Zondag van de gedachtenis van het 1e Oecumenisch Concilie

ZONDAG : GEDACHTENIS VAN HET 1e OECUMENISCH CONCILIE EN DE 318 GODDRAGENDE VADERS DIE ERAAN DEEL HADDEN.

7e ZONDAG NA PASEN

 

 Vaders eerste oecumenisch concilie213

Lezingen :

Handelingen 20,16-18, 28-36

[16] Want Paulus had besloten Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen. Hij had haast omdat hij zo mogelijk met Pinksteren in Jeruzalem wilde zijn.
     [
17] Van Milete uit stuurde hij een bode naar Efeze om de oudsten van de gemeente bijeen te roepen. [18] Toen die bij hem gekomen waren, zei* hij tegen hen: ‘U weet hoe ik mij heb gedragen vanaf de eerste dag dat ik in Asia kwam, de hele tijd dat ik bij u was

28] Zorg goed voor uzelf en voor heel de kudde waarover de heilige Geest u als leiders heeft aangesteld om de kerk* van God te weiden, die Hij door het bloed van zijn eigen Zoon heeft verworven. [29] Ik weet dat na mijn vertrek gevaarlijke wolven bij u zullen binnendringen die de kudde niet sparen; [30] zelfs mensen uit uw eigen kring zullen de waarheid gaan verdraaien om de leerlingen achter zich aan te krijgen. [31] Wees daarom op uw hoede en houd in gedachten dat ik drie jaar lang dag en nacht onophoudelijk iedereen onder tranen gewaarschuwd heb. [32] En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade, dat bij machte is om op te bouwen en het erfdeel te geven, met alle geheiligden. [33] Zilver of goud of kleding heb ik van niemand verlangd; [34] u weet zelf dat deze handen in mijn eigen behoeften en die van mijn metgezellen hebben voorzien. [35] In alles heb ik u laten zien dat men zo, door hard te werken, de zwakken moet helpen, gedachtig de woorden van de Heer Jezus, die zelf* heeft gezegd: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” ‘ [36] Na deze woorden knielde hij met hen allen neer en sprak een gebed.

EVANGELIE :

Johannes 17,1-13

Afscheidsgebed van Jezus
[1] Na deze toespraak sloeg Jezus zijn ogen op naar de hemel en bad: ‘Vader, het uur is gekomen! Verheerlijk* uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijkt. [2] Laat Hem, krachtens de macht die U Hem gegeven hebt over alle mensen, eeuwig leven schenken aan al degenen die U aan Hem hebt toevertrouwd. [3] Eeuwig leven! Dat betekent dat ze U, de enige waarachtige God, leren kennen*, en ook degene die U gezonden hebt: Jezus Christus. [4] Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat U Mij te doen hebt gegeven. [5] Verheerlijk Mij nu, Vader, aan uw zijde, en bekleed Mij met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat* de wereld bestond.
     [
6] Ik* heb uw naam geopenbaard aan de mensen* uit de wereld, die U Mij had toevertrouwd. Ze waren van U, en U hebt hen aan Mij toevertrouwd. Ze hebben uw woord ter harte genomen. [7] Nu erkennen ze dat alles wat U Mij gegeven hebt, van U komt. [8] Want de woorden die U Mij gegeven had, heb Ik aan hen doorgegeven, en zij hebben die aangenomen: ze hebben naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan; ze hebben geloofd dat U Mij hebt gezonden. [9] Voor hen bid Ik. Niet* voor de wereld, maar voor hen die U Mij hebt toevertrouwd bid Ik, omdat ze de uwen zijn – [10] al het mijne is trouwens het uwe en al het uwe is het mijne – en omdat in*
hen mijn heerlijkheid zichtbaar is geworden. [11] Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij, zij blijven in de wereld achter, terwijl Ik naar U toe kom. Heilige Vader, bewaar* hen in uw naam, die U Mij hebt toevertrouwd, opdat ze één mogen zijn zoals Wij. [12] Zolang Ik bij hen was, was het mijn taak hen te bewaren in uw naam, die naam die U Mij hebt toevertrouwd; Ik heb over hen gewaakt, en geen van hen is verloren gegaan, behalve degene die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling zou gaan. [13] Nu kom Ik naar U toe, maar terwijl Ik nog in de wereld ben, zeg Ik dit alles opdat ze volkomen vervuld mogen zijn van mijn vreugde.

Khodr Georges metropoltiet : Eucharistie en bevrijding

Eucharistie en bevrijding

Metropoliet Georges (Khodr)

        

Khodr Georges mont Libanon

Metropoliet Georges Khodr van de Berg Libanon

Bestaat er een verband of relatie tussen de eucharistie en de sociopolitiek – of het zoeken naar de vrijheid  ? Dit is de vraag waarover metropoliet  Georges van de Berg-Libanon heeft nagedacht tijdens een conferentie die hij gegeven heeft aan de academie voor theologische studies van Volos in Griekenland. Georges Khodr is predikant, acteur van vele boeken en artikels en één van de stichters van de Beweging van Orthodoxe jongeren (MJO) en één van de belangrijkste voorstander van de vernieuwing die de Orthodoxe kerk van Libanon en Syrië de laatste vijftig jaar hebben gekend Vele jaren doceerde hij aan de Libanese Universiteit te Beyrouth islamologie en Arabische cultuur. Hij doceerde ook pastorale theologie aan de universiteit van balamand. De kroniek die hij elke zaterdag schrijft in het dagblad An-Nahar en gepubliceerd te Beyrouth wordt breed verspreidt in de Arabische wereld. Het is een getuigenis en het slaat bruggen tussen het christelijk getuigenis en de dialoog met de islam. Het heeft een grote invloed op de intellectuele milieus van Libanon en in vele landen van het Midden- Oosten.

Wij zijn veraf van de tijd waarop men sprak over de “vruchten van de communie” op het persoonlijk vlak : groei van godsvrucht, zuivering, toen het centrum van het sacrament het individu was in zoverre men aan de liturgie meedoet,en wanneer men op grote donderdag naar de kerk kwam zonder zich zorgen te maken over de liturgie… Met de opkomst van de liturgische theologie begrijpen we meer het communautaire aspect van de liturgie, het doel van dit sacrament is geworden :  de opbouw van de gemeenschap als Lichaam van Christus. In de liturgie wordt het volk van God gevormd, de heilige natie; zoals de anaphora van de heilige Basilios zegt.

De liturgische bijeenkomst doet ons Lichaam van Christus en bruidegom van de Heer worden

“Heer, redt uw volk en zegen Uw erfdeel”. Deze zegening op het einde van de liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos zoals ook in deze van de heilige Basilios de Grote, betekent dat de verspreide gelovigen gedurende de week ,nu, op een geheel bijzondere wijze, verzameld zijn als volk van God, of, om een ander beeld te gebruiken, als bruidegom van de heer.

Het bloed van Christus dat eens voor allen is vergoten voltooit in de celebratie deze goddelijke bruiloften. Het lichaam van de Heer waaraan alle gelovigen deelnemen, stelt een einde aan hun verscheidenheid en hun tegenstellingen, het doet hen Zijn lichaam worden, het neemt hen op in Zijn Lichaam, die zetelt aan de rechterhand van de Vader. Het is de nederdaling van de Heilige Geest op de bijeenkomst en het opnemen van de bijeenkomst in de Geest. Deze opvatting brengt ons niets nieuws over wat de apostel Paulus heeft gezegd : “Want er is slechts één brood, als velen maken we slechts één lichaam uit, want allen nemen wij deel aan een uniek brood” (1 Kor.10,17).

In de doop wordt één persoon ontvangen, en wanneer hij het baptisterium verlaat, want zo was het in de oude Kerk en zo zingen wij het nog altijd in de liturgie van grote Zaterdag, voegt hij zich bij de gemeenschap omdat hij “met Christus bekleed” is. “Gij allen die in Christus zijt gedoopt , gij hebt u met Christus bekleedt”. Hij is op een diepere en meer zichtbare wijze geïntegreerd in de ganse Kerk en in de eucharistische communie.

Het delen van de goederen en het breken van het brood zijn intiem met elkaar verbonden

Wat ik kom te zeggen wordt door de Handelingen der Apostelen bevestigd : “Zij bleven getrouw aan het onderricht der Apostelen en de broederlijke gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden” (2,42). Het onderwerp van deze vier elementen die het leven uitmaakte van de gelovigen, is de bijeenkomst zelf, en indien de uitdrukking “broederlijke gemeenschap” de gemeenschap van goederen uitdrukt, dan is het ook evident dat de uitdrukking “Breken van het brood” de eucharistische ritus uitdrukt. Wij vinden hier duidelijk dat het delen van de goederen en het breken van het brood innerlijk met elkaar verbonden zijn. Delen van het gewone brood en het hemelse brood voltrokken zich binnen de bijeenkomst en door de bedienaar van de bijeenkomst.

Wij hebben geen enkele aanduiding in de geschiedenis die ons zegt dat zij die voor een zekere periode verwijderd zijn van de kelk worden verzoend door het sacrament van de boete. Alles wijst erop dat alleen een beslissing van de bisschop hen opnieuw kan toestaan om te communiceren, ’t is te zeggen : hun terugkeer in de gemeenschap der heiligen. De christen heeft dus twee statuten : deze van een zondaar die uitgesloten wordt van de communie, en deze van een bekeerde die opnieuw in de gemeenschap wordt opgenomen. Ik begrijp de gedragingen niet al te goed van het merendeel van de autocephale kerken, of van een groot aantal gelovigen die zich tevreden stellen om alleen maar naar de kelk te kijken zonder ertoe te naderen, alsof zij zich zelf uitsluiten uit de eenheid van de gelovigen, alsof zij terugkeren tot de status van catechumeen.

Verder begrijp ik niet dat de caritatieve actie van de Kerk door leken wordt ondernomen die zelden communiceren, en dat tot gevolg heeft dat men zijn brioeders liefheeft in het delen van materiële goederen onafhankelijk van het hemels brood waarvan men zich de toegang ervan ontzegt,tenzij,  eventueel met Pasen. De caritatieve actie wordt zo een louter sociale actie in plaats van een uitdrukking te zijn van de broederlijke liefde die gevoed wordt door de kelk. Anderzijds laat men bij het negeren van de kelk  verstaan dat het Lichaam en het Bloed van Christus  enkel het deel is van de celebrerende priester. Op die wijze  bevestigt men impliciet de scheiding van gewijde en niet gewijde personen.

De realisatie van de nieuwe mensheid

De gelovigen die getransformeerd zijn door het sacrament waken samen om de tweede komst te ontvangen. Wij zeggen het op het einde van de Liturgie. De Parousie waarop wij ons richten realiseert de nieuwe mensheid, ’t is te zeggen deze waarin de Heilige Geest woont, zoals de heilige Maximos de Belijder het uitdrukt. Onze liefde voor de niet-christenen roept voor hen de Geest op. Het is daar dat zich de ontmoeting van alle mensen in Christus bewerkstelligt, en die de definitieve gemeenschap vormt… De Vader roept wie Hij wil in de Geest. Zij zullen samen “bruid zijn zonder  vlek noch rimpel”(Ef.5,27).

Wij staan hier voor een onuitsprekelijk mysterie : elke geredde persoon is een “bruidegom”. Maar de mensheid die verenigd is in het aanschijn van de Vader zal volledig in de liefde zijn die hen verenigt als “bruidegom”. Het is het mysterie van het verschil en het onderscheid van verrezen en opgenomen zijnden in het Koninkrijk. Er is een hemelse Eucharistie waarvan Jezus spreekt, zonder teken. Liefde heeft geen nood aan ee
n teken. Maar de realiteit die het draagt maakt de gemeenscha

“De overgang de eucharistie naar bevrijding wordt ingegeven door de eucharistie zelf“.

De overgang van de eucharistie naar de bevrijding wordt ingegeven door de eucharistie zelf. Voor de heilige Johannes Chrysostomos, is er een waarachtig altaar waarop de gelovigen het geestelijk offer moeten offeren van het aalmoes en de barmhartigheid…. “Dit altaar is erger dan datgene die zich in deze bepaalde kerk  bevindt. Laat ons niet te luid roepen. Dit altaar hier is heilig omwille van het offer dat er komt ; dit van het aalmoes is méér, want het is gemaakt door dit slachtoffer zelf. Het eerste is heilig, omdat het gemaakt is van steen en geheiligd is door het contact met het Lichaam van Christus. Het andere altaar is heilig omdat het het Lichaam zelf van Christus is. Het is dus vereringswaardiger dan het ander, mijn broeder, wees op uw hoede.

“Dit altaar kan je gedekt vinden in de straatjes en pleinen en op elke uur kan je er een offer brengen, want ook daar is het de plaats voor offers. En zoals de priester, staande aan het altaar, de heilige Geest aanroept, zo ook aanroept gij de Geest, zoals deze olie verspreidt in overvloed” (Hom.82 in Matth;PG 58,744. (…)

“De Kerk houdt van de wereld, maar toch blijft zij vrij ten overstaan van alles”

De kerk handelt niet alleen in het heiligdom, want er bestaat geen scheidingsmuur tussen het altaar en de cosmos. De Eucharistie blijft het teken des tijds die de Tweede wederkomst voorbereidt en die handelt buiten de tempel. Denk aan de anaphora die, zich tot God richtend zegt : wij aanbidden U “in alle plaatsen van uw heerschappij”. Het licht van God is ook te vinden in de niet christelijke creativiteit, en op alle domeinen van de gedachte en de kunst, en overal waar de rechtvaardigheid wordt gepredikt.

Het is in de Kerk dat wij de betekenis van de dingen en van alle daadwerkelijke en mooie veranderingen die de mensen ondernemen, leren kennen. De kerk houdt van de wereld, terwijl ze er terzelfdertijd toch vrij tegenover blijft. Zij kan ook in alle culturen aanwezig zijn, hun innerlijkheid waarnemen, maar zij blijft vrij met betrekking tot elke menselijke schepping. De kerk is zelfs vrij van haar eigen sociologische realiteit, vrij ten opzichte van de volkeren die er leven, zoals zij ook vrij is ten overstaan van haar culturele structuren. Het is deze vrijheid die van de Kerk ” een heilige natie, een priesterlijk koningrijk” maakt.

De sleutel tot de vernieuwing : de Kerk bevrijden van de “Christenen die het alleen zijn bij naam”

Er bestaat vandaag, onder verschillende vormen, een  sociologische vorm van orthodox christendom en een gelovige orthodoxie, biddend, eucharistisch, eschatologisch. Deelnemen aan de sacramenten zonder zich zorgen te maken voor wat ze betekenen is een vorm van hen “onwaardig” te ontvangen, zoals de apostel  zegt in de eerste brief aan de Korintiërs (11,27). Helaas praktiseert de orthodoxe kerk niet meer de excommunicatie, en het kaf en het koren blijven in hetzelfde kamp tot op de dag van het laatste oordeel.

Welnu, de Kerk bevrijden van zekere christenen maakt een essentieel deel uit van het canonisch recht,  dat als verouderd wordt aanzien door de kerkelijke overheden. Zichtbaar zullen wij geoordeeld worden naar de liefde.  Vanaf het moment dat de liefde wordt beoefend in het samen delen, leidt het naar het Christelijk broederschap tussen de orthodoxen van naam en diegenen die openstaan voor het inzicht in het mysterie.

“De uiteindelijke bevrijding is deze van de ganse cosmos”

De bevrijding van de Kerk van binnenuit, blijft de sleutel tot haar vernieuwing. Als men dit sociologisch lichaam “meer eucharistisch” kan maken door haar te bevrijden van elke nationalistische, culturele, tijdelijke  onderdanigheid, in het bewustzijn dat, ondanks en zelfs binnen onze historische banden, wij de Kerk dragen . De heiligheid, zelfs al wordt ze ons in de geschiedenis van de mensen toegeworpen, is slechts haar bestaan en de kracht van haar apostolaat aan God zelf te danken.

De Kerk heeft in haar geschiedenis periodes van verval gekend. Daarom zal de Heilige Geest, wanneer hij midden deze chaotische diversiteit,”de kleine rest” tegenkomt, deze bewaren, levendig maken, verlichten, opdat aan het volk van God het elan zou getoond worden waartoe het in staat is, welke de sociologische situatie transformeert in een brandend braambos.

De uiteindelijke bevrijding is deze van de ganse cosmos. Deze transformatie van de cosmos wordt door de heilige Simeon de Nieuwe Theoloog “nieuwe geboorte” genoemd.  Het komt hier op neer, dat “onze  lichamen en het geheel van de schepping- alle elementen die er deel van uitmaken – met ons deel zullen hebben aan  de schittering van het hiernamaals”. Het is omdat de wereld spiritueel  zal worden, denkt Symeon, dat dit absoluut niet te begrijpen en niet definieerbaar zal zijn voor ons.

Wat ge neemt, bezit je, wat je geeft bevrijdt je”

In afwachting van de Parousie (de Tweede wederkomst van Christus), is gans het leven van de mens verbonden aan het eten, de kleding, aan de woning en vertrekkend van het geld. Aan wie behoren deze dingen toe ? De schrift zegt ” de ganse wereld hoort toe aan de Heer”. Dit stelt de vraag naar de persoonlijke eigendom. De romeins katholieke gedachte zegt dat de eigendom een sociale functie heeft. Dit impliceert de notie van gemeenschappelijk goed. In het Oosten, is de grootste doctor van de eigendom de heilige Basilios, gevolgd door de heilige Johannes Chrysostomos, door de heilige Augustinus en enkele anderen. Ondanks enkele studies die in het Westen werden ondernomen om van Basilios de exegeet te maken van de eigendom als sociale functie, kent men deze verklaring :  “Zeg mij aan wie gij toebehoort en van wie hebt gij dit in eigendom hebt gekregen voor de rest van uw leven ?” En hij vervolgt :  ” Wie is de mens die genoemd wordt als de dief van de gemeenschap ? Is het niet diegene die voor zichzelf houdt wat aan allen toekomt ? Het brood dat gij bewaart is de eigendom van de hongerigen, en de kledij die gij in uw kast legt is de eigendom van de naakten.”

 Vele passages van de heilige Basilios gaan in deze richting.  Datgene wat wij geciteerd hebben betekent dat de eigendom enkel aan God toekomt, en in de handen van mensen is het slechts als eenvoudige zaakvoerder.

Wat ook de bron van geld mag zijn (erfenis, industriële productie of wat ook), gij zijt er slechts de zaakvoerder van. De schrift zegt dat gij eerst en vooral om uw naaste bekommerd moet zijn, maar evident altijd in een geest van zaakwaarnemer. Aan hun zijde maken alle mensen deel uit van de familie van de Vader. Wij hebben niet meer in het Nieuwe testament de verplichting tot het betalen van tienden, want de liefde heeft geen grenzen en is niet onderworpen aan het mathematisch aspect van de dingen. Datgene wat gij neemt bezit gij. Datgene wat gij geeft maakt je vrij. Dit wordt door de psalmist zo uitgedrukt :        

“Hij beoefent de vrijgevigheid,
hij geeft aan de armen; zijn rechtvaardigheid blijft voor eeuwig” (112,9).

“Christus onderwerpt Caesar aan God”

Wat in verband met de bevrijding in de politiek ? De vraag is extreem complex, des te meer daar in de politieke manipulatie van mensen, de oprechtheid in de politieke strijd uiterst zelden voorkomt. Het is het vasthouden aan de macht, de overwinning ten alle prijze dat overheerst. Ik weet niet wie onder de mensen van de macht of zij die naar ambities streven plaats geven aan God. De mens die geëngageerd is in de strijd kan een overtuigd christen zijn, geëngageerd, maar dikwijls behoort hij toe aan twee sferen tegelijk, deze van God en deze van de wereld, zonder enige communicatie tussen beide. Wanneer de Heer zegt : “Geeft aan Caesar wat aan Caesar toekomt en aan God wat aan God toekomt” (Matth.22,21), dan worden deze twee domeinen niet gescheiden. Hij onderwerpt Caesar aan God.

Geen enkele staat is een welzijnsstaat. De grote mogendheden bekennen dikwijls dat zij zich mengen in dit of dat deel van de wereld omwille van hun eigenbelang. De macht blijft, méér dan het geld zelfs, de grote hebzucht. Overigens zijn vele staten bekend als politiestaten, dus actoren van geweld. Wie kan hen tegenhouden van het geweld en hun mensen in vrijheid laten leven ? (…)

Structuren van geweld binnen een land : een macht die de burgers ontmenselijkt”

Er is in de griekse patrologische traditie geen enkele rechtvaardiging van de oorlog, omdat de oorlog, dood betekent. Misschien kan men de notie van een defensieve oorlog aanvaarden. Ik  zal hier niet verder op ingaan. Ik begrijp dat men wil leven in vrijheid en zijn medeburgers verdedigen.

Het is waar dat buiten de vijanden van binnenuit, er autoritaire subversieve maatschappijen bestaan. Er zijn structuren van geweld binnen een land zelf. Men moet hiertegen protesteren. Maar ik vind niets binnen onze leer die het bloed rechtvaardigt.

De vreedzame revolutie tegen de oppressie is begrijpelijk. Daar, waar alles onzeker is. Men moet proberen om de natie om te vormen in een communiële gemeenschap. De onderdrukking overwinnen kan het fundament zijn van een getuigenis die het vuur van de Geest binnenbrengt in een situatie van dood.

De goddelijke stad, alhoewel aards, is de Kerk

In afwachting van het hemels Jerusalem waar onze éénheid zal voltrokken worden, in een totale helderheid, in tijden van vrede, leven wij hier in de stad van God, alhoewel aards, de Kerk. Hier zoals daar zijn wij reële mensen, verengd maar niet vermengd naar het beeld van het verenigd Lichaam, gevormd vanuit het hoofd dat Christus is. De griekse stad was gevormd door vrije mensen die gebonden waren door de macht gebaseerd op rechtvaardigheid, zelf gevormd door de macht die komt van de logos (een goed geordende gedachte). Welnu alles wat niet logicos is ( eenvormig aan deze gedachte) is chaos en kan de eenheid niet bezegelen.

In de visie van de apostel Paulus waren Grieken en Barbaren één, omdat ze zo loyaal mogelijk waren aan hun eigen instituties, zij wensten van geen andere autoriteit af te hangen dan aan deze van de Stad. Zij leefden in de grieks-romeinse stad volgens haar leefregel die voor allen gelijk was. Zij onderscheidden zich enkel door hun zuiverheid van leven, zoals het epistel van Diogenes het later zal zeggen.

In werkelijkheid vormden zij een onzichtbare gemeenschap  die deze was van de Eucharistie. Zij waren één op het plan van de diepgang. Zij onderscheidden zich op deze wijze van de platoonse stad hierin,  alhoewel zij geweld toelieten, zoals vrije bezorgde mensen het doen, zij deden het als zwakke mensen, slaven ( mannen en vrouwen), maar innerlijk gesterkt door de visie van een Mens die hun het heil had gegeven door zijn zwakheid, en de zege door zijn vergoten bloed.

De voorsmaak van het Koninkrijk in de zondagse bijeenkomst

Zij putten hun kracht – en niet hun macht – door de eerste dag van de week samen te komen en door zich te transformeren in Zijn Lichaam en Zijn Bloed waardoor zij één werden door zich te bevrijden van hun zonden en hun passies. Het is God, en niet het concept van macht van de Stad, die hen nieuw maakte binnenin de polis (de aardse stad). Het was niet Athene noch Sparta, noch het aardse Jerusalem dat het model was waarin zij zich probeerden te vormen, maar zij deden het volgens het model van een stad die reeds bestuurd werd door Hem die gestorven is op het kruis en die de tekenen in zich droeg van Zijn dood op het Kruis en die de stigmata droeg van Zijn dood op Zijn verrezen Lichaam, Hem, voor wie de glorie spreekt en zich meedeelde doorheen de pijnen van ons leven.

De zwakken, de armen, de ontwapenden, de ongeletterden zijn samen rond deze kelk die het bloed bevat van een God die hen sterk maakt en getuigen tegenover de rijkdom en de macht van de wereld. Zij zijn op weg naar de Heer die komt. Indien het Maranatha  (1 kor.16,22) word gelezen als een bevestiging van het gebeuren op calvarie, maar niet als een aanroeping van hem die moet komen (“Heer,kom”), dan zijn wij bezig met te bevestigen dat wij het hemels Jerusalem zullen vormen met het Koninkrijk dat komt. Maar nu reeds hebben wij de voorsmaak van  dit Koninkrijk in de zondagse bijeenkomst.

Het Koninkrijk nu voorbereiden ,

Maar de Tweede wederkomst blijft een absoluut mysterie.

Is er een relatie tussen de sociopolitieke, culturele bevrijding en de komst van het Koninkrijk ?

Vader Serge Boulgacov denkt dat het eschatologisch feit wordt voorbereid door de geschiedenis. “De eschatologie, zegt hij, veronderstelt een breuk; het is daarin dat de idee bestaat van het einde”. Hij denkt eveneens dat de wereld moet  rijp worden voor het einde. Er is een werk van Christus in de wereld…. Men kan niet, denkt hij, ” blijven stilstaan bij de verschillende momenten van de tragedie van Christus, bij de destabilisatie en de universele corrupties”. Het persoonlijk heil staat ingeschreven in het algemeen oeuvre van de mensheid , die bestaat in het vestigen van het koninkrijk van Christus in de wereld. De Tweede wederkomst wordt een  god-menselijke daad.

Men moet zeker het Koninkrijk voorbereiden in de tijd waarin wij leven, in de communicerende gemeenschap, in het sacrament dat wij beleven buiten de tijd, maar de schrift zegt dat de uiteindelijke vrijheid aan de mens zal worden gegeven door de Heer die komt, een gemeenschappelijk werk van de mens en de drie-eenheid.

Het uiteindelijk goddelijke is niet de ontmoeting van de opgaande mens en de neerdalende God. De tweede wederkomst blijft een absoluut mysterie, maar de mens moet zijn energie ontplooien om het plan van God te kennen, de tekenen des tijds  ontcijferen. Alleen God openbaart zich in Zijn kracht en Zijn liefde door de mens voor te bereiden om het licht te ontvangen.

Dit betekent dus niet dat  men God kan verwac
hten zonder zelf een inspanning daartoe te doen, het zou de heerschappij zijn van de ongeïnteresseerdheid. Het is door de scheppende energie dat men God kan zien indien deze energie een vorm van zuiverheid van hart is. De mystieke bruiloften zijn door God geofferd in de voorbereiding van het hart van de mensheid die lijdt en werkt (…) Eucharistie en vrijheid hebben ditzelfde centrum, de Heer van de glorie.

 

 

Uit SOP 337

April 2009

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

Cyrillus van Jerusalem : Het is de heilige Geest die belevendigt

H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350), bisschop van Jeruzalem en Kerkleraar
Doopcatechismus nr 16

 

cyrillus of jerusalem245

 

“Het is de Heilige Geest die belevendigt”

“Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven” (Joh 4,14), zo spreekt de Heer. Hij heeft het over een nieuw soort water, dat levend is en opborrelt, ja opborrelt voor wie het waard is. Maar waarom wordt de gave van de Heilige Geest ‘water’ genoemd? Omdat alles bestaat dankzij het water. Omdat de planten en dieren leven krijgen door het water. Omdat het water van de regen neerdaalt uit de hemel. Omdat het in één vorm tot ons komt, maar in vele vormen zijn uitwerking uitoefent. Op één wijze wekt het in de palmboom, op een andere in de wijnstok. Het is alles in alles, ook al blijft het éénvormig en steeds aan zichzelf gelijk. De regen die neervalt is hier niet anders dan elders, maar hij past zich aan de wezensbouw van de dingen die hem ontvangen aan, om voor ieder wezen van nut te zijn.

      Zo is ook de Heilige Geest: Hij is één, enkelvoudig en ondeelbaar, maar aan ieder deelt Hij zijn genade uit zoals Hij het wil. Zoals het droge hout door het water op te nemen in twijgen uitloopt, zo ook de ziel die in zonde leeft: als ze door haar bekering de Heilige Geest waardig bevonden wordt, brengt zij vruchten van gerechtigheid voort. De Geest is enkelvoudig, maar toch bewerkt Hij, volgens de wil van God en in naam van Christus, velerlei genaden.

      Van de één gebruikt Hij de tong om wijsheid te verkondigen; van een ander verlicht Hij de ziel door de gave van profetie; weer een ander geeft Hij de macht om duivels uit te drijven; weer een ander ontvangt de gave van verklaring van de Heilige Schrift. Van de één versterkt Hij de zelfbeheersing, een ander leert Hij werken van barmhartigheid, nog een ander leert Hij vasten en de versterving, weer een ander leert Hij aardse begeerten te minachten, en nog een ander geeft Hij de bereidheid tot martelaarschap. Bij de ene werkt Hij zo, bij de ander anders, maar steeds blijft Hij geheel zichzelf. Er staat immers geschreven: “Aan een ieder van ons wordt de openbaring van de Geest meegedeeld tot welzijn van allen”(1Kor 12,7)

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

De icoon en de liturgie

De icoon en de liturgie

aartsengelen synaxis15
 

De architecturale vormen van een tempel, de fresco’s, de iconen, de objecten van de cultus, zijn niet er enkel als een soort objecten van een museum , maar zoals de ledematen van een lichaam leven zij hun eigen mysterievol leven. Zij zijn geïntegreerd in het liturgische mysterie. Het is zelf essentieel en men kan een icoon nooit begrijpen buiten deze integratie. In de huizen van de gelovigen wordt de icoon geplaatst op een hoogte en belangrijk punt van de plaats: zij leidt het gezicht naar omhoog en naar het enig noodzakelijke. De biddende contemplatie doordringt om zo te zeggen de icoon en houdt op bij de levendige werkelijkheid die zij uitbeeldt. In haar liturgische traditie, symbiose van de betekenis en de aanwezigheid, heiligt zij de tijd en de plaatsen, van een neutrale plaats  maakt ze een ‘huiskerk’, het leven van een gelovige, een biddend leven, een innerlijke altijddurende liturgie. Een bezoeker die binnenkomt buigt voor de icoon, be-mediteert de blik van God en groet daarna de heer des huizes. Men begint met God te loven, de eer aan de mensen komt nadien.  De icoon is nooit een decoratie, de icoon centreert gans het huis op de uitstraling van het hiernamaals.

Op dezelfde wijze zullen allen die een orthodoxe kerk binnengaan getroffen worden door een heftige sensatie van onophoudelijk leven. Zelfs buiten de erediensten is alles in de afwachting van de heilige mysteriën, alles is bezield en gericht op Hem die komt om zich als voedsel te geven.

Tijdens een dienst,  zullen de liturgische teksten gaan rond het gecelebreerde gebeuren en het becommentariëren. Het liturgisch mysterie stelt de icoon van het feest aanwezig en maakt het levendig. En vooreerst, de icoon doet in de liturgie zelf  een iconografische functie, een toneelmatig uitbeelding  zien van gans de economie van het heil.

Tijdens de cherubijnenzang : “Wij die op mystieke wijze verbeelden de cherubijnen en die zingen aan de levendmakende drie-eenheid”,  dan overstijgen wij het aardse en nemen we op een mysterievolle wijze deel aan de eeuwige liturgie gecelebreerd door Christus zelf in de hemel. De icoon van de synaxe toont ons de vergadering der engelen, met vele ogen en met vele vleugels. Op de icoon van de eeuwige liturgie, omringen zij de celebrant hogepriester Christus, opdat, “zoals ook het Evangelie van de glorie van Christus, de icoon van God, schittert in de ogen van de gelovige”(Dom J.Dirks, Les saintes icones, p44).

 De gelovigen stellen op mysterievolle wijze de engelen voor, zij zijn levende iconen, “anglophanieën”, menselijke plaats van de engelen, van aanbidding en gebed. Hic et nunc, is alles deelname, offerande, aanwezigheid en eucharistie : “Wij offeren u het uwe” en “wij prijzen u” In deze grandioze symfonie, zal elke gelovige zijn oudere metgezellen zien,patriarchen, apostelen, martelaren,heiligen, als werkelijk aanwezig zijnden, en het is met hen dat hij deelneemt aan het Mysterie;  als mede liturg van de engelen zingt hij : ” In uw heilige iconen, beschouwen wij de hemelse tabernakelen en wij juichen van een zeer zuivere vreugde….”

 Paul evdokimov : L’art de l’icone : theologie de la beauté, p 151-152

Vertaling : Kris biesbroeck

 

De heilige Monica : moeder van de heilige Augustinus

DE HEILIGE MONICA

Moeder van de heilige Augustinus

 

Monica heilige moeder van Augustinus

De heilige Monica was geboren in een christen gezin in Noord-Afrika in 332 te Tagaste. Zij werd streng opgevoed door een tante, die haar zelfs verbood water te drinken buiten de maaltijden, omdat zij zich anders misschien later aan wijn zou verslaven, wanneer zij zichzelf niet beheersen kon.

Deze stregnheid had het tegenovergestelde effect : toen ze weer thuis kwam, moest ze dagelijks in de kelder de wijnkan vullen voor de maaltijd, en het werd een toenemende gewoonte eerst zelf die wijn te drinken. Dit werd haar voor de voeten geworpen toen zij eens een slavin een standje gaf. Hierdoor was zij zo beschaamd, dat ze tegelijk brak met die slechte gewoonte, vooral omdat zij binnenkort gedoopt zou worden. Dit werd voor haar het begin van een geheel toegewijd en heilig leven. Sindsdien was zij dagelijks aanwezig bij de Eucharistieviering.

Zij was gehuwd met Patricius, een heiden met een goed karakter maar een grote driftkop, die het zijn vrouw vaak flink lastig maakte. Hun eerste zoon werd de beroemde Augustinus, in zijn jeugd nog lang geen heilige, en die meer het karakter van zijn vader had dan dat van zijn moeder . Wel bracht zij door haar liefdevol geduld haar man ertoe dat hij een christen werd en zich liet dopen in zijn laatste levensjaar.,371.

Augustinus was toen 17 jaar. Hij studeerde in Carthago, stond onder invloed van het Manicheïsme, en leidde een tamelijk bandeloos leven. Om de klachten van zijn moeder te ontgaan, leefde hij in een aparte woning. Monica bad en weende en vroeg de oude bisschop met haar zoon te disputeren. Deze oordeelde  dit in de gegeven omstandigheden zinloos maar sprak tot haar de beroemde woorden : “Blijf bidden : een kind van zoveel tranen zal niet verloren gaan”.

Twaalf jaar later, in 383, zocht Augustinus een carrière te beginnen in Rome, en zo tegelijk bevrijd te zijn van de klaagzangen van Monica. In Rome werd Augustinus zwaar ziek en hij vertro na zijn genezing naar Milaan, waar hij een bewonderaar werd van de heilige Bisschop Ambrosius, voorlopig nog zonder consequenties.

Monika was uit Afrika overgekomen om bij haar zoon te leven. Ook hier was zij dagelijks bij de heilige Liturgie in de kathedraal : daarna bezocht zij de armen die haar hulp nodig hadden. Zij leerde ook van de heilige Ambrosius zich, evenals hij deed, te schikken naar de gebruiken van de plaatselijke Kerk, waar men zich bevond. Tenslotte werden haar gebedn verhoord. Drie jaar later, op Pasen in 387, werden zowel Augustinus als zijn zoon  Adeodatus en zijn vriend Alypius gedoopt. De nieuwe bekeerlingen leefden samen met Monica een tijd lang in een kloostergemeenschap in Cassiacum, waar Augustinus verschillende van zijn werken schreef.

Monica’s levenswerk was voltooid; nu kreeg zij heimwee naar haar geboorteland. Zij wist de anderen over te halen mee terug te gaan naar Afrika. Zij verlieten Milaan en verbleven in Ostia, de haven aan de tibermond, voor de overtocht nar Afrika. Daar hield Augustinus het beroemde tweegesprek met zijn moeder, terwijl zij samen bij het venster uitkeken over de zee en de stralende hemel, over de diepste waarheid en de hemelse schoonheid. Zo kwam Monica los van haar koortsachtig verlangen om in de voorouderlijke aarde begraven te worden en gaf zij zich over aan Gods Liefde. Verder reizen bleek trouwens onmogelijk daardat haar ziekte in hevigheid toenam, zodat Monica spoedig daarna stervende was in 387, in de ouderdom van 56 jaar. Haar enige wens was nu nog dat haar zoon haar zou gedenken aan het Altaar; een wens die een voorspelling inhield van zijn wijding.

 Augustinus sloot haar ogen, maar hij durfde geen uiting geven aan de smart die hem verscheurde, omdat hij het niet passend vond om te wenen over iemand die zulk een heilig leven had geleid, en gestorvan was zo vol vertrouwen en overgave aan de Heer. Het Lichaam werd naar de kerk gebracht, het Heilig Offer werd opgedragen, en daarna werd zij begraven. Pas toen hij weer alleen was kon Augustinus zijn tranen niet meer weerhouden,die hem nu oevrstroomden als een vloedgolf, bij de herinnering hoe vaak hij haar verdriet had aangedaan, en welk een liefde zij hem steeds had toegedragen. En in zijn beroemste boek, de Belijdenissen, heeft hij een blijvend gedenkteken voor haar opgericht.

Ignatios van Antiochië : niemand heeft groter liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden

H. Ignatius van Antiochië (?-rond110), bisschop en martelaar
Brief aan de Romeinen 4-8 (vert. brevier)

Ignatius van Antiochië 125

“Niemand heeft groter liefde dan hij, die zijn leven geeft voor zijn vrienden

      Ik schrijf aan alle kerken en druk allen op het hart dat ik graag sterf voor God, als u het mij maar niet verhindert. Ik smeek u: laat uw welwillendheid mij niet ongelegen komen. Laat mij toch voedsel zijn voor de wilde dieren. Daardoor kan ik tot God komen. Ik ben de tarwe van God en door de tanden van de wilde dieren word ik gemalen om zuiver brood van Christus te worden…

      De vreugde van de wereld en alle koninkrijken van deze aarde kunnen mij niet helpen. Voor mij is het beter om te sterven voor Jezus Christus dan te heersen over de uiteinden der aarde. Hem zoek ik die voor ons gestorven is, naar Hem verlang ik die voor ons is opgestaan. Mijn geboorte is nabij. Vergeeft mij, broeders en zusters. Belet mij niet te leven… Laat mij het heldere licht ontvangen; eenmaal daar gekomen zal ik pas ten volle mens zijn. Laat mij het lijden van mijn God navolgen…

      Mijn liefde is gekruisigd en in mij brandt geen vuur dat naar het aardse verlangt. Levend en sprekend water (Joh 4,10;7,38) is in mij, dat in mijn binnenste zegt: “Kom tot de Vader”. Ik vind geen genoegen meer in het voedsel dat vergankelijk is, noch in de vreugden van dit bestaan. Het brood van God verlang ik, dat is het vlees van Jezus Christus, uit het geslacht van David; en als drank wens ik het bloed van Hem, die de onvergankelijke liefde is…Bid voor mij, opdat ik het doel bereik.

Augustinus : U bent niet van de wereld, want Ik heb u uit de wereld uitverkoren

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar
Sermon 334 voor de heilige martelaren, §1

augustinus 247

“U bent niet van de wereld, want Ik heb u uit de wereld uitverkoren”

      Alle goede en trouwe gelovigen, maar vooral de verheerlijkte martelaars kunnen zeggen : “Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” (Rm 8,31). De wereld moppert over  hen, de volkeren bereiden ijdele plannen tegen hen, de koningen stellen zich in slagorde op (Ps 2,1). Men vond nieuwe martelingen uit en bedacht ongelooflijke folteringen tegen hen. Men overlaadde hen met vernederingen en met leugenachtige beschuldigingen, men sloot hen op in onmenselijke cellen, men bewerkte hun vlees met ijzeren nagels, men slachtte hen af met zwaarden, men stelde hen bloot aan wilde dieren, men leverde hen over aan vlammen, en deze martelaren van Christus riepen uit: “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?”

      De gehele wereld is tegen u en u zegt: “Wie is tegen ons?” Maar de martelaren antwoorden ons: “Wat is de gehele wereld voor ons, als wij sterven voor Hem die de wereld heeft gemaakt?” Dat de martelaren dat blijven zeggen en dat wij dat horen en met hen zeggen: “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?” Zij kunnen in woede ontsteken, ons beledigen, ons onterecht beschuldigen, ons belasteren; ze kunnen niet alleen doden, maar ook martelen. Wat zullen de martelaren doen? Zij zullen antwoorden: “God komt mij te hulp, de Heer ondersteunt mijn ziel” (Ps 54,6)… Welnu als God de ziel ondersteunt, wat in de wereld kan me dan schaden?… Hij zal mijn lichaam herstellen…”Al uw haren zijn geteld” (Lc 12,7)… Laten we dus met geloof en met hoop en met een hart dat brandt van liefde, zeggen: “Als God voor ons is, wie is dan tegen ons?”

De heilige Gregorios van Nazianze

De Heilige Gregorius van Nazianze 

Theoloog, 339-391.

 

Gregor_von_Nazianz_der_Juengere741

Hij werd geboren in het jaar dat zijn toen nog heidense vader, die eveneens Gregorios heette, door zijn vrouw Nonna tot het Christendom was gebracht. Deze Gregorios onderscheidde zich zozeer dat hij nog datzelfde jaar bisschop werd gewijd.

Het was de bedoeling dat gregorios een rechtsgeleerde zou worden, en daarom werd hij naar de beroemste universiteiten van zijn tijd gezonden.  Eerst naar Caesarea in Palestina, toen naar Alexandrië, en tenslotte in 355, to de voltooiing van zijn studie, naar Athene. Op deze laatste tocht verging het schip waarmee hij reisde, en Gregorius was op de rand van de dood. Dit deed hem besluiten zijn Doop niet langer uit te stellen, en bij zijn terugkomst in Nazianze in 356, werd hij door zijn vader gedoopt.Twee jaar later ging hij naar zijn studievriend Basilios, in het klooster dat deze met zijn zuster Makrina gesticht had aan de Iris-rivier in Pontus. Maar Gregorius zou niet lang van het vreedzame leven genieten, dat hem zo lyrisch door Basilios was geschilderd. Hij werd teruggeroepen door zijn vader, die nu boven de tachtig was, om hem te helpen bij het besturen van zijn gemeente. Min of meer met geweld werd hij tot priester gewijd, met Theofanie in 361. Geheel ontdaan vluchtte Gregorius naar zijn geliefde eenzaamheid en het gezelschap van Basilios. Maar hij begon toch na te denken over zijn gedrag, en hoe de profeet Jona gestraft was voor het ontvluchten van zijn opdracht, en na een paar maanden keerde hij naar Nazianze terug, juist op tijd om de grote feestpredikatie te houden voor het Paasfeest.

In 372 werd Kappadocië door de keizer in twee provincies verdeeld, waarbij Tyana de hoofdstad werd van de andere helft. De daar aanwezige bisschop Anthimos claimde nu de jurisdictie over heel dat ‘deel’, ten koste van Basilios. Deze wilde zijn positie verbeteren met behulp van nog een bisschop, en haalde daarom Gregorios over om bisschop te worden van het rumoerige handelsstadje Sasima, waar drie belangrijke transportwegen zich kruisten. Het was een onmogelijke verblijfplaats voor de gevoelige Gregorios, daar de aggressieve Anthimos voortdurend moeilijkheden veroorzaakte, en er zelfs gewapende struikrovers op af stuurde. Basilios wilde hem echter handhaven op deze post, en zo kwam er een einde aan een van de mooiste vriendschappen die zo lange tijd het leven van zowel Basilios als van Gregorios had rijk gemaakt.

Gregorios ging terug naar Nazianze als hulpbisschop voor zijn oude vader, die in 373 stierf. Daarna bestuurde hij het diocees nog een tij d zonder eigenlijke bisschopsopdracht. Toen twee jaar later zijn gezondheid achteruit ging, trok hij zich voor een kluizenaarsleven in Seleucië terug.

Intussen was Constantinopel al meer dan dertig jaar in ariaanse handen. De kleine orthodoxe gemeenschap aldaar deed een beroep op Gregorios om hen bij te staan. Hij dwong zichzelf deze opdracht te aanvaarden, overtuigd dat hij door God tot het lijden was geroepen. Hij werd enthousiast verwelkomd in het sinds 379 gestichte huis ‘de Opstanding’. Daarom begon hij dagelijks de heilige Liturgie te vieren en te prediken over het vereren van de heilige Drie-eenheid.

Zijn machtige welsprekendheid werd al spoedig opgemerkt door de overgebleven Orthodoxen, maar ook door vele anderen die toch min of meer in twijfel verkeerden, en dan was het huis van onder tot boven vol. Hier hield hij zijn vier beroemde redevoeringen over de geloofsbelijdenis van Nicea, waardoor hij de eretitel ‘De Theoloog’ verwierf, als de grote verdediger van de Godheid van het Woord. De Arianen beschuldigden hem van Driegodendom, en zij moedigden het straatvolk aan het hem lastig te maken. Maar Gregorios liet zich hierdoor niet uit het veld slaan, en preekt :

Zij hebben de kerkgebouwen en het volk, maar hij had God en de Engelen. Zij bezaten rijkdom, hij geloof. Zij uitten bedreigingen, hij bad. Hij had maar een kleine kudde, maar die was bestemd tegen de wolven, en sommige wolven werden schapen.

Inderdaad kwamen er vele bekeringen : Gregorios’lieflijke welsprekendheid, de geestelijke schoonheid van zijn persoonlijkheid, zijn zachtaardige en tegelijk gloeiende ijver voor de waarheid, zijn zachtaardige en tegelijk gloeiende ijver voor de waarheid, zijn zo klaarblijkelijke onzelfzuchtigheid tegenover het ariaanse egoïsme, zijn diepe eerbied tegenover de ariaanse losheid, dat alles maakte grote indruk. De ariaanse bevolking kwam in hele groepen om naar hem te luisteren.

Na lange tijd was er weer een orthodoxe keizer, Theodosios, en de machtsverhoudingen zouden gaan veranderen. Gregorios hield nu de gelovigen voor :

Wees niet hooghartig wanneer de tijd gunstig lijkt; laten we niet met hardheid optreden tegen hen die ons onrecht hebben aangedaan. Laten we niet zelf doen wat we in anderen hebben afgekeurd. Laten we blij zijn dat we aan het gevaar zijn ontkomen, en laten we alles vermijden waardoor zulk een onderdrukking terug zou kunnen komen. Laten we niet streven naar verbanning en verboden; daag niemand voor de rechter; laat er geen zweep zijn tegen onzeden; in één woord : doe anderen niet aan wat ge zelf hebt ondergaan.

Eind november kwam Theodosios naar Constantinopel. Hij vroeg de ariaanse bisschop de eenheid te herstellen, maar deze weigerde de Godheid van Christus te erkennen en riep het volk op om buiten de stad een kerk te stichten. Nu besloot Theodosios om Gregorios tot de regerende bisschop van de stad te maken, en hij zette de gewapende macht in om het ariaanse volk in bedwang te houden. Gregorios, angstig en ontdaan te midden van een vijandige menigte, werd naar de Sofia-kathedraal gebracht. Zelfs de zwaar bewolkte hemel scheen een afkeurend oordeel uit te spreken.

Maar op het ogenblik dat gregorios de altaarruimte betrad, barstte het wolkendek open en een glorieus zonlicht omstraalde het grijze hoofd van de bisschop : het volk brak uit in gejuich. Maar Gregorios was zo geschokt dat hij niet in staat was te spreken en een van de priesters moest de preek houden.

Gregorios bleef bij zijn eenvoudige levenswijze en kwam maar zelden bij de keizer. Hij wendde geen politieke invloed aan maar bleef een eenvoudige, zachtmoedige, onwereldse herder. Hij preekte, bad, bezocht de zieken, won geen rijkdom maar wel aller harten door simpele, rechtstreekse naastenliefde.

 Een jaar later vaardigde Theodosios een edict uit waarbij de ketters, met name de Arianen? Hun burgerrechten verloren; alle kerken moesten worden teruggegeven aan de orthodoxe bisschoppen. Er werd een concilie bijeengeroepen om dit te bevestigen. Gregorios wilde deze nieuwe toestand niet beleven. Hij sprak zijn beroemde afscheidsrede uit en trok zich terug uit de openbaarheid. Hij deed nog wat werk voor Nazianze, maar trok zich steeds meer in de eenzaamheid terug van zijn geboortedorp Arianze. Daar leidden hij in vrede ee
n monastiek leven, maar schreef eveneens gedichten, ‘om de poezie niet helemaal aan de heidenen over te laten’. Zo werd hij niet alleen de ‘Theoloog’, maar ook de vader van de chistelijke dichtkunst. Ook veel brieven zijn van hem bewaard, die hem tonen als een aantrekkelijke persoonlijkheid, té fijn besnaard om het middelpunt te vormen van twisten en gevecht. In deze vrede is hij gestorven, 62 jaar oud, in 391.

 Gregorios van Nazianze, Gregorios van Nyssa en Basilios de grote worden  ‘De Cappadocische vaders’ genoemd.

 Uit : Heiligen voor elke dag (Orthodox klooster van de Heilige Johannes de Doper – Den Haag)

Augustinus : de oogst is groot

H.  Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar  
Overwegingen over het evangelie van Johannes, nr. 15

augustinus 4445

“De oogst is groot”

      Christus werd vervuld met ijver voor zijn werk en Hij bereidde zich voor om arbeiders in te gaan zetten om te oogsten. “Hier is het gezegde van toepassing: De een zaait, de ander maait. Ik stuur jullie erop uit om een oogst binnen te halen waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen; dat hebben anderen gedaan en jullie maken hun werk af.” (Joh 4,37-38). Waarom stuurt Hij maaiers, zonder zaaiers te sturen? Waar stuurde Hij de arbeiders om te oogsten naar toe? Daar waar anderen reeds hadden gewerkt. Daar waar de profeten al hadden gepredikt, want zij waren de zaaiers…

      Wie zijn zij die op die wijze gewerkt hebben? Abraham, Izaak en Jakob. Lees de verhalen over hun werk maar: in al hun werken vindt men de profetie van de Christus; zij waren dus de zaaiers. Wat betreft Mozes, de andere patriarchen en alle profeten, wat hebben ze wel niet moeten verdragen in de kou ten tijde dat ze zaaiden? In Juda was de oogst dientengevolge gereed. En men begrijpt dat de oogst rijp was op het moment waarop duizenden mensen hun bezit verkochten en de opbrengst aan de voeten van de apostelen legden en hun schouders ontlastten van de last van deze wereld, door Christus te volgen (Hand 4,35;Ps 82,7). De oogst was werkelijk gerijpt.

      Wat is het resultaat daarvan? Uit die oogst werden enkele granen gehaald en zij hebben het universum bezaaid, en zie hoe een andere oogst opkomt die bestemd is om geplukt te worden aan het einde der tijden. Om die oogst binnen te halen worden niet de apostelen, maar de engelen gestuurd.

Cyrillus van jerusalem: opdat ook Gij moogt zijn waar ik ben

Sint Cyrillus van Jeruzalem (380-444), bisschop van Jeruzalem, Kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Johannes 9 ; PG 74, 182-183

cyrillus van Jerrusalem13

“Opdat ook gij moogt zijn, waar Ikzelf ben”

      “In het huis van mijn Vader vinden velen hun verblijf ; heb Ik u niet gezegd : Ik vertrek om voor U een plaats te bereiden ?”… Als er niet zo veel verblijven bij de Vader zouden zijn, dan zou de Heer hebben gezegd dat Hij als voorloper zou gaan, overduidelijk om de verblijven van de heiligen voor te bereiden. Maar Hij wist dat er al  veel verblijven klaar waren en wachtten op de vrienden van God. Hij geeft dus een ander motief bij zijn vertrek: Hij bereidde de weg van onze hemelvaart naar plaatsen in de hemel door een doorgang te banen, terwijl van tevoren deze weg voor ons onbegaanbaar was. Want de hemel was geheel gesloten voor de mensen, en nooit was een wezen met een vleselijk lichaam dat zeer heilige en zuivere verblijf van de engelen binnengegaan.

      Christus heeft die weg in de hoogte voor ons ingewijd. Door zichzelf aan God de Vader aan te bieden als eersteling van hen die sliepen in de graven van de aarde, staat Hij het lichaam toe om naar de hemel te gaan, en Hij was zelf de eerste mens die aan de hemelbewoners verscheen. De engelen kenden dat verheven en grootse mysterie niet van een hemelse inhuldiging van het lichaam. Ze zagen met verbazing en bewondering de hemelvaart van Christus. Bijna verward door dat onbekende schouwspel, riepen ze uit: “Wie is het die uit Edom komt?” (Jes 63,1), dat wil zeggen van de aarde. Dus onze Heer Jezus Christus “heeft voor ons een weg naar een nieuw leven gebaand” (He 10,20). Zoals de Paulus het zegt: “Christus is immers niet binnengegaan in een heiligdom dat door mensenhanden is gemaakt…, maar in de hemel zelf, waar Hij nu bij God voor ons pleit” (He 9,24).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org