begonnen  te evangeliseren (of veeleer ‘geliturgiseerd’ zoals men heeft gezegd) in 988. Byzantium organiseerde de nieuwe kerken en metropolitaten die geleidelijkaan ged
ecentraliseerd werden, maar waarvan de metropoliet werd geconsacreerd door de patriarch van Constantinopel. Echter, Bulgaren en Serven hebben elke keer dat zij voldoende machtig waren om zich te verzetten tegen het Keizerrijk (lees : de keizerlijke waardigheid te eisen) bereikten de kerkelijke onafhankelijkheid of ‘autocéphalie’ (met een ‘eerste locale  bisschop’, verkozen door zijn gelijken).

Rusland, in tegenstelling met west Europa en Byzantium, bewaarders van diverse titels van het oude humanisme, is voor bijna alles schatplichtig aan het christendom. Het is vooral met de vernieriging van de Rus van Kiev door de Mongolen en het in zichzelf gekeerd zijn in de wouden van het Noord-Oosten (de metropoliet verloor zijn zetel in Moscou) dat de Kerk de bewaakster van de nationale ziel werd. In de 14e eeuw herstelt Sergius van Radonesj het monnikendom in een geest van evangelische dienstbaarheid. Hij verzoende de feodalen, zegende de grote prins van Moscou Dimitri op de vooravond van de bevrijdingsstrijd van Koulikovo (1380). De monasteria vermenigvuldigden zich (beweging van de poustiniki : zij die in de woestijn gaan wonen), ontgonnen de bossen, trokken mensen aan die zij evangeliseerden. Elk monasterie werd een centrum van christelijke cultuur : de orthodoxe iconografie kende toen het toppunt met hun abstracte grootheid – de verborgen structuren van hun getransfigureerd gezicht – van een theofaan de Griek, en het vreugdevolle licht, vloeiend , van een heilige Anderj Roeblov. De Russische Kerk van haar kant, werd missionair, bekeerde vele Mongolen en Finse stammen van het Noorden. In de 14e eeuw, vertaalde de heilige Stefanos van Perm de Schrift en de liturgie in het ziriaans en werd de eerste bisschop van Perm, hoofdstad van het land van Zyziane.

De Byzantijnse theologie en spiritualiteit hield niet op dit nieuwe orthodoxe universum te voeden. De renaissance van de hesychastische spiritualiteit, waarvan de heilige Gregorius Palamas de woordvoerder was, veroverde gans het orthodoxe universum. Het bracht een brede liturgische hervorming met zich mee en een ontwaken  van het persoonlijk gebed; grote monastieke en culturele centra ontstonden aldus in Moldavië, en het ‘zuivere gebed’ straalde op in ‘boven Volga’, in de ermitages van de noordelijkke bossen rond een heilige Nil Sorsky….

Zo heeft Byzantium, voordat ze zou bezwijken aan de aanvallen van de Turken, het licht van de orthodoxe wereld uitgezaaid. Het laatste Byzantium, dit van de Paleologen, losgerukt aan de zekerheid en ten prooi aan de hoogmoed van een ongelukkige geschiedenis, mediteert met een ‘gelukzalige droefheid’ over de vernedering van de Pantocrator, welke Nicolas Cabasilas noemt een ‘bedelaar van de liefde’. Vandaag blijft er niets meer over van de byzantijnse beschaving in haar profane vormen : steden en paleizen zijn verdwenen… Alleen bestaan nog de kerken en, op hun muren, de Christus elkoméno,’uitgejouwd’,vernederd, nochtans vrijwillig gaande naar de foltering en heimelijk         triomferend, heimelijk getransfigureerd.

Vertaling van het eerste hoofdstuk van het boekje van Olivier Clément : L’Orthodoxie

door Kris Biesbroeck

Icoon van de Moeder Gods van Vladimir

ICOON VAN DE MOEDER GODS VAN VLADIMIR

Moeder Gods vladimir 2214

Kenmerkend voor deze ikoon is de innigheid tussen moeder en kind, waarbij het kind vragend de ogen opslaat naar zijn moeder – en de moeder nadenkend voor zich uitkijkt. Bijgeschreven staat (in griekse letters) de afkorting voor ‘Moeder Gods’ en ‘Jezus Christus’.

Deze afbeelding van Maria met het kind Jezus gaat volgens de legende terug op een ‘portret’ gemaakt door de evangelist Lucas. De icoon, die als voorbeeld heeft gediend voor de hier getoonde icoon, geldt als de oudste afbeelding van dit type. Lange tijd is men ervan uitgegaan dat deze ‘Vladimirskaya’ dateert uit de 12de eeuw; en dat die ooit is vervaardigd in Constantinopel. Maar meer waarschijnlijk is het, dat dit alleen geldt voor delen van de kleding. Het overgrote deel zou in de 16de eeuw zijn geschilderd (of overgeschilderd).

De Moeder Gods verwijst naar de “grote moeder”, de moeder van alle leven, Moeder Aarde, die lijdt onder onrecht en de machten van het kwaad die dit leven aantasten en bedreigen.

De Moeder Gods verwijst ook naar de solidariteit met de lijdende mensheid: zij is het die voor de troon van Christus pleit voor het behoud en de redding van alles wat verloren dreigt te gaan.

Zo representeert de Moeder Gods ook de kerk: zij draagt in haar armen het kostbare Christusgeheim; en tegelijkertijd ontleent zij haar betekenis aan dit goddelijk kind, dat ons het mysterie heeft laten zien van een God die niet onbewogen is en veraf, maar bewogen en ons ‘genadig nabij’; van een God die troost en bevrijdt, en die ons verzoent met het bestaan door zijn geest; van een God dus, die vernieuwt en uitzicht geeft op toekomst.

De icoon nodigt ons uit tot meditatie: over wat ons is geschonken in het ‘Woord van God’ in deze wereld, en in de geloofsgemeenschap die daarop steunt.
De icoon nodigt ook uit tot meditatie over onze eigen levensopdracht: wat doen wijzelf met alles wat dreigt geschonden te worden of verloren te gaan? Hoe koesteren wij de bronnen van leven.

Bron : Kerkwinkel koinonia

 

Dorotheus van gaza : Ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht

Dorotheus van Gaza (ca. 500-?) monnik in Palestina
Instructies nr 1, 6-8

Ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht”

Dorotheus van Gaza12 (209 x 250)

      De Wet zei: “Oog om oog, tand om tand” (Ex 21,24). Maar de Heer roept niet alleen op om met geduld de klap te ontvangen van degene die ons slaat, maar nog meer om hem nederig de andere wang toe te keren. Want het doel van de Wet was om ons te leren om de ander niet aan te doen wat wij zelf niet willen lijden. Ze verhindert ons dus om het kwaad te doen uit angst om te lijden. Maar wat nu gevraagd wordt is de haat, de liefde voor genot, liefde voor de eer en andere slechte tendensen te verwerpen…

      Christus leert ons door de heilige geboden hoe we gezuiverd van onze begeerten kunnen worden, opdat ze ons niet nog meer terug laten vallen in dezelfde zonden. Hij toont ons de oorzaak die teruggaat tot aan het minachten en het overschrijden van de geboden van God; Hij levert er ons zo het geneesmiddel voor opdat we kunnen gehoorzamen en gered worden.

      Wat is dus het geneesmiddel en wat is de oorzaak van de minachting? Luister naar wat onze Heer zelf zegt: “Leer van Mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden in uw ziel” (Mt 11,29). Hier toont Hij kort met een enkel woord, de wortel en de oorzaak van alle kwaad, met het geneesmiddel, de bron van al het goede. Hij toont ons wat de verheffing van het hart is, welke ons laat vallen, en dat het onmogelijk is om barmhartigheid te verkrijgen behalve door de tegenovergestelde houding, welke de nederigheid is. Daarom wekt de verheffing minachting en ongehoorzaamheid op, die naar de dood leidt, terwijl de nederigheid gehoorzaamheid en zielenheil veroorzaakt: ik versta de ware nederigheid en niet een onderdanigheid door woorden en houding, maar een ware nederige houding, in het diepst van het hart en van de geest. Daarom zegt de Heer: “Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”. Dat degene die werkelijk rust wil vinden voor zijn ziel, de nederigheid leert.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Pelgrimage in het voetspoor van Paulus

PELGRIMSREIS

IN DE VOETSPOREN VAN HEILIGE APOSTEL PAULUS IN GRIEKENLAND

5 – 17 oktober 2009 [13 dagen]

GROEP: H. SILOUAN DE ATHONIET PELGRIMAGES

 

Aegina (1011 x 681)
 

 Wij beschikken over onze eigen bus met chauffeur en we logeren in hotels. Griekenland is een land met rijkdom aan spiritualiteit, aan mooie landschappen bezaait met vele zeer vroeg Christelijke kloosters. We brengen een bezoek aan de steden Athene, Thessaloniki en Patra, Nafplio. Eveneens de kloosters van Meteora, Mega Spileo en Mystras in Pelopponnessos, Ossios Loucas, Kastania, Panorama. We gaan wandelen in de ruïnesteden van Korinthos, Philippi en Amphilopolis, waar Heilige Apostel Paulus zijn voetsporen heeft gelaten. En met een boot gaan we een rondvaart maken rond het schiereiland van berg Athos! In Macedonië hebben we een afspraak voor een gesprek met een Geronda. Dit is hét accent wat een dergelijk reis tot een echte bedevaart maakt!

Deelnemingsprijs is € 875,- per persoon in tweepersoonskamer en € 95,- extra toeslag voor eenpersoonskamer. Er zijn maar enkele plaatsen meer beschikbaar! (Eten en verzekering niet inbegrepen)

Vertrekplaats uit Schiphol, Amsterdam.

 

Info & inschrijving: Hadrian Liem [sainthadrian@yahoo.co.uk of 015-2629811 /NL]

of aartspriester Silouan Osseel [v.silouan.osseel@scarlet.be of 09-2268983 /BE]

 

 

De icoon van Christus Pantocrator

DE ICOON VAN CHRISTUS VERLOSSER

Christus pantocrator (Koinonia)

 

De ikoon laat de verheerlijkte Christus zien: de koning van het Al, die troont in de hemel. De troon is weliswaar niet te zien, maar – dat het hier gaat om Christus, die als richter-koning is teruggekomen voor het laatste oordeel – dat blijkt uit de tekst die te lezen is in de opengeslagen bijbel: “Komt, gezegenden van mijn Vader: beërft het koninkrijk dat u bereid is”. (Mattheus 26:34).

Ook naast zijn hoofd van de Christus staan griekse letters. We lezen daar: Jezus Christus, de Verlosser. Bij het woord ‘verlosser’ denken we misschien in eerste instantie aan de kruisdood van Jezus: toch vinden we de gedachte, dat Jezus de mensheid heeft verlost door zijn dood aan het kruis eigenlijk alleen bij de apostel Paulus. In de talrijke redevoeringen in het boek Handelingen (geschreven door de evangelist Lucas) komt deze verlossingtheologie niet voor. En al evenmin bij de andere evangelisten. Bij hen ligt de nadruk op het leven van Jezus, en de heilsbetekenis daarvan: op de tekenen en de wonderen die Jezus heeft verricht, en die laten zien dat hij macht heeft over het kwaad; op zijn bewogenheid, wanneer hij ziet hoe de “schare” zonder herder is; op zijn liefdevolle zorg voor zieken en maatschappelijke randfiguren; en op het gezag waarmee hij mensen hun zonden vergeeft.

De tekst op de ikoon verbindt deze gedachten met elkaar. Het zijn woorden die ontleend zijn aan de zgn. “eschatologische rede” (rede over de laatste dingen). Verondersteld is dat Jezus bij zijn wederkomst deze redevoering uitspreekt:
“Komt gezegenden van mijn Vader en beërft het koninkrijk van mijn Vader, dat u is bereid vanaf de grondlegging van de wereld”. Om het diakonale aspect van deze tekst te kunnen herkennen moeten we de tekst nog even verder lezen. De motivatie, die volgt op deze uitspraak, bestaat uit zes regels, die worden ingeleid met het woordje ‘want’:

want
ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven
ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven
ik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd
naakt en gij hebt mij gekleed
ik ben ziek geweest en gij hebt mij bezocht
ik was in de gevangeenis en gij zijt tot mij gekomen.

Hieruit blijkt dat het dus in feite niet zozeer gaat om een eindgericht als wel de gevolgen van ons practische handelen. Eeuwenlang is door uitleggers van deze tekst benadrukt dat we mogen leven uit de verwachting dat er ooit, aan het einde van de tijden, een hemels heilsrijk zal zijn. Maar daar is het Mattheus niet om te doen: in aansluiting bij de Joodse traditie (die nauwelijks spreekt over een bestaan na de dood) legt hij de nadruk op het heil in deze wereld. In West Europa zijn we pas sedert de Verlichting gaan begrijpen, dat we verantwoordelijk zijn voor de wereld die we achterlaten voor ons nageslacht; en dat we dus, in het beste geval, mogen hopen op een betere wereld voor onze kinderen en kleinkinderen.

De tekst op de ikoon verwijst niet naar een verre toekomst en een andere wereld: de tekst verwijst naar de zegen, die mensen voor elkaar kunnen zijn, wanneer ze zich bewust zijn van hun levensopdracht en wanneer ze zich – in overeenstemming daarmee – gedragen als erfgenamen van het ultieme heil waartoe de mens ‘vanaf den beginne’ is bestemd.

 Bron : Kerkwinkel Koinonia – met toestemming

Icoon van johannes de Doper

ICOON VAN JOHANNES DE VOORLOPER

Johannes de Doper (op te nemen)
 

Jij, wie ben jij?” (Συ τις ει; Joh.1:19). Dat was de vraag waarmee Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten op Johannes afstuurden om hem te vragen wie hij was. Men verwachtte de Messias. Maar daarover is Johannes duidelijk: hij is het niet. Zou hij dan misschien Elia zijn? Maar de profeet: nee, dat is hij al evenmin. En zo blijft de vraag min of meer onbeantwoord.

Het Messiasbegrip stamt uit de traditie van het volk, dat vele duistere tijden heeft gekend. Steeds waren er dan weer mensen, die zich afvroegen wat er nodig zou zijn om een messiaanse tijd te laten aanbreken: een wereld, waarin mensen waardig en in vrede met elkaar zouden kunnen leven. Ook in het Nieuwe Testament vinden we uiteenlopende gedachten over deze kwestie. Sommigen verwachtten een profetische gestalte, die het lot zou kunnen keren: een soort Elia – de kampioen in het bestrijden van afgodenvereerders. Anderen verwachtten het heil van een politieke gestalte, een nieuwe David, of een tweede Mozes. En volgens nog weer anderen was het wachten op een hogepriester, een Aäron die de cultus zou hervormen. Maar er waren er ook die dachten aan een voleinding: zij spreken over het einde van de tijd, over het moment waarop de rekening wordt opgemaakt. Pas na een definitieve vergelding kan er iets nieuws komen, een nieuwe aarde. Johannes de Doper roept mensen op om zich te bekeren. Maar wie is hij dan?

“Jij, wie ben jij?” De Oosterse kerk heeft deze Johannes verbonden met het gebed: steeds zien we hem samen met de Moeder Gods afgebeeld, waarbij zij staan rond de troon van de verhoogde Christus. Deze compositie, bekend als de ‘deësis’ (= gebed), heeft een vaste plaats heeft gekregen op de ikonostase.

Vaak wordt gesuggereerd dat de Moeder Gods en Johannes de Doper een voorspraak zijn voor deze wereld: dat zij smeken om barmhartigheid. Maar dat is misleidend: wij associëren de voorspraak gewoonlijk met woorden waarmee gebeden wordt voor de nood van de wereld. Maar volgens de ortodoxe theologie gaat het bij het bidden niet in de eerste plaats om de inhoud. Veel essentiëler is een openheid voor het heilige; een respect voor ‘wie er was vóór wij er waren, en er zal zijn als wij er niet meer zijn’; voor Hem die oorsprong, grond en bestemming is van ons bestaan. Die openheid is louterend. De Moeder Gods en Johannes zijn in hun openheid voor het heil voorbeeldig. Antwoordde Maria de engel niet met de woorden ‘mij geschiede naar uw woord’? Wat zou ervoor nodig zijn om je deze houding eigen te maken?

Elk bidden veronderstelt die houding. Paulus schrijft erover in zijn brief aan de gemeente in Rome: “Wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen; de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten” (Romeinen 8:26). De Geest huist niet in ons ‘ik’, maar neemt ons op in de heilige gemeenschap waar de mens zich opent voor het goddelijk GIJ, zich laat aanspreken door de Stem van de Levende; de Stem, die opklinkt in het gebeuren sedert de schepping.

“Jij, wie ben jij?’ Johannes, die doopt met water, brengt daarmee mensen samen in de gemeenschap rond Gods troon: om daar de liturgie te voltrekken. Zo is Johannes een voorganger: degene die voorop gaat en binnen leidt in het mysterie van Gods koninkrijk.

Bron : Kerkwinkel Koinonia – met toestemming

Augustinus : Eenheid en Liefde – deel 2

AUGUSTINUS

 Augustinus 555

Eenheid  en liefde

 2e deel

Uit zijn preken over de eerste brief van Johannes

 4.

Misschien vraagt iemand van u zich ongerust af waarom Johannes zo nadrukkelijk en uitsluitend insisteert op de liefde voor de medemens : “Wie zijn broeder liefheeft”(1 joh. 2,10). En “Dit is zijn gebod, dat wij elkaar liefhebben” (1 Joh.3,23). Aanhoudend heeft hij het over de liefde tot de mens. De liefde tot God, dat wil zeggen de liefde waarmee wij God beminnen, komt niet zo dikwijls ter sprake, hoewel men niet kan zeggen dat hij er helemaal stilzwijgend aan voorbijgaat. Maar in praktisch  heel zijn brief spreekt hij niet over de liefde tot de vijand. Terwijl hij uit alle kracht de liefde verkondigt en op het hart drukt, zegt hij nergens dat wij onze vijanden moeten beminnen; hij zegt altijd dat wij onze broeders moeten beminnen.

Bij de lezing van het evangelie zojuist hebt gij evenwel gehoord : “Als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan ? Doen ook de zondaars dat niet ?” (Matth.5,46). Hoe kan de Apostel Johannes de broederlijke liefde voorstellen als een hoogtepunt van volmaaktheid, waar Christus zelf zegt dat het niet voldoende is zijn broeder te beminnen, maar dat onze liefde zich ook moet uitstrekken tot onze vijanden ?. Zijn liefde uitstrekken tot zijn vijanden wil niet zeggen : zijn broeder overslaan. De liefde is als vuur; het begint met wat het dichtstbij ligt en loopt dan verder.

Uw broeder is u meer nabij dan de eerste de beste mens. Van de andere kant is u meer gelegen aan een onbekende die niets tegen u heeft, dan aan een vijand die tegen u is. Strek uw liefde uit tot uw naasten, alhoewel ge hier eigenlijk niet kunt spreken van “uitstrekken”, want indien ge mensen bemint die met u één geworden zijn, bemint ge om zo te zeggen uzelf. Strek uw liefde uit tot onbekenden, die u nooit enig kwaad gedaan hebben. Ga nog verder en tracht uw vijand te beminnen. Er bestaat geen twijfel over dat de Heer dat van u verlangt. Waarom spreekt Johannes dan niet over deze liefde tot de vijand ?

5.

Elke liefde veronderstelt een zekere welwillendheid tegenover hen die we beminnen. Ook de lichamelijke liefde, die we eerder genegenheid noemen (Het woord “liefde” wordt in onze cultuur immers gewoonlijk voorbehouden om een meer verheven liefde aan te duiden. Hoewel voor mij alle woorden om de liefde aan te duiden gelijkwaardig zijn, aangezien de H. Schrift ze door elkaar gebruikt). Want wij mogen en kunnen de mens niet beminnen zoals een gastronoom verklaart van gebraden lijsters te houden. Waarom niet ? Omdat de gastronoom er alleen maar op uit is te doden en op te eten. Als hij zegt dat hij van gebraden lijsters houdt, dan houdt hij niet van de lijsters zelf, want die laat hij niet in leven, doch vernietigt hij. Van eten houden we slechts om het te verbruiken en zelf weer op kracht te komen. Maar van mensen mogen we nooit houden als van verbruiksgoederen. Neen, vriendschap is een zaak van welwillendheid ; vriendschap is iets willen geven aan hen die we beminnen. En als men dan niets heeft om te geven ? Dat is niet erg, de welwillendheid alleen is genoeg voor iemand die bemint.

Het heeft geen zin te verlangen dar er ongelukkige mensen zouden zijn om zich barmhartig over hen te kunnen buigen. Gij geeft brood aan iemand die honger heeft, maar het zou veel beter zijn dat niemand honger leed en gij aan niemand iets hoefde te geven. Gij geeft kleren aan iemand die er geen heeft, maar het zou veel beter zijn dat iedereen kleren bezat en er geen armoede bestond. Gij begraaft doden, maar het zou veel beter zijn dat iedereen het leven bezat, en dat niemand meer hoefde te sterven. Gij tracht mensen die het oneens zijn met elkaar, te verzoenen ; maar het zou veel beter zijn te leven in die eeuwige vrede van Jeruzalem waarin geen onenigheid meer bestaat. Al de hulp die wij geven wordt opgeroepen door nood. Neem de ongelukkigen weg uit deze wereld en alle werken van barmhartigheid worden overbodig.

Maar als er in deze wereld geen barmhartigheid meer nodig is, betekent dit dan niet noodzakelijk het einde van de weldoende gloed van de liefde ? Helemaal niet. Uw liefde zal meer authentiek zijn, als zij uitgaat naar een gelukkig mens aan wie ge niets hoeft te geven ; zij zal zuiverder en oprechter zijn. Want als gij geeft aan een ongelukkig mens, dreigt het gevaar dat gij over hem wilt heersen en hij, die de beweegreden was van uw weldaad, u onderdanig moet zijn. Hij verkeert in nood, gij geeft hem iets. Omdat gij de gevende partij zijt, lijkt gij beter en meer te zijn dan hij aan wie ge geeft. Wens dat iedere mens uw gelijke is, zodat wij allen op gelijke wijze afhankelijk zijn van die Ene, aan wie wij niets kunnen geven.

6.

In dergelijke zaken kent de hoogmoedige mens geen maat en daardoor wordt hij ook op een bepaalde manier hebzuchtig, aangezien “de geldzucht  de oorsprong is van alle kwaad” (1 Tim.6,10). Er is ook gezegd dat “de hoogmoed het begin is van elke zonde”(Sir.10,15). Soms vragen wij ons af, hoe deze twee uitspraken met elkaar te verenigen zijn : “De geldzucht is de oorsprong van alle kwaad” en “De hoogmoed is het begin van elke zonde”. Als de hoogmoed het begin is van elke zonde, dan is zij ook de oorsprong van alle kwaad. De hebzucht is ongetwijfeld eveneens de oorsprong van alle kwaad, want in de hoogmoed ligt hebzucht opgesloten. Dit blijkt hieruit dat de hoogmoed geen maat kent. En wat is hebzucht? Ook hebzucht bestaat juist daarin : verder willen gaan dan nodig is. Door hoogmoed is Adam ten val gekomen, want “de hoogmoed is het begin van elke zonde”. Daar was ook hebzucht mee gemoeid, want wie is meer hebzuchtig dan een mens voor wie God nog niet voldoende is ?.

We lezen hoe de mens gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God. Van deze mens zei God : “Hij heerse over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en alle dieren die zich over de aarde voortbewegen”(Gen.1,26). Hij zei niet : hij heerse over de mens ! Hij gaf de mens wel macht over de natuur : over de vissen, de vogels en de dieren die over de aarde kruipen. Waarom heeft de mens van nature een zekere macht over deze dieren ? Die macht bezit hij door het feit dat hij geschapen is naar Gods beeld, De mens is beeld van God door zijn verstand, door zijn geest, door zijn innerlijkheid ; doordat hij de waarheid begrijpt, onderscheid kan maken tussen recht en onrecht, weet door wie hij geschapen is, en zijn schepper kan verstaan en leven. Wie zich verstandig gedraagt, bezit dit inzicht.

Daarom roept de Schrift tot de velen, die het beeld van God in zich door slechte begeerten verwoesten en de vlam van hun begrip door perverse zeden als het ware doven : “Word niet gelijk aan paarden of muilezels zonder verstand”(Ps.31,9) Hetgeen hierop neerkomt : Ik heb u gesteld boven paarden en muilezels. Ik heb u gemaakt naar mijn beeld, Ik heb u macht gegeven op al het andere. Waarin bestaat die macht ? Hierin dat de bee
sten geen verstandelijke geest bezitten. De mens echter kan met zijn verstand de waarheid vatten en begrijpen wat boven hem uitstijgt. Onderwerp u aan Hem die boven u uitstijgt, en alles waarover gij als meerdere gesteld zijt, zal u onderworpen blijven. Omdat de mens echter door de zonde God verlaten heeft aan wie hij onderworpen moest zijn, wordt hijzelf de mindere van de wezens waar hij boven moest staan.

7.

Let op de volgorde : God, mens, dier. God boven u, het dier onder u. Erken Hem die boven u staat, om zelf erkend te worden door wat beneden u staat. Toen Daniël God erkende, erkenden de leeuwen hem als hun meerdere (Dan.6,22). Als ge echter Hem die boven u staat niet erkent of veracht, dan wordt ge afhankelijk van het lagere. Heeft God de hoogmoed van de Egyptenaren niet klein gekregen door middel van kikvorsen en muggen ?(Exodus 8) God had daarvoor ook leeuwen kunnen gebruiken, maar een leeuw gebruikt men om een moedige en sterke mens af te schrikken. Daarvoor waren de Egyptenaren te hoogmoedig en hoe hoogmoediger ze waren met des te geringere onbenulliger dingen moest hun hoogmoedige houding gebroken worden. Maar de leeuwen hadden ontzag voor Daniël omdat hij ontzag had voor God.

En de martelaren dan ? zij moesten vechten met wilde beesten en zijn door hun tanden verscheurd. Dat was toch niet omdat zij God niet erkenden ! Of waren de drie mannen in de vuuroven wel dienaren van God en de Makkabeën niet ? Het vuur week voor de drie mannen die God trouw bleven en verbrandde hen noch hun kleren (Dan.3,50). Maar het vuur spaarde de makkabeën niet. Neen, zusters en broeders, het vuur heeft ook de Makkabeën gespaard (2 Makk.7). Maar in hun geval was er een beproeving nodig en God liet die toe, naar het Schriftwoord : “God beproeft elk kind dat Hij als het zijne erkent” (Hebr.12,6). Ge denkt toch niet dat het staal de borst van de Heer zou doorboord hebben, als Hij het niet toegelaten had; of dat Hij op het kruishout zou gehangen hebben, als Hij het niet toegelaten had ; of dat Hij op het kruishout zou gehangen hebben, als Hij het zelf niet gewild had ? Heeft zijn schepsel Christus niet erkend of wilde Christus aan zijn gelovigen een voorbeeld van geduld geven ?

Zo bevrijdt God sommige mensen op tastbare wijze, anderen niet. Maar alle mensen maakt hij geestelijk vrij. Geestelijk laat Hij geen enkele mens in de steek. Uiterlijk lijkt God sommige mensen te verlaten, terwijl Hij anderen uiterlijk redt. Hij heeft sommigen ongetwijfeld gered om ons te tonen dat Hij redden kan. Hij gaf een bewijs dat Hij het kan. In het geval dat Hij geen redding brengt, moet ge veronderstellen dat Hij een diepere bedoeling heeft, niet dat Hij machteloos is.

Zusters en broeders, wanneer wij ontsnapt zijn aan alle strikken van dit sterfelijk leven, wanneer de tijd van beproeving voorbij is, wanneer de stroom van deze tijd heeft opgehouden te vloeien, wanneer wij omkleed zullen zijn met ons eerste feestgewaad : de onsterfelijkheid die wij door de zonde verloren, wanneer dit bederfelijke omkleed zal zijn  met onbederfelijkheid, dat wil zeggen ons vlees onbederfelijk zal zijn geworden en dit sterfelijke onsterfelijk, dan zal elk schepsel de volmaakte kinderen van God erkennen. Dan is het niet meer nodig beproefd of geslagen te worden. Alles zal ons onderworpen zijn als wij ons hier onderwerpen aan God.

Uit : Eenheid en liefde : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes, pp132-136

Vertaling : Prof. Dr. TJ van Bavel

Ireneüs van Lyon : Doopt ze in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest

H. Ireneus van Lyon (ca130-ca 208), bisschop, theoloog en martelaar
Betuiging van de apostolische prediking 6-8

Ireneüs 222

 

“Doopt ze in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest”

   Zie hier de regel van ons geloof, zie hier wat ons fundament is, zie hier wat kracht geeft aan ons gedrag. Ten eerste: God de Vader, ongeschapen, onbeperkt, onzichtbaar; Eén God, Schepper van het universum; dat is het eerste punt van ons geloof. Ten tweede: het Woord van God, Zoon van God, Jezus Christus, onze Heer; Hij werd aan de profeten geopenbaard voor hun profetieën en naar het plan van de Vader; door Zijn tussenkomst is alles gedaan; op het einde der tijden, om alle dingen terug te brengen, heeft Hij het gewaagd om mens onder de mensen te worden, zichtbaar, tastbaar, om zo de dood te vernietigen, het leven te laten verschijnen en de verzoening tussen God en mens te bewerkstelligen. En ten derde: de Heilige Geest; door Hem hebben de profeten geprofeteerd, hebben onze vaderen de dingen van God geleerd en waren de rechtvaardigen gidsen op de weg van de rechtvaardigheid; op het eind der tijden werd de Heilige Geest  op een nieuwe wijze over de mensen verspreid, om ze voor God te vernieuwen over de gehele aarde.

      Daarom is onze nieuwe geboorte door de doop onder het teken van deze Drie artikelen geplaatst. God de Vader geeft het ons met het oog op onze nieuwe geboorte in zijn Zoon door de heilige Geest. Want zij die de Heilige Geest in zich dragen, worden naar het Woord geleid, welke de Zoon is, en de Zoon leidt ze naar de Vader, en de Vader verleent ons de onsterfelijkheid. Zonder de Heilige Geest is het onmogelijk om het Woord van God te zien, en zonder de Zoon kan men niet bij de Vader komen. Want de kennis van de Vader is de Zoon, en de kennis van de Zoon komt door de Heilige Geest, en de Zoon geeft de Geest volgens de wil van de Vader.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org