Hij is geen God van doden , maar van Levenden

Bezinning van de week
    

H. Nicolaas Cabasilas (ca 1320-1363), Grieks lekentheoloog
Leven in Jezus Christus, IV, 93-97, 102

“Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af”

 

christus pantocrator )- TRoublev

      “Christus heeft, na ons van de zonden te hebben gereinigd, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit” (Heb 1,3)… Hij is dus van bij zijn Vader in de wereld gekomen, om ons te dienen. En zie, Hij vervult zijn taak; niet alleen op het moment dat Hij -bekleed met de gebrekkige mensheid- op aarde verscheen, laat Hij zich zien als slaaf en verbergt Hij zijn kwaliteit als Meester; maar later ook, op de dag van zijn terugkomst zal Hij komen met al zijn macht en zal Hij bij zijn openbaring in de glorie van zijn Vader verschijnen. Gedurende zijn heerschappij staat er geschreven, “Ik zeg u, Hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en bij hen komen om hen te bedienen” (Lc 12,37). Dit is Degene door wie de vorsten heersen en de prinsen regeren.

      Zo zal Hij zijn ware en onberispelijke koningschap uitoefenen…;zo begeleidt Hij hen die zich aan Hem hebben onderworpen: vriendelijker dan een vriend, billijker dan een prins, tederder dan een vader, intiemer dan zijn ledematen, noodzakelijker dan zijn hart. Hij dringt zich niet op door vrees op te roepen, Hij bedient zich niet van een salaris. De kracht van zijn macht vindt Hij in zichzelf, door zichzelf alleen verbindt Hij zich aan zijn onderdanen. Want heersen door hardheid of om een salaris is niet zelf regeren, maar uit hoop op winst of door dreiging…

      Christus moet heersen in de eigenlijke zin van het woord. Alle andere autoriteit is Hem onwaardig. Hij heeft er op bijzondere wijze weten te komen…: om een echte Meester te worden, heeft Hij het bestaan als slaaf aangenomen en wordt dienstknecht van de slaven tot het kruis en de dood. Zo verblijdt Hij de ziel van de slaven en neemt Hij rechtstreeks de leiding over hun wil. Wetend dat dit het geheim van dit koningschap is, schreef Paulus: “Hij heeft zich vernederd; Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis. Daarom ook heeft God Hem hoog verheven” (Fil 2,8-9)… Door de eerste schepping is Christus Meester over de natuur; door de nieuwe schepping is Hij Meester over onze wil gemaakt. Daarom zegt Hij: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde” (Mt 28,18).

H. Nicolaas Cabasilas (ca 1320-1363), Grieks lekentheoloog
Leven in Jezus Christus, IV, 93-97, 102/ Dagelijks evangelie/Contact-nl@evangelizo.org  

 

Feest van de heilige Andreas

Feest van de Heilige Apostel en eerstgeroepene Andreas

24e zondag na Pinksteren – 10e zondag na de Kruisverheffing

Andreas
 

Lezingen : 1 Kor,4,9-16

 

Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden. 10 Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht. 11 Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos, 12 zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het; 13 worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.

14 Ik schrijf dit alles niet om u te beschamen, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. 15 Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het evangelie heb gebracht. 16 Ik roep u dus op mij na te volgen.

 

Evangelielezing : Joh.1,35-51

35 De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen. 36 Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’ 37 De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee. 38 Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat

(1:38b-51) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:39-52.

zoeken jullie?’ ‘Rabbi,’ zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’ 39 Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem.

40 Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. 41 Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), 42 en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).

43 De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ 44 Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. 45 Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ 46 ‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken,’ zei Filippus. 47 Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ 48 ‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ 49 ‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 50 Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ 51 ‘Waarachtig, ik verzeker jullie,’ voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.’

 

 andreas7s

Justinus : Hij is geen God van doden, maar van Levenden

 

Bezinning van de week

Heilige Justinius (ca 100 -160), filosoof, martelaar  
Overweging over de Opstanding, 8

“Hij is geen God van doden, maar van levenden

     Het vlees is kostbaar in Gods ogen. Hij geeft hier de voorkeur aan boven al zijn werken, dus het is normaal dat Hij het redt. Zou het niet absurd zijn als hetgeen Hij met zoveel zorg schiep, en wat de Schepper beschouwt als kostbaarder dan de rest, dat dit naar het niets terugkeert?

      Wanneer een beeldhouwer of schilder wil dat de beelden die ze geschapen hebben, blijven, om te dienen tot hun eer en glorie, dan herstellen ze dezen, als ze vernield zijn. En God zou zijn bezit, zijn werk terug laten keren tot het niets, zodat het niet meer bestaat? Wij zouden iemand “een nutteloze arbeider” noemen, als hij een huis bouwde om die vervolgens te vernietigen of die zou laten vervallen als hij het overeind kan houden. Zouden wij op dezelfde wijze niet God aanklagen als Hij het vlees nutteloos schiep? Maar nee, de Onsterfelijke is niet zo. Degene die van nature de Heilige Geest van het universum is, kan niet onverstandig zijn. In werkelijkheid heeft God het vlees geroepen tot wedergeboorte en heeft het het eeuwige leven beloofd.

      Want daar waar men het goede nieuws van het heil van de mens aankondigt, kondigt men het ook aan voor het vlees. Wat is eigenlijk de mens, behalve een levend wezen getalenteerd met intelligentie, bestaande uit een ziel en een lichaam? Maakt alleen de ziel de mens? Nee, het is de ziel van de mens. Noemt men de mens lichaam? Nee, men zegt dat het een menselijk lichaam is. Als dus geen van beide elementen op zichzelf de mens maakt, dan is het de eenheid van die twee die men “mens” noemt. Welnu God heeft de mens tot leven en opstanding geroepen: niet een deel van hem, maar de gehele mens, dat wil zeggen de ziel en het lichaam. Zou het dus niet absurd zijn als beiden bestaan volgens en in dezelfde werkelijkheid en dat de een gered wordt en de ander niet?

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Icoon van de Drie-eenheid – Roeblov

OUD TESTAMENTISCHE TRINITEIT

Van Andreï Roeblov – ca.1412

Tretjakov-Galerij  –  Moscou

 

drieeenheid 1

Deze wereldberoemde icoon was bestemd voor de iconenwand in het door de Heilige Sergius van radonesj gestichte klooster te Zagorsk (ongeveer 70 km. Van Moscou verwijderd). De voor de icoon benutte gegevens berusten op de allegorische verklaring van het zeer bekende hoofdstuk 18 uit het boek Genesis. Daar wordt verhaald, dat aan Abraham drie engelen verschenen en door hem gastvrij werden ontvangen onder de eik van Mamre. Links zou God e Vader herkennen, in het midden Christus en rechts de Heilige Geest (maar dit is slechts een hypothese !) De volstrekte gelijkheid tussen de goddelijke personen is nimmer zo verheven uitgebeeld. Hoogste spirituele expressie, ritmische bewogenheid, glans der tinten geven aan het geheel een weergaloze schoonheid.

Het is de opgave van de schilder om zijn beeld zo te schilderen dat hij deze goddelijke werkelijkheid zichtbaar maakt. Dan komt het bij de meditatie en de verering van die icoon tot een echte ontmoeting met God.

Dat was het opzet van Andreï Roeblov : zijn Godsontmoeting meedelen opdat ook wij die zouden ervaren. Hij bediende zich bij dit ‘spreken zonder woorden’ van kleuren, vormen en symbolen, waarmee zijn kunstvolle hand zo eenmalig trefzeker kon omgaan. Luisteren wij nu bij dit ‘spreken zonder woorden’ naar de taal van het schilderij, om zo de diepte en de zin van zijn boodschap in ons op te nemen.

We kijken even naar de opbouw van de icoon : een rechthoek, waarin een cirkel, en in het midden een driehoek. Rechthoek en driehoek samen zijn het fundament van de icoon. De plaats van de engel in het midden is door de loodrechte middenas vastgelegd. De twee diagonalen bepalen de plaats van de twee andere engelen.Hun hoofden komen niet buiten de diagonalen. De cirkel is het symbool van de goddelijke volmaaktheid, omdat er in God begin noch einde is. Eigenlijk is de cirkel zo bepalend voor het beeld van de drie personen dat alles war er buiten staat gerust weg zou mogen vallen, zonder afbreuk te doen aan de waarde van de icoon. In het midden zien we een gelijkzijdige driehoek. Reeds in de vroegchristelijke kunst gold de driehoek als symbool van de drie-eenheid Gods. De bovenste rand van de tafel is de grondlijn aan wiens uiteinde de beide andere engelen zitten. De driehoek heeft zijn hoogste punt in het hoofd van de middelste engel en valt over zijn rechterschouder in de handen van de engel links. Over zijn linkerschouder echter loopt een  lijn in de richting van de rechterhand van de engel die rechts zit. Rechthoek en driehoek geven de icoon een doorzichtige samenstelling, geborgenheid en eenheid. Toch doet de icoon helemaal niet stroef of gekunsteld aan. Het hoofd van de engel in het midden buigt over de middellijn naar links, terwijl de kelk op tafel iets naar rechts verschoven is. Het schijnbaar verstoorde evenwicht is daarmee weer hersteld.

De neiging naar links van het hoofd van de engel in het midden wordt nog versterkt door de naar links overhellende boom achter hem. Een gelijkaardige neiging naar links vertoont ook de engel rechts. De richting van de berg boven de engel rechts – niet alle reproducties laten deze berg voldoende tot zijn recht komen – deze richting verduidelijkt de beweging van zijn hoofd nog eens en onderstreept die beweging. Door deze neiging naar links van de hoofden is Roeblov erin geslaagd een levendige en gesloten gemeenschap tussen de drie personen van zijn icoon op te roepen. De drie engelen vormen een eenheid die het resultaat is van een beweging van de twee engelen rechts naar de engel links toe. Deze engel links heeft een  rechte houding. De beweging van de twee anderen maakt duidelijk dat hij deze neiging naar hen toe aanvaardt.

We konden duidelijk zien dat er een beweging naar links te erkennen is. Men kan zich afvragen of er ook van links naar rechts een beweging te ontdekken valt. Dan zou zich de kring sluiten. Het feit dat de pelgrimsstokken van links naar rechts steeds sterker overhellen schijnt op die beweging te wijzen. Bij aandachtig toezien kan men inderdaad een beweging naar rechts erkennen. De uitgestrekte, zegenende vingers van de engelen links en in het midden, duiden op een beweging, die vanuit de schoot van de engel links over zijn rechterhand van de engel in het midden gaat. Deze beweging naar rechts loopt verder door naar de rechterhand van de engel rechts. Hier vloeit ze dan spontaan over via de linkerarm van de rechtse engel in de reeds beschreven lijn van de hoofden naar links, die ook de berg en de boom in dezelfde beweging opneemt en vormt zo een volledige kringloop.

Midden in deze kringloop staat een kelk op tafel. De ruimte die vrijblijft tussen de knieën van de engelen, die aan beide uiteinden van de tafel zitten, duidt nog eens de vorm van een kelk aan. Nu weliswaar in een vereenvoudigde vorm.

De vorm van de kelk vinden we dan nog een keer terug in het gedeelte helemaal onder, in de ruimte die vrij blijft tussen de twee voetbanken van de twee uiterste engelen.

Van zo groot belang was voor Roeblov deze enen kelk dat wij zijn vorm verschillende keren op de icoon terugvinden. De kelk zelf, de tafel waarop hij staat, de ruimte tussen de voetbankjes, en tenslotte in zijn grootste vorm getekend door de lijnen van de twee uiterste engelen vormen, te beginnen bij hun voeten en doorlopend tot aan hun schouders. Als wij deze laatste vorm van de kelk nauwkeurig bekijken, lijkt de engel in het midden er bijna helemaal in te verdwijnen. Voor Roeblovs tijdgenoten was de betekenis van deze meervoudige symbolen duidelijk. Ze willen niet alleen verwijzen naar het gastmaal bij Abraham, maar ook op het unieke offer van Jezus op Calvarië, dat wij bij iedere Liturgie gedenken en ontvangen.

De opening aan de voorkant van de tafel onderstreept dit nog eens uitdrukkelijk. Alle stenen altaren in de byzantijnse kerken hebben een dergelijke opening die relieken bevatten opdat ieder bij de viering aandachtig zou zijn : we voelen ons verbonden met de martelaren van heel de Kerk.

Concentreren wij ons nu op de kleuren van de icoon.

In verschillende schakeringen verdeelt zich de blauwe kleur over de drie engelen. Blauw is de kleur van de godheid en de hemelse waarheid. Zacht, bijna in een zilveren kleur, komt het blauw van onder de vleugels der engelen te voorschijn. De grootste oppervlakte van dit blauw  zien wij bij de engel in het midden. En het is een krachtig blauw. De vele plooien van zijn gewaar laten een rijke nuancering toe van het blauw in licht en donker. Bij de beide andere engelen is blauw de kleur van het onderkleed. Alleen een klein smal streepje blauw zien we bij de engel links. Maar een rijker blauw en een groter gedeelte zien we bij de engel rechts. Alle nuanceringen van het blauw duiden waarschijnlijk de ons geopenbaarde kennis aan die wij bezitten over de hemelse waarheid en godheid, van de drie goddelijke personen. Het hoogtepunt van de kleurencompositie is zeker het donkerrood op het onderkleed van de engel in het midden. De oranjeachtige streep op de rechterschouder die dit rood onderbreekt, laat deze kleur nog feller uitkomen.

Wat is daar nu de betekenis van ?

De jeugdige gelaatstrekken van de engelen, waarvan niemand ouder of jonger genoemd kan worden, tonen dat er in de goddelijke Drie-eenheid geen vroeger of later , geen gisteren of morgen, maar alleen het tijdloze NU van de drie goddelijke Personen bestaan. De jeugdige gestalten verenigen in zich de kracht en de bevalligheid van de beide geslachten, want bij God is er geen onderscheid tussen man en vrouw; in Hem die als de ene drievuldig is, wordt de verscheidenheid niet opgeheven maar ver-eend en vervuld.

Iedere persoon die door de Russische monnik wordt geschilderd is altijd op een ander betrokken. Roeblov die zelf in een broederlijke gemeenschap leefde, weet dat leerling-zijn niets anders betekent dan een in Jezus afgestorven leven te leiden, arm te worden aan zijn eigen ‘ik’, om rijk te worden naar de inwendige mens. De geestelijke vrucht wordt alleen geboren uit offerbereidheid en overgave van zichzelf. Roeblov legt in al zijn iconen de kracht tot deemoed, zoals hij die zelf wel ontvangen heeft van Jezus, door wie hij zich geroepen wist.

Wat is nu de geestelijke inhoud, de spiritualiteit en de theologie van Roeblovs Drievuldigheidsicoon ? Toen Abraham in het dal van Mamre op het middaguur voor zijn tent zat, ontving hij in de personen van de drie mannen het bezoek van God zelf. ‘Filoxenia’ -dit wil zeggen gastvrijheid – noemt de orthodoxe kerk deze icoon. Gastvrijheid betekent voor een Oosterling echter méér dan aan een vreemde voedsel en een dak boven zijn hoofd geven. Gastvrijheid betekent ook tafelgemeenschap (communio): vandaag een eigen, bijzonder innige vorm van vriendschap. Met de voorstelling van dit éénmalig bezoek van God aan Abraham is Roeblovs icoon echter geenszins verklaard. In de drie bezoekers ziet en schildert de Russische meester de Heilige Drie-eenheid. Daarom de bijzondere cirkel en de vorm van een driehoek., een verwijzing naar Gods eeuwigheid en Gods Drie-persoon-zijn. De aureolen die de hoofden van de engelen omstralen schijnen als drie zonnen in de helderste kleuren van de icoon. De Oosterse Kerk omschrijft dit zo : ze zijn  immers in drie personen het ene licht van drie zonnen. De bezoekers zitten rond de tafel waarop één beker staat : de éne , voor allen gemeenschappelijke spijs en drank. Ook het goud van hun vleugels en het blauw dat ze in hun kleding en onder hun vleugels dragen wijst op één godheid, die alles gemeenschappelijk heeft. Alle drie hebben ze dezelfde pelgrimsstok die erop wijst dat God geen egpïstische of in zich berustende God is, maar de ene God die op tocht gegaan is naar zijn schepping toe. Twee grote gespreksthema’s vullen de ruimte. Twee thema’s die nauw met elkaar verbonden zijn. Daarom is het bijeenzijn van de drie nu van zo grote betekenis. Ze hebben een belangrijke beslissing te treffen en ze willen dat doen in een goddelijke eensgezindheid.

Roeblov zelf wilde dat men zijn icoon verstond als het besluit van de Heilige Drie-eenheid tot de menswording van de Zoon. En daarmee komt er een volledig nieuwe trek in de afbeelding van de Drie-eenheid. We staan daarmee aan de oorsprong van het denken over God. Want zolang God is heeft Hij zich tot de wereld uitgesproken . Ook als de wereld zich ven Hem afkeert, houdt Hij er van. Daarom moet deze beslissing van de Heilige Drie-eenheid genomen worden. Het worstelen om het ‘ja’ van de Vader is nog niet afgesloten. Het definitieve Ja tot deze opdracht is nog in wording. Met dit ‘ja’ van de Zoon, wil de Vader de wereld verlossen. Dit is het eerste gespreksthema van de Drie. De verlossing en bevrijding van de wereld uit alle demonische macht.

En het tweede thema : God wil de wereld naar zich toe trekken, thuis laten komen bij Hem en opnieuw één met de wereld zijn. Daarom wil de Vader afstand doen van de Zoon, koste wat het wil, opdat de Zoon de mensen zou benaderen, als het ware aan huis zou gaan bezoeken. De beraadslaging tot dit ‘Ja’ zien wij op de icoon. Dit ‘Ja’ wordt des te belangrijker, omdat het voor de Zoon niet een ‘Ja’ is, dat wellicht roem en eer meebrengt, het is het bewuste ‘Ja’ voor een leven van mislukkingen, fiasco’s, dood. Dood aan een Kruis. Wat zal het antwoord zijn van de Zoon ? Wordt het slechts een ‘Ja’ woord ?

De Geest :

De engel rechts die (waarschijnlijk) de Heilige Geest verzinnebeeldt, stemt zonder voorbehoud toe en laat  zijn grenzeloze bereidheid en beschikbaarheid erkennen. In zijn gelaatsuitdrukking zien wij de Trooster, die troost brengt en troostend bijstaat. Zoals een Russische Theoloog het ooit zei, is Hij de goede bron van alle goedheid. Met deze overgave troost Hij de Zoon Jezus, die om de wereld te redden, zich vernederen en ontledigen laat tot in de Godsverlatenheid toe om onder de mensen als hun dienaar te zijn, om hen te redden uit hun ik-zucht en liefdeloosheid.

Daarom kan de engel die de Heilige Geest mogelijks kan verzinnebeelden, niets anders dan zich naar de Zoon toebuigen. Maar moet dan de Zoon alléén in de wereld komen en de Geest niet ? Ja, ook Hij ! Hij zal niet enkel de Zoon begeleiden, Hij zal ook de mensen tot Hem voeren. Het zal Pinksteren worden op aarde, waar Hij zich zal uitstorten op alles en allen die Hem verwachten. Ja, ook Hij zal in de wereld komen om allen binnen te voeren in het wezen van God. Vuur wil Hij zijn, volheid van Gods liefdegloed. Hij zal mensen ervoor warm maken dat zij tot elkaar komen in éénheid en als broers eendrachtig samenwonen, opdat er vrede op aarde kan komen. Want liefde zoekt naar eenheid. Deze opdracht van de Heilige Geest schijnt aanvaard. Zo zal geschieden.

Bij het blauw komt in zijn bovenkleed ook nog het groen. . Zo openbaart zich Gods geest die door Zijn werken het heelal, de gehele schepping tot leven brengt en nieuw zal maken. Bewust van Zijn oneindige volheid en kracht, neigt zich de engel die de Heilige Geest verzinnebeeldt zich tot de engel in het midden met een liefdevol en beslist ja.

De Zoon :

De engel in het midden verzinnebeeldt (waarschijnlijk) de Zoon. Hij is het Woord van in de beginnen van de eeuwige Vader. De engel die de Zoon verzinnebeeldt, keert zich luisterend en  antwoordend tot de Vader. Wij zijn hier getuigen van een moment van het gesprek binnen het goddelijk samenzijn en hun eeuwige eensgezindheid. Omdat God geen zwijgende God is, geen oer-eenzame, geen éénvoudig-persoonlijke, maar een drievoudig persoonlijke God is, daarom zijn ze hier bijeen om in een gesprek het heil van de wereld voor te bereiden.

Er is hier geen tegenspraak van de zoon te ontdekken. Hier is enkel luisterende bereidheid tot een gruwelijke weg. Het bloedrood onderkleed herinnert aan het purper van de Byzantijnse Keizers, maar ook aan de ernst van de liefde, waarmee Jezus in plaats van de mensen gehoorzaam wil zijn. Een weg die leidt tot de dood aan het Kruis. Deze weg wil voorzeker overwogen en bezonnen zijn.

Alleen bij Hem is het blauw van de hemelse godheid en waarheid tot bovenkleed geworden. Want juist in Jezus wil de godheid zich openbaren en veruitwendigen.

De boom achter de middelste engel stelt de levensboom van het paradijs voor. Volgens een oude legende met een diepe zin, werd het Kruis van Golgotha gemaakt uit de levensboom uit het Paradijs. Zal Hij het kunnen dragen ?

Zijn hoofd neigt zich naar links, naar de vader. Zijn knie, zijn armen en de geopende vingers, die aan een zegenend gebaar doen denken, wijzen naar rechts, naar de Heilige Geest. Als wou Hij verwijzen naar Hem, die uit alles wat hij bevrijdt, de goddelijke bijstand die hem terzijde staat in leven en sterven duidelijk wordt.

De Vader :

De engel links zit zo te zeggen helemaal rechtop op zijn troon. Hij verzinnebeeldt (waarschijnlijk) God de vader. De bijna loodrecht gehouden pelgrimsstok in Zijn hand onderlijnt de rechte houding. Zijn bovenkleed in roze en goud, kleuren die de hoogste in rang aanduiden, verraden in Hem de ‘Oorsprong’, de bron van alle goedheid en daarom van alle leven.

Van  Zijn blauw onderkleed is enkel maar een heel smalle streep te zien. De Vader woont in het ontoegankelijk licht. Geen mens heeft Hem ooit gezien, of is in staat Hem te zien. Het is voor de Christelijke kunst steeds bijzonder moeilijk geweest de Vader voor te stellen. Want Hij heeft zich als Vader nooit aan de mensen getoond. Alleen in Zijn Zoon wil Hij zich aan de wereld tonen.

Wanneer de byzantijnse kunstenaars God de Vader als de Albeheerser, als de Pantocrator wilden afbeelden in de koepels der kerken, lieten ze het beeld van Jezus op zich inwerken en zetten dit laatste in de plaats van de ongenaakbare, onzichtbare God de Vader, de Pantocrator. Jezus is toch het beeld van de onzichtbare God.

Ook Roeblov wil op zijn manier de onzichtbaarheid en ontoegankelijkheid van God de Vader aanwijzen, die hij in de engel links  (waarschijnlijk) voorstelt. Daarom schildert hij van het onderkleed maar een kleine smalle streep, nauwelijks zichtbaar onder Zijn bovenkleed. Van de drie goddelijke Personen heeft de Vader zich op directe wijze het minst aan de wereld geopenbaard.

Roeblov is er in geslaagd de drie Personen van de Drie-eenheid niet alleen in gesprek met elkaar te tonen. Hij maakt ons de innigste band van een één-zijn in liefde zichtbaar, die bepalend zijn voor het drievoudig persoonlijk leven van God.  Het grote thema van deze icoon is de beweging van de éné persoon naar de andere toe. Hier trekt niemand iets naar zich toe, want onze God is niet zoals de goden der wereld, die aan zichzelf denken, die naar zich toe trekken, voor zich opeisen. Onze God leeft in betrokkenheid op de ander en kijkt voortdurend naar de ander uit. Ja, inderdaad, hier wordt , niet geëist. Hier neigt zich de ene persoon naar de ander, en schenkt hem Zijn liefde.

Het is uit dank voor deze overgrote liefde van de Vader, dat zich de Zoon en de Heilige Geest dankbaar antwoordend  overgeven. Deze beweging van het dankbaar antwoord is zo sterk, zo geweldig, dat ze als een stormgloed het intiem goddelijk bereik overstijgt.

Dit gebeuren wil de hele schepping in de vreugde en de Vrede, in de dankbaarheid en overgave betrekken. Ook de berg en de boom op de achtergrond, beeld van levenloze en levende natuur, moeten helemaal aan deze beweging, die alles door Jezus naar de Vader stuwt, deelnemen.

Vanuit deze beweging van steeds circulerende liefde, van de ene goddelijke persoon naar de andere toe, moet de beslissing  van de Zoon getroffen worden. Hier wordt de wil van de drie personen geboren. Hun eenheid in liefde wil ons mensen binnendragen in het geopende en gastvrij op ons wachtende Vaderhuis. Thuiskomen, thuis-zijn ! De mens staat voor de uitnodigende blik van de Vader, die hem wil binnenleiden in Zijn goddelijke Liefde. Hij wil hem van alle kanten met liefdevolle kracht omgeven, als het ware zijn hand boven hem houden, met deze macht der liefde hem nieuw maken, zodat het doen en laten van de mens louter liefde zou zijn.

God heeft een doel : het god-verlaten zijn, het zijn zonder God moet een einde nemen. De Vader wil zijn mensen omvormen tot liefde : Hij wil dat iedereen vol wordt van liefde, thuiskomt in de liefde, en uiteindelijk zelf liefde wordt. Dit alles wil Hij waarmaken. Wat voor een heilige bedoeling, wat voor een wonderbare liefde !

De Kelk

In het midden van de icoon staat op de tafel een kelk, met een kleine kalfskop daarin. Het kalf was in veel wetten van het Oude Testament bestemd voor het offer. Het wordt op Roeblovs icoon tot zinnebeeld van Gods zoenoffer. Zo ziet het raadsbesluit van de Drie-ene God eruit. Jezus Christus zal tot zoenoffer voor de zonden van de mensen worden.

Bescheiden maar toch vastbesloten is het gebaar waarmee de Vader naar de kelk wijst.

Dit gebaar is tegelijkertijd bevel en uitnodiging. Maar ook een bewijs van de allergrootste liefde. De Vader bestemt zijn eigen Zoon voor het offer. De Zoon heeft het bevel verstaan en buigt zich beamend naar de vader toe.

De hand van de Zoon rust zwaar op de tafel. En ook Zijn gezicht toont dat hij zich de ernst van de opdracht bewust is. Biddend en zoekend naar hulp neigt zich daarom de stok van de Zoon naar de Heilige Geest, die vol stille weemoed zijn bereidheid om mee te werken aan het verlossingswerk tot uitdrukking brengt bij het begin en bij de voltooiing. Hij is de bijstand, die hem terzijde staat.

Kruis als levensboom

De verlossing zal werkelijkheid worden op de levensboom van het kruis. Het hout van het kruis is bereid en neigt zich naar de Zoon toe om Hem als zijn schoonste vrucht aan te nemen. Dit heilsgebeuren wordt door het Bloed tot werkelijkelijkheid.  Maar niet door het Bloed van Jezus Christus, die het eens en voorgoed zal vergieten om zo verlossing te bewerken voor alle tijden.

Het bloedrode onderkleed wijst op de bloedige voltrekking van dit verlossingswerk. Waarom is uw gewaad zo rood en zijn uw kleren als die van een druivenperser, vraagt de profeet Jesaja aan de Messias ? En het antwoord luidt : ‘Ik heb geheel alleen de wijnpers getreden en van mijn volk was er niemand om mij te helpen’. Golgotha, schande en dodenheuvel, voor de stadsmuren van Jeruzalem. Daar valt de Mensenzoon definitief in de handen van de mensen. Zijn leven dat de Zoon offert, neemt de Vader aan als plaatsvervangend voor de gehele schuld van alle mensen. Hij heeft het doorstaan. Het is volbracht. Jezus’dood betekent een brug voor ons. De weg naar de Vader is open. De dood is mee opgenomen in de zege.

Pelgrimsstok

De pelgrimsstok in de hand van de engel wijst naar onder, naar de plaats waar de mensen wonen, uit het donker vanwaar God zo ver is, kan de mens bevrijd worden. Zonde en dood moeten wijken voor het goddelijk licht en de vreugde. Nu is het verlossingswerk van de Drie-ene God volop bezig. God zelf trekt de mens omhoog uit zijn liefdeloosheid en zijn ik-zucht waarin hij gevallen was en plaatst hem in de navolging van Christus. Zij die verloren waren horen het reddend woord en aanvaarden het. Al zijn uw zonden rood als scharlaken, ze zullen witter worden dan sneeuw. Dat mogen all weer thuisgekomen verloren zonen beleven. God zelf droogt hun tranen van berouw en boete. Het zal wel niet louter toevallig zijn dat de groep van de Drie-eenheid maar één weg openlaat waarlangs wij toegang hebben tot Hem. De achtergrond is door de vleugels van de engelen afgeschermd. Ook van de zijkanten is geen toegang. Het perspectief van de zitbanken sluit de toegang af en verplicht ons de engelengroep eerbiedig rond te gaan tot we er voor staan, voor het altaar tegelijkertijd.

Maar kijk ! Helemaal beneden tussen de voetbanken van de engelen links en rechts blijft er een ruimte vrij. Deze groene ruimte heeft de vorm van een kelk die naar boven naar het altaar wijst.

Hier wordt ons toegang verleend tot de gemeenschap van de Drie-persoonlijke God. De opening die wij aan de voorzijde van roeblov’s altaar zien wil ons duidelijk maken van welke aard onze roeping zal zijn. De opening is voor de relieken van de martelaren bestemd. Ook wij zijn geroepen om getuigen van Christus te zijn tot aan het uiteinde der aarde. Ook voor ons blijft er slechts één toegang om tot de kring der heilige Drie-eenheid te geraken. Het is de toegang die aan de opening van de relieken van de martelaren voorbijgaat. Langs deze weg worden wij mee opgenomen in het eeuwige drievoudig-persoonlijke gesprek, niet als stomme toeschouwers of als dove toehoorders, maar als actieve gesprekspartners, als leerlingen van Jezus die het Oude en voorbij gaande laten voor wat het is, om Hem te volgen en te dienen die het eerst Zijn leven voor ons gaf. Mag het ons ook veel kosten, hier gaat het erom Jezus lief te hebben, zich aan Hem over te geven en Hem te eren door de inzet van ons hele leven. Hier roept de Heer van het leven ons toe : ‘Komt allen tot Mij die uitgeput en onder lasten gebukt gaat en volgt Mij na’.

Abba ! Vader !

En Gods heilige Geest, die ons alle waarheid leert, roept biddend in ons : ‘Abba, Vader!’.

Door de Heilige Geest zijn wij echt opgenomen binnen de kringloop van de liefde, die ons van alle kanten omgeeft. En als wij in de Heilige Geest opnieuw geboren worden, dan hebben wij ook een levendige hoop en een roeping dat dit alle moeite waard is te leven.

In de navolging van Jezus bereikt ons leven en ons liefhebben in de Heilige Geest het doel van alles : de Vader.

Het onmogelijke is voor de mens mogelijk geworden. Er is uit dit besluit in liefde van de Drie-ene iets nieuws geboren. Door Hem en met Hem is leefbare gemeenschap haalbaar geworden. Het broederlijk samenzijn van mensen in stad en land, in de kerk en andere gemeenschappen, komt voort uit dit heilig voorbeeld. Gods eenheid in liefde bewerkt onder ons deze heilige broederlijke eenheid in liefde.

‘God, hebt Gij een doel met ons leven, roept Gij ons tot deze navolging ? Wilt Gij dat wij één zijn in uw Liefde Ja, Vader, uw wil geschiede ! Ook onder ons. Mogen wij door uw Heilige Geest vol worden van Uw Liefde!’

De duitse tekst is van Gerhard Jan Rötting (Jesus-Bruderschaft)

Vertaling en bewerking : Kris B.

 

23e zondag na Pinksteren – 9e zondag na de Kruisverheffing : opdracht van Maria in de Tempel

23e zondag na Pinksteren – 9e na de Kruisverheffing

Tempelgang van de Moeder Gods



TER ERE VAN DE MOEDER GODS

Efesiërs, 2,4-10

 

God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme. 10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

 

Lucas 10,38-42

 

Maria en Marta

38 Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een vrouw, Marta geheten, ontving Hem in haar huis. 39 En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. 40 Marta echter werd in beslag genomen door het vele bedienen. En zij ging bij Hem staan en zeide: Here, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen. 41 Maar de Here antwoordde en zeide tot haar: Marta, Marta, gij maakt u bezorgd en druk over vele dingen, 42 maar weinige zijn nodig of slechts één; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.

 

 opdracht maria in de tempel5

Zegen voor een kerkwijding

 

BEZINNING

Een oosterse Liturgie  
Zegen voor een kerkwijding

Moge de innerlijke tempel even mooi zijn als de tempel van stenen

      Wanneer er drie in uw naam verenigd zijn (Mt 18,20) vormen ze al een kerk. Bewaar de duizenden die hier verzameld zijn: hun harten hadden al een heiligdom voorbereid voordat onze handen deze tempel tot glorie van uw naam bouwden. Dat de innerlijke tempel even mooi mag zijn als de stenen tempel. Kom in de een zowel als in de ander wonen; onze harten zijn als stenen die gemerkt zijn met uw naam.

      De alomtegenwoordigheid van God zou gemakkelijk een verblijfplaats voor zichzelf op kunnen richten, evenals Hij met een gebaar het bestaan aan het universum heeft gegeven. Maar God heeft de mens gebouwd opdat de mens verblijfplaatsen voor Hem kan bouwen. Gezegend is zijn Genadigheid, die ons zo lief heeft gehad! Hij is oneindig; wij zijn beperkt. Hij maakt de wereld voor ons; wij maken voor Hem een huis. Het is bewonderenswaardig dat de mens een verblijfplaats kan bouwen voor de Almachtige die overal aanwezig is en aan wie niets kan ontsnappen.

      Hij woont midden onder ons met tederheid; Hij trekt ons naar zich toe met banden van liefde; Hij blijft onder ons en roept ons opdat we de weg van de hemel zullen nemen, om bij Hem te komen wonen. Hij heeft zijn verblijf verlaten en heeft de kerk gekozen opdat wij onze verblijfplaats zouden verlaten en voor het paradijs zouden kiezen. God heeft onder de mensen gewoond opdat de mensen God ontmoeten.

Bron : DAGELIJKS EVANGELIE

Oecumenisch Patriarch bezocht Europees Parlement

Oecumenische Patriarch Bartholomeus I: “Onze planeet is van iedereen, christenen en niet-christenen

De Oecumenische Patriarch Bartholomeus I van Constantinopel bezocht deze week het Europees Parlement. In de plenaire vergaderruimte liet hij de EP-leden weten dat “godsdienst en politiek naast elkaar bestaan, omdat beide de mens dienen” en noemde hij christenen en moslims “kinderen van dezelfde God”. Ook voorziet hij een plaats voor Turkije in de EU. We spraken met hem.

Vandaag sprak u als een religieuze leider een politieke instelling toe. Hoe ziet u de wisselwerking tussen religie en politiek op Europees niveau?
 
“Godsdienst en politiek kunnen naast elkaar bestaan, omdat beide ten dienste zijn van de mens, ze zijn er om de mens te dienen. Een politicus kan zijn geloof, zijn religie niet verbergen. Het feit dat het EP heeft mij uitgenodigd laat zien dat politici religie niet buiten hun interesses, buiten het leven van mensen plaatsen.
 
De Europese cultuur is gebaseerd op het christelijk geloof, over de lessen van het evangelie, maar dit betekent niet dat we eenieder die geen christen is moeten buitensluiten. Het samenleven van christenen en niet-christenen moet leiden tot wederzijdse verrijking.”
 
U noemt de dialoog tussen religies een belangrijke prioriteit. Hoe zou u de huidige betrekkingen tussen christenen en moslims in Europa omschrijven?
 
“Het bestaan van miljoenen moslims in Europa is vandaag de dag een realiteit. Zowel christenen als minderheden die dat niet zijn moeten streven om te leven in harmonie als kinderen van dezelfde God. Moslims en andere minderheden moeten niet leven in getto’s: ze moeten worden geïntegreerd in een samenleving die hen verwelkomd.
 
De Europese samenleving is een open samenleving. Er bestaan moskeeën in vele Europese steden en we vinden dit heel natuurlijk. Maar dit proces moet wederzijds zijn. Het is oneerlijk dat het bijvoorbeeld nog niet is toegestaan om een christelijke kerk in Saoedi-Arabië te bouwen.
 
Wij in Constantinopel vormen een zeer kleine christelijke minderheid, maar we zijn Turkse burgers en voldoen als minderheid volledig aan onze verplichtingen jegens de staat. Maar we worden niet altijd gelijk behandeld. We zijn van mening dat wij tweederangs burgers zijn en dat doet ons verdriet. Om tot vrede en harmonie te komen moet de meerderheid de rechten van minderheden respecteren.”
 
U wordt ook wel de ‘groene patriarch’ genoemd door het ondersteunen van de milieuproblematiek. Waarom steunt u dergelijke gevallen?


“Ik heb deze belangstelling geërfd van mijn voorganger, wijlen patriarch Dimitrios, die 1 september als een dag van gebed voor de bescherming van het milieu vestigde. Milieubescherming is een urgent en belangrijk vraagstuk in alle uithoeken van de wereld. Elke dag horen we over verwoestingen veroorzaakt door orkanen, overstromingen en de klimaatverandering in het algemeen.
 
Ik heb in New Orleans de verwoesting door Katrina aanschouwd. De omvang van deze ramp is onvoorstelbaar. De kerk heeft de plicht om iets te doen. We moeten proberen de mensen de bewust te laten worden, met name jongeren want zij zullen bepalend zijn voor de toekomst van onze planeet. Dit is een onderwerp dat ons allen aangaat: christenen en niet-christenen. De planeet is ons gemeenschappelijk huis. Wist u dat het woord ecologie is afgeleid van het woord oikos, wat in het Grieks ‘thuis’ betekent?”
 

Wat betreft de lopende toetredingsonderhandelingen tussen Turkije en de EU, denkt u dat uw denkbeelden invloed hebben op het proces?

 
“Turkije heeft goede betrekkingen met alle buurlanden, waaronder Griekenland, Bulgarije en Roemenië – drie orthodoxe landen en lidstaten van de EU. Deze betrekkingen zullen helpen in de toetreding van Turkije, maar ook bijdragen tot het welzijn van de naburige volkeren. Deze zullen in plaats van het doden van elkaar en het uitgeven van miljoenen voor defensie in staat zijn om vreedzaam samen te werken en deze middelen te gebruiken voor zaken als openbare werken en onderwijs.
 
Velen beweren dat Turkije een bijna geheel islamitisch land is dat niet thuishoort in Europa. Wij zijn van mening dat het verschil van godsdienst geen belemmering mag zijn. Als Turkije voldoet aan alle criteria die er bestaan voor de kandidaat-lidstaten, kan het worden toegelaten tot de EU, zelfs indien de bevolking moslim is. In het verleden heeft dit ook plaatsgevonden. In Europa is er voor iedereen plaats, zolang we ons kunnen aanpassen en niet in getto’s wonen.”

Europees parlement

Kallistos Ware : Over de dood en de Verrijzenis

•                         

Over de dood en de verrijzenis

(Pour le texte en français : cliquez ici !)

Door Metropoliet Kallistos Ware

 Verrijzenis 5

DE KONINKLIJKE DEUREN OPENEN ZICH !

In de cultus van de russisch Orthodoxe Kerk, blijven de  centrale deuren van de iconostase tijdens de gebeden, die het begin van de Eucharistie voorafgaan, gesloten. Wanneer de Goddelijke Liturgie begint, gaan de deuren open, het heiligdom komt tevoorschijn en de priester zingt  het inleidend zegengebed.

Het is dit essentieel moment dat prins Eugène Troubetskoï (1863-1920), filosoof en russisch religieus, opriep in zijn laatste woorden op zijn sterfbed : ” De koninklijke deuren openen zich ! De grote Liturgie kan beginnen”. Voor hem was de dood geen poort die zich sluit maar een poort die zich opent, geen einde, maar een begin. Naar het voorbeeld van de eerste Christenen heeft hij de dag van zijn dood ervaren als een geboortedag.

Ons menselijk bestaan kan vergeleken worden met een boek. De meeste mensen beschouwen hun leven hier beneden als de  reële tekst, zij zien het toekomstige leven ,althans de voornaamste periodes ervan, – in de mate natuurlijk dat ze geloven in de realiteit ervan – als een  eenvoudig aanhangsel. Een authentieke christelijke houding is juist het tegenovergestelde. Ons huidig leven is in werkelijkheid niets meer dan het voorwoord., de inleiding op het boek ; het toekomstige leven vormt daarentegen de belangrijkste  gebeurtenis. Het moment van de dood vormt niet de conclusie van het boek, maar het begin van het eerste hoofdstuk. In verband met dit eindpunt, dat in werkelijkheid een vertrekpunt is, moet men zich twee dingen voor ogen stellen die zo evident zijn, dat men ze gemakkelijk vergeet. Vooreerst is de dood een onoverkomelijk en zeker feit. Vervolgens is de dood een mysterie. Wii moeten dus de dood beschouwen met tegengestelde gevoelens, met matigheid en realisme enerzijds,en met vrees en verwondering anderzijds.

In dit leven is er slechts één ding waar we zeker kunnen van zijn : wij zullen allen sterven – ten minste, indien  Christus’wederkomst niet daarvóór gebeurt. De dood is het enige feit dat vaststaat, dat onvermijdelijk is, waar de mens moet op rekenen. En indien ik het probeer te vergeten, indien ik mij wil verbergen voor haar onvermijdelijk karakter ervan, dan ben ik al verloren. Het ware humanisme in onscheidbaar van het bewustzijn van de dood. Het is slechts door de realiteit van mijn nakende dood te trotseren en te aanvaarden dat ik waarachtig zal kunnen leven. Zoals D.H.Lawrence het heeft geconstateerd : “Zonder de zang van de dood is de zang van het leven onbeduidend en belachelijk”. Door de dimensie  van de dood beroven  wij het leven van  haar  ware grootheid.

Metropoliet Antoine van Souroge heeft het ook met kracht gezegd :  “De dood is de hoeksteen van onze houding tegenover het leven. Zij die angst hebben voor de dood, hebben ook angst voor het leven. Het is onmogelijk om geen angst te hebben voor het leven met al zijn complexiteiten en al zijn gevaren, indien  men angst heeft voor de dood (….). Indien wij schrik hebben voor de dood, zullen wij nooit klaar zijn om het ultieme risico te nemen, dan zullen wij ons leven laten voorbijgaan op een lafhartige, behoedzame en angstvallige manier. Het is slechts door de dood onder ogen te durven zien, door de plaats te bepalen die haar toekomt en ook onze plaats ten overstaan van haar, dat wij in staat zullen zijn om zonder vrees te leven en tot het uiterste van onze mogelijkheden te gaan” . (1)

Nochtans zou ons realisme en ons besluit om een betekenis te geven aan de dood niet mogen leiden tot een beperking van een tweede waarheid : het mysterieuze karakter van de dood.  Ondanks alles wat de verschillende religieuze tradities ons ook mogen vertellen : wij begrijpen bijna niets van “dit onbekend land waaruit geen enkele reiziger  terugkeert….” . Het is waar  wat Hamlet zegt : dat “de vrees voor de dood de wil in verwarring brengt”. Wij moeten weerstaan aan de bekoring om té ver te gaan zoeken en té veel te gaan zeggen.  Men moet de dood niet banaliseren . Het is een onoverkoombaar en zeker feit, maar ook de grote onbekende.

De Heilige Isaak de Syriêr (VIIe eeuw) drukt heel goed de eenvoudige realistische houding uit die men moet hebben ten overstaan van de dood : “Leg in uw hart, o mens, de gedachte dat je moet vertrekken. Zeg zonder ophouden : Zie, de engel die mij komt zoeken staat aan de poort. Waarom ben ik hier , om te doen alsof er niets aan de hand is  ? Mijn vertrek is voor altijd ; er zal geen terugkeer zijn’. Breng de nacht door met deze gedachte, mediteer hierover tijdens de ganse dag. En wanneer het moment van het vertrek komt, aanvaart het met vreugde, zeggende : ‘Kom in vrede ! Ik wist dat je zou komen en ik heb niet verwaarloosd  om op mijn weg te doen wat mij hiertoe nuttig zou kunnen zijn”  (2).

Over de plaats van de dood in ons leven en ons standpunt hiertegenover, volstaat het om drie dingen goed voor de geest te houden. Vooreerst : de dood is dichter bij ons dan wij het vermoeden. Vervolgens : zij is in geheel niet natuurlijk , zij is totaal tegengesteld aan het goddelijk plan, alhoewel zij toch een gave van God is. Tenslotte : het is een scheiding die geen scheiding is.

 LEVEN – DOOD,  DOOD – LEVEN

De dood is niet eenvoudigweg een ver verwijderde gebeurtenis die onze aards bestaan komt afsluiten, het is een gebeurtenis die reëel tegenwoordig is, die zich als maar verder rondom ons en in ons  voltrekt. “Elke dag zie ik de dood van nabij”, zegt de Apostel Paulus (1 Kor.15,31) ; “Elk ogenblik is de tijd van de dood” ,gaat T.S. Eliot nog verder. Alles wat leeft is een vorm van dood ; wij sterven de ganse tijd. Maar in deze dagelijkse ervaring wordt elke dood gevolgd door een nieuwe geboorte : elke dood is tevens een vorm van leven. Leven en dood staan niet tegenvover elkaar, zij sluiten mekaar niet uit, maar zijn met mekaar verweven. Gans ons menselijk bestaan is een mengeling van dood en verrijzenis. ” Als stervenden, en zie, toch zijn wij in leven” (2 Kor.6,9). Onze reis op deze aarde is een onophoudelijk Pasen, een voortdurende tocht van de dood naar een nieuw leven. Tussen onze aanvankelijke geboorte en onze uiteindelijke dood is gans de loop van ons bestaan samengesteld uit een reeks  “kleine” dood en geboorten.

Telkens wanneer wij gedurende de nacht inslapen, hebben wij een voorsmaak van de dood ; elke keer dat wij de volgende morgen ontwaken is het alsof wij opstaan uit de dood. Een joodse zegenspreuk zegt : “Gezegend zijt Gij o Heer onze God, Koning van het heelal, die elke ochtend uw wereld herschept” . Zo gaat het ook op dezelfde manier met ons : elke morgen als we ontwaken, zijn wij als herschapen. Wellicht zal ook onze ultieme dood op dezelfde wijze een  “herschepping” zijn, een inslapen gevolgd door  een ontwaken.

Wij hebben geen schrik om elke nacht in te slapen, omdat wij weten dat wij terug zullen ontwaken de volgende morgen. Kunnen wij dan ook niet hetzelfde vertrouwen hebben tegenover ons ultieme inslaping bij de dood ? Zouden wij dan niet kunnen rekenen op een ontwaken, herschapen, in de eeuwigheid ?

Dit model van leven-dood vinden wij ook, een beetje verschillend, in het proces van onze groei. In elke etappe moet er iets in ons sterven om naar de volgende etappe in ons leven te gaan. De overgang van zuigeling naar kind, van kind naar de adolescentie, van de adolescentie naar de rijpe volwassenheid, betekent telkens ee innerlijke dood die een voorwaarde is voor de geboorte in iets nieuws. En deze overgangsperiodes, in het bijzonder deze van het kind naar de adolescentie, kunnen een bron van crisis zijn, zelfs zeer pijnlijke. Maar indien wij op een bepaald moment deze noodzaak om te sterven weigeren te aanvaarden, dan kunnen wij ons niet ontwikkelen tot echte personen. Zoals Georges MacDonald het schrijft in zijn roman Lilith, “Je zal dood zijn in de mate dat je zal weigeren te sterven” . Het is juist de dood van het oude, dat het nieuwe mogelijk maakt in ons. Zonder de dood kan er geen nieuw leven zijn.

Indien volwassen worden een vorm van dood zijn is, zo is het ook met betrekking tot het begin, de scheiding van een plaats of een persoon die we hebben liefgehad. Het zijn scheidingen in onze voortdurende groei naar rijpheid. Ten minste moeten wij op een dag de moed hebben om onze vertrouwde omgeving te verlaten, van ons te scheiden van onze actuele vrienden en van nieuwe banden te smeden. Wij zullen nooit kunnen realiseren wat we allemaal in ons hebben, ons daadwerkelijk beschikbaar vermogen. Door té lang te blijven steken in het oude, weigeren wij de uitnodiging te aanvaarden voor het nieuwe. Om de woorden van Cecil Day Lewis te hernemen : ” De differentiatie begint bij een vertrekpunt, en het is in de keuze van het loslaten dat men getuigt van de liefde”.

Een ander soort loslaten die wij op een dag zullen moeten trotseren is bv. de ervaring van het afwijzen, wanneer wij gaan solliciteren voor werk – hoeveel jongeren die pas afgestudeerd zijn van school of universiteit moeten vandaag de dag doorheen deze bijzondere vorm van de dood gaan ! Het afwijzen in de liefde. Er is dan iets wat werkelijk afsterft in ons wanneer wij ontdekken dat onze liefde zonder antwoord blijft en dat iemand anders de voorkeur geniet in onze plaats. En nochtans kan deze dood een bron zijn van nieuw leven. Voor vele jongeren is het mislukken in de liefde juist het begin van de rijpheid, hun inwijding in het volwassen zijn. De droefheid, het verlies van een geliefde, betekent tevens een dood in het hart van diegene die achterblijft. Wij hebben de indruk dat een deel van onszelf er niet meer is, dat wij beroofd zijn van een ledemaat. De droefheid wanneer men ze het hoofd biedt en innerlijk heeft aanvaard, maakt van ons meer authentisch levende mensen dan voordien.

Voor vele gelovigen, is de dood van het geloof – het verlies van onze meest intense zekerheden (minstens de in het oog springende) over God en de betekenis van het bestaan – bijna even traumatiserend als het verlies van een vriend of een echtgenoot. Maar dit is ook een ervaring van dood-leven waar wij moetedoorheen gaan opdat ons geloof zou rijpen. Het authentieke geloof is een permanente dialoog met de twijfel. God overtreft oneindig datgene wat wij over Hem kunnen zeggen; onze geestelijke concepten zijn afgodsbeelden die moeten gebroken worden. Om volkomen levend te zijn, moet ons geloof voortdurend sterven.

In al deze gevallen zien wij dat de dood geen destructief, maar een creatief karakter heeft. Het is door de dood dat de verrijzenis komt. Iets wat sterft is iets wat geboren wordt ten leven. Is de dood die ons bij het einde van ons aardse leven overkomt niet van dezelfde orde ? Is zij niet de uiterste en meest formidabele dood-verrijzenis onder alle andere die wij hebben gekend sedert onze geboorte ? Verre van er totaal van afgesneden te zijn is de dood de meest omvangrijke en de meest volledige uitdrukking van alles wat wij in de loop van ons leven hebben meegemaakt. Indien de kleine vormen van dood waardoor wij moesten passeren ons geleid hebben naar iets wat ons overtreft, naar een verrijzenis, waarom zou dit dan ook niet waar zijn van het grote moment van de dood, wanneer de tijd gekomen is om deze wereld te verlaten ?

Maar het is niet alles. Voor de Christenen haalt dit model van dood – verrijzenis, dat zich  herhaalde malen heeft voorgedaan in ons leven , zijn diepste betekenis in het leven, de dood en de Verrijzenis van onze Redder Jezus Christus. Onze eigen geschiedenis moet begrepen worden in het licht van Zijn geschiedenis die wij elk jaar celebreren gedurende de Heilige Week, maar ook elke zondag in de Eucharistische Liturgie. Al onze kleine vormen van sterven en verrijzen vormen doorheen de geschiedenis een eenheid met Zijn  definitieve Dood en Verrijzenis, onze kleine vormen van Pasen worden opgeheven en herbevestigd in Zijn grote Pasen. De dood van Christus, volgens de liturgie van de Heilige Basilios, is een “scheppende dood van leven”. Zeker van zijn voorbeeld geloven wij dat ook onze dood  “een schepping ten leven” kan zijn. Christus is onze voorloper en aanvang. Zoals ook de orthodoxe Kerk in de homilie toegewezen aan de Heilige johannes Chrysostomos het  bevestigt tijdens de Paasnacht : “Dat niets de dood vreze, want de dood van Christus is ons geopenbaard; Hij heeft ze doen verdwijnen na (…) te hebben ondergaan. Christus is Verrezen, nu heerst het leven. Christus is verrezen, er is geen dood meer  in het graf” (3).

 DE DOOD IS A-NORMAAL

De dood is dus onze gezel tijdens gans ons leven, als een dagelijkse permanente ervaring en herhaald tot in het oneindige. Nochtans, hoe vertrouwd zij ook is, ze blijft altijd een niet-natuurlijk gegeven. De dood maakt geen deel uit van het vooropgestelde plan van God voor Zijn schepping. God heeft ons geschapen, niet opdat wij zouden sterven, maar opdat wij zouden leven. Meer nog, Hij heeft ons geschapen als een ondeelbare eenheid. Vanuit het standpunt van de Joden en de Christenen, moet de menselijke persoon gezien worden in termen van ‘geheel’ (holistisch) zijn : wij zijn geen ziel die tijdelijk gevangen zit in een lichaam en die ernaar verzucht om eruit bevrijd te worden, maar een geïntegreerde totaliteit die lichaam en ziel omvat. Carl Gustav Jung had gelijk toen hij  de nadruk legde op wat hij een ‘mysterieuze waarheid’ noemde : “De geest is het levend lichaam gezien vanuit het innerlijke, en het lichaam is de uiterlijke manifestatie van de levende geest – de twee zijn werkelijk één”. Indien wij als dusdanig een scheiding maken tussen ziel en lichaam, dan is de dood een hevige aanslag op de eenheid van de menselijke natuur.

Indien de dood iets is wat ons allen te wachten staat, dan is zij in het diepste zelf a-normaal. Zij is afschuwelijk en tragisch. Voor de dood van onze naasten en onze eigen dood, wat ons realisme, onze gevoelens van droefheid ook mogen zijn, is onze huivering en zelfs onze verontwaardiging gerechtvaardigd : “Kom niet zacht binnen in die goede nacht. Tiert, ga tekeer tegen het verdwijnen van het licht” zegt de dichter Dylan Thomas. Jezus zelf heeft geweend voor het graf van Zijn vriend Lazarus (Joh.11,35); en in de hof van Gethsemanie, was Hij vervuld van angst voor het dreigende vooruitzicht van zijn eigen dood (Matth.26,38). De Apostel Paulus beschouwd de dood als een ‘vijand die moet vernietigd worden’ (1 Kor.15,26) en hij heeft het nauw verbonden met de zonde : “De prikkel van de dood is de zonde” (1 Kor.15,56). Het is omdat wij allen leven in een verscheurde wereld – in een wereld met een verstoord evenwicht, waar onenigheid heerst, een gekke wereld, een afgestompte wereld – dat wij zullen sterven.

Nochtans, zelfs al is de dood een tragisch gebeuren, zij is ook en tezelfdertijd een zegen. Alhoewel zij geen deel uitmaakt van Gods plan met de mensheid, is zij toch een gave van God, een uitdrukking van Zijn barmhartigheid en Zijn medelijden. Voor ons mensen die in deze verscheurde wereld leven, gevangenen voor altijd in de vicieuze cirkel van de vijand en de zonde, is dit een vreselijke en ondraaglijk noodlot. Daarom heeft God ons een uitweg aangeboden. Hij heeft de eenheid van ziel en lichaam gebroken, om hen dan opnieuw te kunnen herscheppen en te verenigen op de laatste dag, als de lichamen zullen verrijzen, en hen mee te voeren naar de volheid van het leven. Hij is als de pottenbakker die door de profeet Jeremias wordt geobserveerd : “Ik daalde af bij de pottenbakker, maar de pot die de pottenbakker uit leem wilde maken, mislukte onder zijn hand; toen begon de pottenbakker opnieuw, en maakte er een andere pot van, juist als hij wilde” (Jeremias 18,4-5). De goddelijke pottenbakker legt zijn hand op de pot van onze nederigheid, beschadigd door de zonde, en Hij breekt hem om hem op zijn beurt te kunnen opnieuw maken en hem zijn oorspronkelijke schoonheid terug te geven. De dood, in deze betekenis is ook het instrument van ons herstel. Zoals de orthodoxe Kerk het zingt op haar begrafenisdienst : ” Eertijds hebt Gij me gehaald uit het niets om mij gelijkvormig te maken aan het beeld van God, maar ik heb uw wet geschonden en Gij hebt mij overgeleverd aan de aarde waaruit ik genomen was, laat mij nu terugkeren naar uw gelijkenis en herstel mijn eerste schoonheid” (4). In het epitaaf (grafschrift) welke hij voor zichzelf had samengesteld, schrijft Benjamin Franklin : ” Hier ligt het lichaam van Benjamin Franklin, drukker, als  een kaft van een oud boek, zijn inhoud is opgebruikt en verstoken van zijn letters en zijn goud. : ze voeden  de verzen ! Het werk zal echter niet verloren gaan, want zoals hij het geloofde, zal het opnieuw verschijnen in een nieuwe en veel mooiere editie, verbeterd en gewijzigd door zijn Auteur !”

Er is dus een dialectiek in onze verhouding tot de dood : maar de twee benaderingen zullen uiteindelijk niet tegenstrijdig zijn. Wij zien de dood als niet natuurlijk, a-normaal, tegengesteld aan het plan van de Schepper, maar we revolteren er niet tegen met droefheid en wanhoop. Wij beschouwen het ook als een deel van de goddelijke wil, een zegen en niet als een straf. Ze is ook een uitweg uit onze impasse, een middel van de genade, als de deur naar onze her-schepping. Het is onze terugweg. Om opnieuw de orthodoxe begrafenisdienst te citeren : ” Ik ben het verloren schaap : roep mij terug, o mijn Heiland, en red mij”. Wij naderen dus tot de dood met bereidwilligheid en hoop, met de Heilige Fransiscus van Assisië zeggend : “dat onze Heer zij geloofd voor onze zuster, de  lichamelijke dood” ; want doorheen deze lichamelijke dood, roept de Heer het kind van God tot zich terug. Over de grenzen van hun scheiding door de dood, zullen ziel en lichaam herenigd worden op de laatste dag. Deze dialectiek verschijnt duidelijk gedurende de orthodoxe begrafenis.  Niets wordt er gedaan om de droevige en schokkende realiteit van de dood te verduisteren. De kist blijft open, en het is dikwijls een pijnlijk moment wanneer familie en vrienden de één na de andere naderen om de overledene de laatste kus te geven. Nochtans is het tezelfdertijd, en dit op verschillende plaatsen het gebruik om geen zwarte klederen te dragen, maar witte dezelfde die men draagt voor de dienst van de Verrijzenis gedurende de paasnacht : want Christus, verrezen uit de doden, roept de overleden christenen op om Zijn eigen Verrijzenis te delen.  Het is niet verboden om te wenen tijdens een begrafenis; het is zelfs veeleer goed, want de tranen kunnen het effect hebben van een zalf en de wonde  is nog veel dieper wanneer de pijn wordt verdrongen. Maar we moeten niet diepbedroefd zijn “zoals de anderen die geen hoop hebben” (1 Thess.4,13). Onze droefheid, hoe hartverscheurend zij ook moge zijn, is geen wanhoop, want, zoals wij het belijden in de Geloofsbelijdenis : wij verwachten “de verrijzenis uit de doden en het leven van het komend rijk”.

COMMUNIO IN CHRISTUS

Ten slotte is de dood een scheiding die geen scheiding is. De orthodoxe traditie hecht het grootste belang aan dit punt. Levenden en doden behoren tot één enkele familie. De afgrond van de dood is niet onoverkomelijk want we kunnen elkaar terug ontmoeten rond het altaar van God. De Russische schrijver Iulia de Beausobre (1893 – 1977) zegt : “De Kerk (…) is het punt waar de doden, de levenden en hen die nog moeten geboren worden mekaar ontmoeten, in wederzijdse liefde zich verenigend rond de rots van het altaar om hun liefde voor God te verkondigen” (5). Het is dit, wat ook een andere Russische auteur, de priester Macaire Gloukharev (1792 – 1847), zegt in een brief aan een gelovige in rouw :  “In Christus leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Levenden en doden : wij zijn allen in Hem. Het zou juister zijn om te zeggen : wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood. Onze God is geen God van doden, maar een God van levenden. Het is uw God, het is de God van de overledene. Er is slechts één God, en gij zijt verenigd in de Enige. Je kan alleen mekaar voor enige tijd niet zien, opdat de toekomstige ontmoeting vreugdevoller zou zijn. Dan zal niemand u deze vreugde kunnen ontnemen. Maar zelfs nu leef je samen; zij is alleen maar naar een andere kamer gegaan en heeft er de deur gesloten… De spirituele liefde kent geen zichtbare scheiding” (6).

Hoe kan men deze permanente communio handhaven ? Er is vooreerst een valse weg die sommigen aantrekkelijk vinden, maar die de orthodoxe traditie absoluut verwerpt. Neen, de communio tussen levenden en doden heeft niets te maken met de relevante praktijken van het spiritisme of magie. In een authentiek christendom is er geen plaats voor technieken die zich richten op het communiceren met doden, zoals het beroep doen op mediums bv. In feite zijn deze technieken zeer gevaarlijk. Diegenen die deze technieken opzoeken stellen zich dikwijls bloot aan demonische krachten. Het spiritisme is ook een uitdrukking van ongegronde nieuwsgierigheid, van het soort zoals iemand die probeert door het sleutelgat te kijken van een gesloten deur. Zoals Vader Alexander Eltchaninoff (1881 – 1934) : “Wij moeten nederig het bestaan van het Mysterie erkennen, en niet pogen om via een diensttrap naar omhoog gaan om aan de deuren te luisteren” (7)

Na datgene wat we tot hiertoe gezegd hebben, en de levens van de heiligen leren het ons, zijn er zeker gevallen waar doden rechtstreeks met mekaar in contact treden, of het nu in een droom is of doorheen visioenen. Maar we moeten van onze kant, niet proberen deze contacten te forceren.

Elk kunstmatig middel die er op gericht is om de doden te manipuleren is in strijd met het christelijk geweten. De communio die ons met de doden verenigt situeert zich niet op het psychisch niveau, maar op het spirituele, en de plaats waar wij met mekaar in contact treden is geen salon, maar de eucharistische tafel. Het enig geldig fundament van onze communio met de doden is de communio in het gebed, vooral in de celebratie van de Goddelijke Liturgie. Wij bidden voor hen, en terzelfdertijd zijn wij er zeker van dat ook zij voor ons bidden; en het is door deze wederzijdse voorbede dat wij verenigd worden over de grenzen van de dood heen, in een band van intense  en eeuwigdurende eenheid.

Bidden voor de doden is voor een orthodox christen niet zomaar een bijzaak, een optie ; het is daarentegen een aanvaard en onveranderlijk element van onze dagelijkse cultus. De gebeden die wij zeggen  zijn veelvuldig : “Vat van wijsheid die de mensen bemint en alles leidt in het licht van  het heil. Enige Schepper van wie allen ontvangen die tot  U bidden. Schenk Uw rust o Heer aan de zielen van Uw dienaars, want hun hoop is op U gericht, onze Auteur, onze Schepper en onze God”, en ook nog “Laat rusten onder Uw heiligen, de zielen van Uw dienaars, in een plaats waar geen smart, droefheid en geweegklaag is, maar waar het eeuwige leven is”, en nog : ” Schenk o Heer aan Uw dienaars de rust en plaatst hen in  het Paradijs,daar waar de koren der rechtvaardigen en heiligen schitteren als de sterren; geef hen, Heer, de rust en vergeef hen al hun zonden”.

Onder deze gebeden zijn er met een sombere ondertoon; zij roepen de mogelijkheid op van een eeuwige scheiding met God : “Van het vuur dat niet uitdooft, van de duisternissen zonder licht, van het knarsen der tanden, van de wormen die voortdurend knagen en van elke diepste smart, red onze overleden gelovigen”.

Deze voorbeden voor de doden hebben geen onverbiddelijke limieten. Voor wie bidden wij ? Stricto senso, in de publieke liturgische celebraties staan de orthodoxe regels de nominatieve gebeden niet toe, tenzij voor hen die gestorven zijn in de zichtbare communio met de Kerk. Maar er zijn gevallen waarbij onze gebeden veel langer zijn. Gedurende de vespers van Pinksterenzondag, worden zelfs gebeden gedaan voor hen die in de hel zijn : “Gij die op dit uitzonderlijk volmaakt en zaligmakend feest u gewaardigd hebt onze voorbeden te aanvaarden voor hen die in de hel zijn, en die ons in hoge mate de hoop gegeven hebt dat Gij de overledenen zult verlossen uit hun droefenis die hen verplettert, en geef hen hun verlichting…”(8).

Wat is de leerstellige basis van dit constante gebed voor de doden ? Hoe is het te verrechtvaardigen vanuit theologisch standpunt ? Het antwoord op deze vragen is buiengewoon eenvoudig en direct. De basis is onze solidariteit in de wederzijdse liefde. Wij bidden voor de doden omdat wij hen beminnen. De anglicaanse Aartsbisschop William Temple noemt dergelijke gebeden “het ministerie van de liefde”; en hij bevestigt het met de woorden welke elke orthodoxe christen tot de zijne zou willen maken : “Wij bidden niet voor hen omdat God hen zou verwaarlozen als we het niet doen. Wij bidden voor hen omdat wij weten dat Hij hen bemint en er zorg voor draagt, en wij vragen het voorrecht om onze liefde voor hen met die van God te verenigen”. En zoals Pusey het zegt : ” Weigeren om voor de doden te bidden is een zo koude gedachte, zo tegenstrijdig met de liefde, dat om deze enkele reden alleen al zij niet juist kan zijn .

Vanaf dat moment is geen enkele uitleg of rechtvaardiging van het gebed voor de overledenen nodig of zelfs mogelijk. En dergelijk gebed is eenvoudigweg de spontane uitdrukking van onze liefde voor elkaar. Hier op aarde bidden wij voor de anderen, waarom dan ook niet verder bidden  voor hen na hun dood ? Hebben zij opgehouden te bestaan      en zouden wij daarom moeten ophouden om voor hen te bidden ? Levenden of doden, wij zijn allen leden van eenzelfde familie. Zo moeten levenden en doden tussenbeide komen de een voor de ander. In de Verrezen Christus is er geen scheiding tussen doden en levenden; zoals Vader Macarius Gloukharev het zegt : “Wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood”. De fysische dood kan de banden niet uiteen halen van de liefde en van het wederzijds gebed die ons allen verenigt in één  en hetzelfde Lichaam.

Zeker, wij begrijpen niet juist hoe een dergelijk gebed in het voordeel is van de overledenen. Zo ook, wanneer wij bidden voor de levenden, kunnen wij niet uitleggen hoe deze voorbede hen kan helpen. Wij weten uit onze eigen ervaring, dat onze bede voor onze naaste  werkt, en daarom doen we het verder. Echter, of zij zijn gericht op levenden of doden, deze gebeden werken op een manier die mysterievol blijft. Wij zijn onbekwaam om binnen te dringen in de juiste interactie van het gebed, in de vrije wil van een andere persoon, in de genade en de voorkennis van God. Wanneer wij bidden voor de overledenen, volstaat het te weten dat hun liefde blijft groeien en dat zij zo behoefte hebben aan onze steun. Laten wij de rest aan God over.

Indien wij daadwerkelijk geloven dat wij voordeel hebben van een ononderbroken  en blijvende communio met de doden, zullen wij de zorg moeten hebben om, in de mate van het mogelijke, over hen te praten, nu en niet in het verleden. Wij zullen niet zeggen “wij hebben elkaar lief gehad”, “wij waren zo gelukkig samen”, maar we zullen zeggen “wij houden nog van elkaar – nu méér dan ervoor”, “zij is mij dierbaarder dan ooit”, “wij zijn zo gelukkig samen”. Ik ken een Russische dame, lid van de gemeenschap van Oxford, die hardnekkig weigert dat men haar ‘weduwe’ noemt. Haar man is echter reeds jaren overleden, toch kan ze niet ophouden om te zeggen :”Ik ben zijn echtgenote, niet zijn weduwe”. Zij heeft gelijk.

Als we leren om over de doden zo te spreken, in het heden en niet in het verleden, zal dit ons helpen om een probleem op te lossen dat dikwijls bron is van angst voor vele mensen. Het komt te gemakkelijk voor dat men een verzoening met iemand waarvan we verwijderd zijn tot later uistelt . En dan komt de dood, voordat men zich met mekaar heeft verzoend. In een bitter zelfverwijt zijn we dan geneigd om te zeggen : “te laat, te laat, de mogelijkheid is voor altijd verdwenen, er kan niets meer gedaan worden”. Maar wij vergissen ons geheel, want het is niet te laat. En op dat moment kunnen wij naar huis terugkeren, en in ons avondgebed kunnen wij ons rechtstreeks tot de gestorven vriend wenden met wie we ruzie hadden. Wij kunnen dezelfde woorden gebruiken als toen hij nog levend en aanwezig was, en wij kunnen zijn vergeving vragen en onze liefde herbevestigen. Vanaf dat ogenblik zal onze wederzijdse relatie veranderd zijn. Zonder zijn gezicht te zien, noch zijn antwoord te horen, zonder te weten hoe onze woorden hem zullen bereiken, voelen wij in ons hart dat hij en ik een nieuwe aanvang hebben gemaakt. Het is nooit te laat om te herbeginnen.

DE VERRIJZENIS VAN HET LICHAAM

Blijft nog de vraag die zo dikwijls gesteld wordt en onmogelijk te beantwoorden is met onze kennis : de verrijzenis van het lichaam.Wij hebben gezegd dat de menselijke persoon in het begin door God geschapen werd als een ondeelbar eenheid van lichaam en ziel, en dat wij over de grenzen van de scheiding door de fysische dood, de ultieme hereniging van lichaam en ziel verwachten op de laatste dag. Een hollistische anthropologie (= een anthropologie die de gehele mens bestudeert nvdv) zet ons aan, om niet alleen in de onsterfelijkheid van de ziel te geloven, maar in de verrijzenis van het lichaam. Het lichaam maakt immers een integraal deel uit van de ganse menselijke persoon, gans onsterfelijk moet ook lichaam én ziel inhouden. Wat is in dit geval de relatie tussen ons actueel lichaam en onze verrijzenis in de komende tijd ? Hebben wij in deze verrijzenis hetzelfde lichaam als nu of een nieuw lichaam ?

Het beste antwoord is wellicht het volgende :  het lichaam zal terzelfdertijd het zelfde zijn en een ander. Christenen  verstaan de verrijzenis van het lichaam nogal dikwijls op een  simplistische en kortzichtige manier. Zij stellen zich voor dat de essentiële materiële elementen van het lichaam, die opgelost en verspreid zijn door de dood, op één of andere manier terug bijeengebracht zullen worden op de dag van het oordeel, zodat het opnieuw samengesteld lichaam exact dezelfde minuscule delen van materie zal hebben als ervoor.

Maar zij die een continuïteit bevestigen tussen ons actuele lichaam en ons lichaam op de laatste dag, hebben niet noodzakelijk zo een letterlijke visie over de dingen.De Heilige Gregorios van Nyssa bijvoorbeeld, in “De schepping van de mens” en “de Ziel en de verrijzenis”, geeft ons een meer overwogen en verbeeldingrijke voorstelling. De ziel schenkt aan het lichaam een duidelijk verschillende vorm (eidos); zij markeert het lichaam met een merkteken of iets dat karakteristiek is, en  niet van buitenaf is opgelegd , maar vanuit het innerlijk. Het is dit merkteken dat het lichaam het karakter of de innerlijke geestelijke staat van de persoon uitdrukt. In de loop van ons leven hier op aarde zullen de fysische componenten verschillende malen van vorm veranderen, maar in zoverre de vorm die door de ziel wordt uitgedrukt, een continuïteit bezit die niet door deze lichamelijke veranderingen onderhevig is, kan men zeggen dat ons lichaam hetzelfde blijft. Er is een oorspronkelijke lichamelijke voortzetting, omdat er een voortzetting (continuïteit) is in de vorm gegeven door de ziel. Zoals C.S. Lewis het zegt : “Mijn vorm blijft één, alhoewel de materie waarvan ze gemaakt is voortdurend verandert. Ik ben in dit opzicht als de kromming van een waterval”.

Tijdens de ultieme verrijzenis, vervolgt de Heilige Gregorios, zal de ziel ons verrezen lichaam tekenen met hetzelfde merkteken die het had gedurende dit leven. Het is niet nodig dat dezelfde fragmenten bijeengebracht worden; hetzelfde merkteken volstaat opdat het lichaam hetzelfde zou zijn. Tussen ons huidig lichaam en ons verrezen lichaam zal er dus een waarachtige continuïteit zijn, die men nochtans niet moet interpreteren op een té naïeve materialistische manier.

Daaruit volgt : indien het lichaam in deze betekenis hetzelfde blijft in de verrijzenis, zal het evenzeer verschillend zijn. Zoals de Apostel Paulus het zegt ; “Een ziele-lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst !”(1 Kor.15,44). “Geestelijk” mag hier niet geïnterpreteerd worden in de betekenis van “niet materieel”. Het verrezen lichaam zal altijd een materieel lichaam zijn, maar tezelfdertijd zal het getransformeerd worden door de macht en de glorie van de Geest. Zo zal het bevrijd worden van alle beperkingen van de stoffelijkheid zoals we dit nu kennen .

Voorlopig kennen wij de materiële wereld en onze eigen materiële lichamen slechts in het toestand van val, de kenmerken begrijpen die de materie zal bezitten in een niet gevallen wereld gaat ons verbeeldingsvermogen ver te boven.

Wij kunnen slechts in beperkte mate raden naar de transparantie en de vitaliteit, de lichtheid en de gevoeligheid waarmee ons verrezen lichaam, tegelijk materieel en spiritueel, zal worden bekleed op het einde der tijden. Zoals de heilige Efrem de Syriër (+373) het schrijft : “Kijk naar dit individu waarin een leger demonen hun woonplaats heeft gezocht : men wist niet dat ze zich daar bevonden omdat hun leger zich veel fijner en subtiler voordeed dan de ziel. In één lichaam, en volledig, heeft dit leger kunnen verblijven. Maar de lichamen  der rechtvaardigen, die opstaan op de dag der verrijzenis zijn honderd maal fijner en eveneens subtiler . Ze gelijken op een geest die in staat zal zijn te groeien naar eigen wens, samen te krimpen en klein te worden. Als iets kleins, is hij op één plaats, groot geworden, is hij overal… Maar inwelke mate zal dit paradijs nog volstaan voor al deze geesten, waarvan de substantie zo subtiel is dat zelfs de gedachten het niet kunnen vatten.(9) Dit is misschien wel de beste beschrijving die wij zouden kunnen bedenken over de glorie van de verrijzenis. Laten wij de rest over aan de stilte. “Datgene wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard” (1 Joh.3,2). Twee weken voor zijn dood vroeg men aan Ralph Vaughan Williams wat het toekomstige leven voor hem betekende. Hij antwoordde : “Muziek, muziek. Maar in de komende wereld, zal ik geen muziek maken, met alle moeilijkheden en wisselvalligheden dat dit tot gevolg heeft. Ik zal muziek zijn” “Je bent muziek zolang de muziek duurt”, schrijft T.S.Elioth. En in de hemel is de muziek eeuwig.

NOTAS

1. Sobernost, « On Death », 1-2,1979,p.8

2. Oeuvres spirituelles, » 34e discours » , Desclée de Brouwer, 1981, p. 215 (texte modifié sur la base de la traduction anglaise effectuée directement à partir du syriaque par le Monastère de la Sainte Transfiguration, Boston, Massachusetts, 1984, p. 315).
3. Pentecostaire, t.1, Grieks College van Rome, 1978, pp. 21-22.
4. Grand Euchologe et Arkhiératikon, Diaconie apostolique, 1992, p. 212.
5. Creative Suffering, Londres, 1940, p. 44.
6. 5. Tyszkiewicz et Dom Th. Belpaire, Écrits d’ascètes russes, Éditions du Soleil Levant, 1957, p. 104.
7. Ecrits spirituels, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 29), 1979, p. 42.
8. Pentecostaire, t.2, Grieks College van Rome, 1978, pp. 249-50.
9. » La Harpe de l’Esprit » , in Sebastian Brock, L’Oeil de Lumière, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 50), pp. 222-223.

Extrait du livre Le royaume intérieur, Cerf/Le Sel de la Terre, 1993.
Traduit de l’anglais par Lucie et Maxime Egger.

Vertaling nederlands : Kris Biesbroeck

kruisoosters

 

De Barmhartige Samaritaan

22e zondag na Pinksteren – 8e zondag na de Kruisverheffing

 

 Barmhartige%20Samaritaan

GALATEN 6,11-18

 

11 U ziet het aan de grote letters: ik schrijf u nu eigenhandig. 12 Degenen die er zo op aandringen dat u zich laat besnijden, willen alleen een goede indruk maken en voorkomen dat ze worden vervolgd omwille van het kruis van Christus. 13 Ze zijn voor de besnijdenis maar leven zelf niet volgens de wet; ze willen dat u zich laat besnijden om zich daarop te kunnen laten voorstaan. 14 Maar ik – ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus Christus, onze Heer, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld. 15 Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men een nieuwe schepping is. 16 Laat er vrede en barmhartigheid zijn voor allen die bij deze maatstaf blijven, en voor het Israël van God. 17 En laat voortaan niemand mij meer tegenwerken, want ik draag de littekens van Jezus in mijn lichaam.

18 Broeders en zusters, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen.

 

LUCAS 10,25-37

Het enig noodzakelijke

25 Er kwam een wetgeleerde die hem op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 26 Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’ 27 De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’ 28 ‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’ 29 Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’ 30 Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. 31 Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. 32 Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. 33 Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. 34 Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. 35 De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” 36 Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’ 37 De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’ Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’

 

 

 Christus redder 5

 Christus redder

 Banner458

 

 

Bezinning van de week : Nada te turbe…

 

BEZINNING VAN DE WEEK

Als bezinning voor deze week heb ik gekozen voor dit wondermooie filmpje

met de diepe tekst van de Heilige Theresa van Avila.

Ga rustig zitten, en laat de tekst in u doordringen !!!

 

Niets mag u  verontrusten,

 niets mag u beangstigen.

Wie God heeft, hem ontbreekt er niets

ALLEEN GOD VOLSTAAT

Alles gaat voorbij…

ALLEEN GOD VERANDERT NOOIT

(Theresa van Avila)

 

 

De Heilige Vaders volgend…. 5Florofsky)

„De heilige Vaders volgend “:

Vader Georges Florovsky en de Patristieke Traditie

De Heilige Vaders volgend…. Het was gebruikelijk in de Oude Kerk om leerstellige verklaringen in te leiden met uitdrukkingen als deze. Het decreet van Chalcedon begint precies met deze woorden. Het zevende Oecumenisch concilie begint haar beslissingen betreffende de Heilige Iconen zelfs op een explicietere en gedetailleerde vorm : ‘na het Goddelijk geïnspireerd onderricht van onze Heilige Vaders en de Traditie van de Katholieke Kerk (Denzinger 302).

Het was duidelijk méér dan enkel een beroep doen op de ‘oudheid’. De kerk beklemtoont namelijk altijd de identiteit van haar geloof voor allen. Deze identiteit en vereenzelviging met de Apostolische tijd is juist de opvallenste symboliek en teken van rechtzinnig geloof. Zoals de beroemde zin van Vincent van Lerins het zegt : ‘de Katholieke Kerk moet er zelf voor zorgen dat het het geloof van allen is, en dat het door allen geloofd moet worden (in ipsa item catholica ecclesia magnopere curandum est ut id teneamus quod ubique, quod semper, quod ab omnibus  creditum est)'(Commonitorium c. 2-3). Nochtans is de ‘oudheid’ op zich geen adequaat bewijs van het ware geloof. De archaïsche formules kunnen volkomen misleidend zijn.Vincent van Lerins was zich daar wel van bewust . Oude  gewoontes op zich garanderen nog niet de waarheid. Zoals de Heilige Cyprianus het zei : ‘Een verleden zonder waarheid, is een grote vergissing’ (Antiquitas sine veritate vetustas erroris est).

De ware traditie, volgens de Heilige Ireneüs  is slechts een traditie van ‘waarheid’ (traditio veritatis). En deze ‘ware traditie’ (true tradition) wordt slechts gewaarborgd door een vaststaand charisma van waarheid (charisma veritatis certum) door datgene dat vanaf het begin in de Kerk is bewaard in een ononderbroken successie van het Apostolisch ambt door de bisschoppen  : ‘Wie de apostolische successie  aanneemt moet de genade van de waarheid zeker ontvangen’ (qui cum episcopatus successione charisma veritatis certum acceperunt)

Aldus is de ‘traditie’ in de Kerk niet slechts een continuïteit van het menselijk geheugen, van riten en gewoontes. De traditie is daarentegen de continuïteit van Gods hulp, de voortdurende werking van de Heilige Geest. De Kerk is niet gebonden door de ‘tekst’, de ‘brief’ op zich, zij wordt constant bewogen door de ‘Geest’. Dezelfde Geest, de geest der Waarheid, die gesproken heeft door de profeten, die de Apostelen begeleidde, die de Evangelisten verlichtte, en die nog werkzaam is in de Kerk en haar in het volle begrip van de goddelijke waarheid leidt, van glorie tot glorie.

De heilige Vaders volgend… Dit is geen verwijzing naar een abstracte traditie, naar formules en voorstellen. Het is vooral een beroep doen op personen, op heilige getuigen.  Het getuigenis van de Vaders behoort wezenlijk en intrinsiek, tot de eigenlijke structuur van het orthodox geloof. De Kerk is evenzeer gebonden aan het kerygma ( heilsboodschap, verkondiging) van de Apostelen als aan de dogma’s van de Vaders. Allebei horen wezenlijk samen. De kerk is inderdaad ‘Apostolisch’, maar ze is ook ‘Patristisch’. En het is slechts door het ‘Patristisch’ zijn dat de Kerk onophoudelijk ‘Apostolisch’ is. De vaders leggen getuigenis af van de Apostoliciteit van de traditie. Er zijn twee stadia te herkennen die aan de basis liggen van het Christelijk geloof. Ons eenvoudig geloof moest structuur verwerven.Er was een innerlijke drang daartoe, een noodzaak in de overgang van Kerygma naar dogma. Inderdaad, de dogma’s van de Vaders zijn essentieel hetzelfde ‘eenvoudige’ kerygma die ons eens overgeleverd is en waarvan de apostelen getuigenis hebben afgelegd, eens en voor altijd. Maar nu is het kerygma-behoorlijk uitgesproken en ontwikkeld in een samenhangend geheel van onderling samenhangende getuigenissen. De apostolische prediking word niet alleen bewaard in de Kerk : ze leeft in de Kerk . In deze zin dat de leer van de kerkvaders een permanente deel is van het Christelijk geloof, een constante maatstaf of beslissend kenmerk  van het oude geloof, een ‘testis antiquitatis'(= getuigenis van het oude’), maar bovenal en vooreerst, een getuigenis van het oude geloof, ‘testis veritatis'(=getuigenis van de waarheid’). Bijgevolg is ons eigentijds beroep op de Vaders veel meer dan een historische verwijzing  naar het verleden. De opinie van de Vaders is een intrinsieke omschrijving  van de orthodoxe theologie, niet in mindere mate als de Heilige Schrift. Het kan er nooit van gescheiden worden. De Vaders zelf waren altijd dienaars van het Woord, en hun theologie was wezenlijk exegetisch. Dus, zoals het recent nog werd gezegd, ‘de Katholieke Kerk van alle tijden is niet enkel een kind van de Kerk der Vaders, maar ze is en blijft de Kerk van de Vaders(6).

Het belangrijkste onderscheid van de Patristieke theologie was haar ‘existentieel’ karakter. De Vaders theologiseerden, zoals de Heilige Gregorius van Nazianze het zei, ‘ op de wijze van de Apostelen, en niet op de wijze van Aristoteles’ (alieutikos ouk aristotelikos (Hom. 23,12). Hun theologie was altijd een ‘kerygmatische theologie’, zelfs wanneer het logischerwijze opgesteld en bekrachtigd werd met intellectuele argumenten. De uiteindelijke referentie was nog altijd het geloof, het spirituele bevattingsvermogen. Het volstaat in dit verband de namen te vermelden van de heilige Athanasios, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Maximos de belijder. Hun theologie was een getuigenis. Los van het leven in Christus  heeft de theologie niets te getuigen. Indien de theologie los staat van een leven in geloof, zal ze al vlug degenereren tot inhoudloze redeneringen., een nutteloze ‘polylogia'(woordkramerij), zonder geestelijke gevolgen. De Patristieke theologie was geworteld in een daadwerkelijk geloofsgetuigenis. Het was geen zelf-verhelderende ‘discipline’ die met argumenten kon worden verduidelijkt zoals bij Aristoteles, zonder een voorafgaand spiritueel engagement. Deze theologie kon enkel worden ‘gepredikt’, of ‘verkondigd’ en niet eenvoudigweg ‘gedacht’ worden op een schoolse manier. Het werd gepredikt van op de preekstoel, verkondigd in het gebed en de heilige riten en kreeg haar daadwerkelijke gestalte in de gehele structuur van het Christelijk leven. Zo een theologie kan nooit worden gescheiden van het gebedsleven en van de praktijk van de deugd. ‘Het hoogtepunt van de zuiverheid. ‘Het hoogtepunt van zuiverheid is het begin van de theologie’ zegt de Heilige Johannes Klimakos (Scala Paradisi, grade 30). Anderzijds is theologie altijd, zo was het ook vroeger, niet meer dan ‘propaideutic’ (= een aanzet tot..), want haar uiteidelijke doel en bedoeling is en was  getuigenis te brengen van het Mysterie van de levende God in woord en daad. Theologie is geen doel op zichzelf, het is ‘maar’ een weg. Theologie geeft ons niet meer dan een ‘intellectuele contourvorm’ van het overgeleverde geloof, een ‘noetisch’ (= verstandelijk) getuigenis ervan. Alleen in een act van geloof wordt deze intellectuele contour gevuld met een levende inhoud. Maar toch is deze intellectuele contour onontbeerlijk. Christologische formules zijn actueel alleen maar van betekenis voor de gelovige, voor hen die de levende Christus hebben ontmoet, en Hem hebben aanvaard als God en Redder, voor hen die echt geloven in Hem, in Zijn Lichaam de Kerk. In deze betekenis is de theologie nooit een zelf – verhelderende discipline. Ze roept voortdurend op tot een geloofsvisie. ‘Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verko
ndigen wij u’. Los van deze ‘verkondiging’ zijn theologische formules zonder gevolg. Om deze redenen mogen formules nooit uit hun spirituele context genomen worden. Het is volslagen misleidend om bepaalde voorstellen, dogmatische of doctrinele, los van elkaar te beschouwen en ze te onttrekken uit het totale perspectief waarin ze alleen zinvol en gegrond zijn. Het is een gevaarlijke gewoonte zich te bedienen van ‘citaten’ van de Vaders en zelfs van de Schrift,en ze buiten de totale structuur van het geloof te behandelen, in dewelke ze waarachtig  levend zijn. ‘De Vaders’ volgen betekent niet slechts dat men hun zinnen citeert. Het betekent : hun mening verwerven, hun ‘phronema’ ( Grieks woord, in de orthodoxe theologie heeft het de betekenis van denkrichting, mening, opvatting). De orthodoxie maakt er aanspraak op om deze mening bewaard te hebben en ze te hebben getheologiseerd ‘ad mentem Patrum’ (in de geest van de Vaders). Op dit punt kan een belangrijke twijfel worden opgeworpen. De naam ‘Kerkvaders’ is normaal gesproken beperkt tot de leraren van de  Oude Kerk. En men veronderstelt momenteel dat hun gezag, indien erkend bij allen, zou afhangen van hun ‘ouderdom’, dit wil zeggen, van hun vergelijkende chronologische nabijheid van de ‘Primitieve Kerk’, tot het begin van het Apostolisch tijdperk van de Christelijke geschiedenis. Welnu, reeds de Heilige Jeronimos zelf voelde zich verplicht om dit geschil te betwisten : de Geest ademt inderdaad in alle tijden. Inderdaad, er was geen vermindering van ‘gezag’, en geen vermindering van de noodzaak van de geestelijke kennis in de loop van de Kerkgeschiedenis, natuurlijk altijd onder de controle van de eerste getuigen en de openbaring. Jammer genoeg is de tendens tot ‘vermindering’, als het tenminste niet gaat om een flagrant ‘verval’, vandaag één van de gebruikelijke  ontwerpen van historisch denken geworden. Het wordt algemeen,  bewust of onbewust, verondersteld, dat de vroege kerk , zoals ze was, dichter bij de bron van het geloof stond. In de rangorde van de tijd is het natuurlijk waar. Maar betekent dit ook dat de vroege Kerk eigenlijk het mysterie van de openbaring kende en begreep, of om het anders te zeggen ‘beter’ en ‘vollediger’ dan alle volgende tijden, zodat niets dan een ‘herhaling’ is overgebleven voor de komende tijden? Als een toegeving aan onze eigen ontoereikendheid en mislukking, als handeling van bescheiden zelf-kritiek kan een ophemeling van het verleden eervol en gezond zijn. Maar het is gevaarlijk om van hieruit het beginpunt van onze theologie van de Kerkgeschiedenis te maken of zelfs van onze theologie van de Kerk. Het wordt algemeen aanvaard dat ‘het tijdperk van de Kerkvaders’ is beëindigd, en dienovereenkomstig als een ‘oude vorming’ moet worden beschouwd, archaïsch en verouderd. De grens van de ‘Patristische tijd’ wordt verschillend gedefinieerd. Het is gebruikelijk om de Heilige Johannes van damascus als de ‘laatste Vader’ in het Oosten en de Heilige Gregorius de Grote of Isidorus van Sevilla als de laatste westerse Kerkvader te beschouwen. Deze keuze is meer dan eens betwist. Bijvoorbeeld, kan de Heilige Theodoor de Studiet niet gerekend worden onder de Vaders? In het westen suggereerde reeds Mabillon dat Bernardus  van Clairvaux, de doctor melifluus (honingvloeiende doctor) ‘de laatste van de Vaders was en zeker niet ongelijk met de vroegere’ (7). Anderzijds kan niet betwist worden dat de ‘tijd van de Vaders’ veel vroeger tot haar einde is gekomen dan zelfs de Heilige Johannes van Damascus. Het is gemakkelijk genoeg om zich de formule in herinnering te brengen van de ‘Consensus quinquesaecularis’,(nl. die de traditie, als een levende en gezaghebbende macht van de Kerk beperkt tot de overlevering van de eerste vijf eeuwen) die de ‘gezaghebbende’ periode van de Kerkgeschiedenis tot het Concilie van Chalcedon beperkte. Het was namelijk een protestantse formule. Maar de meer gebruikelijke Oosterse formule van de ‘zeven Oecumenische Concilies’ is echter niet veel beter, wanneer het ertoe neigt, zoals het gewoonlijk doet, het geestelijk gezag van de Kerk te beperken tot de eerste acht eeuwen. Alsof het ‘Gouden tijdperk’ van de Kerk reeds voorbij is en wij nu waarschijnlijk vertoeven in een ijzeren tijdperk, veel lager dus op de schaal van spirituele sterkte en authoriteit. Psychologisch is deze houding vrij begrijpelijk, maar het kan  theologisch niet worden gerechtvaardigd. De Vaders van de vierde en de vijfde eeuw zijn namelijk veel indrukwekkender dan de recentere, en hun intrinsieke grootheid kan niet worden in vraag gesteld. Maar toch bleef de Kerk na Chalchedon zeer levendig. In feite,  een overbeklemtoning van de ‘eerste vijf eeuwen’  vertekent op een gevaarlijke wijze een theologische visie en verhindert  het juiste verstaan van het dogma van Chalcedon zelf. Het decreet van het zesde Oecumenisch Concilie wordt dan enkel beschouwd als een soort ‘appendix’ van Chalcedon, en de beslissende theologische bijdrage van de Heilige Maximos de Belijder wordt gewoonlijk volledig genegeerd. Een té sterke beklemtoning  van de ‘acht eeuwen’ verduistert onvermijdelijk de erfenis van Byzantium. Er bestaat nog altijd een tendens  om ‘Byzantijns’ als een inferieur gevolg, of zelfs als een decadente epiloog te beschouwen van het patristieke tijdperk. Waarschijnlijk zijn wij nu meer dan voordien, bereid om het gezag van de Vaders te aanvaarden. Maar ‘Byzantijnse theologen’ worden nog altijd niet gerekend tot de Vaders. In feite echter was de Byzantijnse theologie méér dan een slaafse ‘herhaling’ van de patristiek. Het was een organische voortzetting van de patristieke inspanningen. Het is voldoende om de Heilige Symeon de Nieuwe Theoloog in de elfde eeuw, en de Heilige Gregorios Palamas  in de veertiende eeuw te vermelden. Een beperkende verplichting van Zeven Oecumenische Concilies spreekt eigenlijk het basisprincipe  van de Levende Traditie in de Kerk tegen. Alle Zeven, maar niet slechts zeven.

De zeventiende eeuw was een kritieke periode in de geschiedenis van de Oosterse Theologie. Het onderricht in de theologie was op dat ogenblik van het traditioneel patristiek patroon afgeweken en had invloed uit het Westen ondergaan. De theologische gewoontes en reglementen werden geleend van het Westen en bovendien was het eclectisch, zowel van de laat Romeinse Scholastiek of de Post-Tridentijnse tijden en van de verschillende theologieën van de Reformatie. Deze ontleningen beïnvloedden sterk de theologie van de zogenaamde ‘Symbolische boeken’ van de Oosterse Kerk, die niet kunnen gezien worden als een authentieke stem van het christelijk Oosten. De stijl van theologiseren was veranderd, maar toch impliceerde dit geen verandering in doctrine. Het was inderdaad een pijnlijke en dubbelzinnig ‘Pseudomorphosis'(oneigenlike vorm) van de Oosterse Theologie, die zelfs in onze tijd nog zijn sporen heeft nagelaten.Deze Pseudomorphosis  van Oosterse Theologie betekende eigenlijk een splinter in de ziel van het Oosten, om één van de favoriete uitdrukkingen van Arnold Toynbee te gebruiken. In het leven van de Kerk is echter de traditie van de Vaders nooit onderbroken geweest. De ganse structuur van de Oosterse Liturgie, in een inclusieve betekenis van het woord, is nog altijd grondig Patristisch. Het leven van gebed en meditatie volgt nog altijd het oude patroon. De Filokalia, die beroemde encyclopedie van Oosterse godsvrucht en ascetisme, die geschriften van vele eeuwen omvat, van de Heilige Antonios van Egypte tot de Hesychasten van de veertiende eeuw, wordt meer en meer het handboek van begeleiding voor iedereen die in onze tijd de Orthodoxe Praktijk entousiast willen beleven. Het gezag van zijn samensteller, de Heilige Nicodemus van de Berg Athos, is onlangs nog versterkt door zijn canonisatie in de griekse Kerk. In deze zin kan worden gezegd dat het ‘tijdperk van de Vaders’ nog altijd levendig aanwezig is  in het leven van de Kerk. Zal het ook in de scholen, op het vlak van theologische re
search en het onderricht niet worden verdergezet ? Moeten wij de opvatting van de Kerkvaders niet terug de plaats geven die haar toekomt in het theologisch denken en belijden ? Herstellen, zeker, niet als een archaïsche houding en gewoonte,  en niet als een eerbiedwaardig overblijfsel, maar als een existentiële houding, als een spirituele oriëntatie. Eigenlijk leven wij nu reeds in een tijdperk van heropleving en herstel. Maar toch is het niet genoeg om een ‘Byzantijnse Liturgie’ te houden, om een Byzantijnse stijl in de Iconografie en Kerkelijke architectuur te herstellen, om Byzantijnse vormen van gebed en zelf-discipline te beoefenen. Men moet naar de eigenlijke wortels van de traditionele vroomheid terugkeren die ons altijd als een heilige erfenis is nagelaten. Men moet de patristieke gedachte terugkrijgen. Anders zal men nog altijd het gevaar lopen van een interne scheiding tussen het ‘traditionele’ model van ‘vroomheid’ en het niet-traditionele model van het ‘verstand’. Als toegewijden hebben de orthodoxen altijd gestaan in de ‘traditie’ van de Vaders. Zij moeten ook als theologen in de zelfde traditie van de Vaders staan. Er is geen andere manier waarop wij de integriteit van het Orthodox bestaan kunnen behouden en beveiligen.

Het volstaat hierbij te verwijzen naar de discussies op het Congres van Orthodoxe theologen, gehouden te Athene op het einde van het jaar 1936. Het was een representatieve vergadering : acht theologische faculteiten  uit 6 verschillende landen waren vertegenwoordigd. Twee belangrijke problemen waren opvallend op de agenda : vooreerst, de ‘Externe invloeden op de Orthodoxe Theologie sedert de val van Constantinopel’; verder : ‘De authoriteit van de Vaders’. Het feit van de groei van de orthodoxie in de Westerse wereld werd erkend en grondig geannaliseerd. Enerzijds werd het gezag van de Vaders opnieuw beklemtoond en een ‘terugkeer naar de Vaders’ werd bepleit en goedgekeurd. Het moet echter een creatieve terugkeer zijn. Een element van zelf-kritiek moet daarin worden geïmpliceerd. Dit brengt ons tot het concept van een Neopatristieke synthese, als taak en doel van de Orthodoxe theologie vandaag. De erfenis van de Vaders is een uitdaging voor onze generatie binnen en buiten de Orthodoxe Kerk. Haar onderhoudende macht werd meer en meer erkenbaar en erkend in de recente decennia, en dit in diverse hoeken van een verdeeld Christendom. Het groeiend beroep op de patristische traditie is één van het meest kenmerkend feit voor onze tijd. Dit appel is voor de Orthodoxie van wezenlijk belang en een dringende noodzaak, omdat de ganse traditie van de Orthodoxie altijd patristisch is geweest. Men moet zowel de problemen als de antwoorden van de Vaders herwaarderen. In deze studie zal de vitaliteit van de patristieke gedachte en haar eeuwigdurende opportuniteit naar voor komen. ‘Onuitputtelijk is het voedsel van de Vaderen’ (Inexhaustum est penu Patrum) heeft Louis Thomassin, een Frans Oratoriaan (Kath.priester) uit de zeventiende eeuw,en één van de voornaamste patristische geleerden van zijn tijd, het goed gezegd(8).

Eindnota’s

6. Louis Bouyer, Le renouveau des etudes patristiques, in „La Vie Intellectuelle.” Fevrier 1947, p. 18.

7. Mabillon, in het Voorwoord aan Bernard Opera, n. 23, Migne, P.L., CLXXXII, c. 26, onlangs geciteerd in de Encycliek van Paus Pius XII, Doctor Mellifluus (1953); English translation of the Encyclical in Thomas Merton, The last of the Fathers, NY,1954.

8.L. Thomassin, Dogmata theological, vol. I, Praefatio,p.XX

Vertaling : Kris Biesbroeck

Originally published in The Collected Works of Georges Florovsky (Belmont, MA: Nordland Publishing Co., 1987), Vol. IV, “Patristic Theology and the Ethos of the Orthodox Church,” Part II, p. 15-22. This is an excerpt from an approx. 20

Oecumenisch concilie - zevende (450 x 630)

 Het 7e Oecumenisch Concilie

21e zondag na Pinksteren – 7e na de Kruisverheffing

21e zondag na Pinksteren – 7e na de Kruisverheffing

 ++++++

‘Van het dochtertje van Jaïrus’

 Jaïrus (781 x 785)

 LEZINGEN :

 Galaten 2,16-20

 16 weten we dat niemand als rechtvaardige wordt aangenomen door de wet na te leven, maar door het geloof in Jezus Christus. Ook wij zijn tot geloof in Christus Jezus gekomen om daardoor, en niet door de wet, rechtvaardig te worden, want niemand wordt rechtvaardig door de wet na te leven. 17 En in ons streven om door Christus rechtvaardig te worden, blijkt dat wijzelf ook zondaars zijn. Betekent dit dat Christus dus in dienst staat van de zonde? Natuurlijk niet. 18 Maar wanneer ik weer aanneem wat ik had verworpen, maak ik van mezelf opnieuw een overtreder. 19 Want ik ben gestorven door de wet en leef niet langer voor de wet, maar voor God. Met Christus ben ik gekruisigd: 20 ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven. 21 Ik verwerp Gods genade niet; als we door de wet rechtvaardig zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn.

 

Evangelie :

 Lucas, 8,41-56

 41 Er was ook een man onder hen die Jaïrus heette, een leider van een synagoge. Hij kwam op Jezus af, viel aan zijn voeten neer en smeekte hem mee te gaan naar zijn huis, 42 want hij had een dochter van ongeveer twaalf jaar oud, die op sterven lag; ze was zijn enige kind. Toen Jezus op weg ging, begonnen de mensen van alle kanten te duwen. 43 Een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed – en door niemand genezen had kunnen worden, al had ze haar hele kapitaal aan artsen uitgegeven – 44 naderde hem van achteren en raakte de zoom van zijn bovenkleed aan; meteen hield de bloedvloeiing op. 45 Jezus vroeg: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Iedereen ontkende de aanraking en Petrus zei: ‘Meester, de mensen om u heen staan te duwen en te dringen!’ 46 Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft me aangeraakt, want ik heb kracht uit me voelen wegstromen.’ 47 Toen het de vrouw duidelijk werd dat haar aanraking niet onopgemerkt was gebleven, kwam ze trillend naar voren, viel voor hem neer en legde ten overstaan van de hele menigte uit waarom ze hem had aangeraakt en hoe ze meteen was genezen. 48 Hij zei tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.’ 49 Nog voor hij uitgesproken was, kwam er iemand uit het huis van Jaïrus tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven. Val de meester niet langer lastig.’ 50 Maar Jezus hoorde het en zei: ‘Wees niet bang, maar geloof, dan zal ze worden gered.’ 51 Toen hij bij het huis kwam, stond hij niemand toe om met hem naar binnen te gaan behalve Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader en moeder van het meisje. 52 Alle aanwezigen waren aan het weeklagen en sloegen zich van verdriet op de borst. Hij zei: ‘Houd op met klagen, want ze is niet gestorven maar slaapt.’ 53 Ze lachten hem uit, omdat ze wisten dat ze gestorven was. 54 Hij nam haar hand vast en zei met luide stem: ‘Meisje, sta op!’ 55 Haar levensadem keerde terug en ze stond meteen op. Hij gaf opdracht haar iets te eten te geven. 56 Haar ouders waren verbijsterd; hij gebood hun tegen niemand te zeggen wat er was gebeurd.

 +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Het is vandaag ook de feestdag van de Heilige Nectarius van Aegina, Patroonheilige van de Orthodoxe Kerk van Eindhoven.

Nektarios van Egina

Vieren in Roemenië

 

VIEREN IN ROEMENIË

 

 

 Het was een eer om daar te zitten. Ik zag de geestelijke honger op de gezichten …’


Wie zijn onze oosters-orthodoxe geloofsgenoten en wat kunnen we in deze pluriforme tijd van hen leren? Een groep ‘Urban Mission’-studenten verdiept zich in de oosterse orthodoxie. Journaliste Gea Gort reist met hen mee en doet enkele malen verslag. Vandaag vanuit Roemenië (slot).

In Turkije lijkt de Orthodoxe Kerk maar net te overleven; dit staat in schril contrast met Roemenië. Hier zijn vandaag de straten vol met mensen, vanwege een christelijke feestdag. Het is de dag ter ere van St. Dumitru, de beschermheilige van Bukarest. Het lijkt of Lazarus uit het graf is opgestaan, zegt een van de studenten in onze bus. Hij doelt op de Roemeens-Orthodoxe Kerk na het communisme.

 In het straatbeeld is vandaag te zien dat 85 procent van de 31 miljoen Roemenen zichzelf orthodox noemt. In de openlucht wordt een dienst – de ‘Goddelijke Liturgie’, zoals de orthodoxen de eucharistie benoemen – gehouden. Velen hebben de nacht op het plein voor het Patriarchaat doorgebracht om de viering van dichtbij te beleven. Reisleider Vader Mihai leidt de studenten langs politieagenten naar een ereplatform, vlak naast de kleurrijk geklede bisschoppen, waar ze uitzicht hebben over de mensenzee op het plein.

Iconen en relikwieën
Na de viering krijgen de studenten de gelegenheid eer te betonen aan de relikwieën van onder meer de apostel Paulus, die vanuit Griekenland zijn meegebracht. Ze raken de relikwieën aan; ze kussen is voor de protestanten in de groep nog een stap te ver.

,,Ik ben opgevoed met het idee dat het kussen van iconen afgoderij is, maar ik doe mijn best mijn westerse bril af te zetten”, zegt Elaine Moore (57), die in Colorado (VS) in het gevangenispastoraat werkt. ,,Dit is hun traditie. Ik heb intussen begrepen dat ze de iconen en relikwieën niet aanbidden, maar dat de levens van de heiligen hen inspireren om een heilig leven te leiden. Ik bekijk het zo: we zijn allemaal pelgrims, die verschillende wegen bewandelen. Ik voel me als Afro-Amerikaanse aangetrokken tot de pinksterbeleving; ik houd van dansen en van rockmuziek. Dat is in sommige kringen ook niet acceptabel.,,

,,Het was een eer om daar te zitten”, reflecteert een andere student. ,,Ik zag de geestelijke honger op de gezichten en vroeg me af wat sommige ouderen op dat plein hebben doorgemaakt onder het communisme. Wij evangelischen kijken zo gemakkelijk op hen neer en vinden hun rituelen leeg en niet meer van deze tijd.” De Amerikaanse methodist stopt even en vervolgt dan met emotie in zijn stem: ,,Maar wij leven zo comfortabel; we zijn arrogant en denken het allemaal beter te weten.”

De reis gaat later op de dag verder naar Iasi, een stad in de noordoostelijke provincie Moldavië, die Vader Mihai ‘het Jeruzalem van Roemenie’ noemt.

Het kloosterbestaan leeft in Moldavië; theologische scholen en honderden kerken dragen bij aan het geestelijke klimaat in het land. Het gebied is misschien geestelijk rijk, maar kent economische problemen evenals andere plattelandsgebieden. In Bukarest rijden Porsches door de straten, maar op het platteland zit volgens de hulporganisatie World Vision soms wel negentig procent van de bevolking zonder werk; een derde moet van minder dan een euro per dag rondkomen.

De Nederlandse Anita Delhaas geeft leiding aan het werk van de organisatie in Roemenië. Zij vertelt over initiatieven waarbij ze betrokken is: ,,In samenwerking met andere organisaties en de Orthodoxe Kerk hebben we een volledig Bijbels curriculum voor de kinderen en jongeren ontwikkeld. We worden nu mede gefinancierd door de overheid om zestienduizend priesters in het land te kunnen trainen om met dit lesmateriaal aan de slag te gaan. Het curriculum behandelt thema’s als gebed, groeien in Jezus en aanbidding.”

Het is binnen de orthodoxe wereld niet overal zoals in Roemenië, wat de geestelijke honger en de openheid naar het Westen betreft. ,,Andere Orthodoxe Kerken kunnen veel geslotener zijn”, erkent de presbyteriaanse dominee Robert Calvert. Hij werkt in Rotterdam, waar hij contact heeft met vier van de zes orthodoxe parochies. Calvert is mede-initiatiefnemer van deze studiereis naar de oosterse orthodoxie. Hij vindt het belangrijk om in de hedendaagse multiculturele steden contact te onderhouden met kerken vanuit de verschillende etnische en traditionele achtergronden. Hij kan tevreden zijn: diverse busreizigers willen in hun stad contact gaan zoeken met orthodoxe kerken.

 Bron : ND