Nu wij Christus’opstanding aanschouwd hebben


“Nu wij Christus ‘opstanding aanschouwd hebben


– De betekenis van de verrijzenis voor de mens van vandaag –


Het feit dat we ons de vraag stellen in verband met “de verrijzenis voor de mens op vandaag” is een teken dat we op zijn minst twijfelen in verband met de verrijzenis. Dit brengt ons ook tot het berouw in de zin van meditatie, een moment van even stilstaan, van bezinning.

Om ons aan te moedigen leert de ascetische literatuur ons: “Kort is het bestaan, lang is de komende eeuwigheid, kort is de tijd van ons hedendaags leven”. De tijd is kort, de mens is zwak, de strijd is groot. We moeten dus onze tijd nuttig gebruiken.

We stellen ons dus de vraag naar de betekenis van de verrijzenis. Als deze een zin heeft, dan heeft ook ons leven en onze dood een zin, zoniet is alles absurd en wordt het leven eerder een lijdzaam drama.

Dezelfde vraagstelling werd al in de Handelingen van de Apostelen gesteld in Antiochië. Voor de eerste groep mensen is Christus levend en Hij is hun leven. Voor de andere christenen heeft Christus geleefd, is Hij gestorven en begraven. Voor de eerste groep is de verrijzenis een evidentie, iets klaar en duidelijk, iets dat zin geeft aan het leven. Voor de andere groep is de verrijzenis een leeg begrip. In het verhaal van de Handelingen der Apostelen zegt de wereldse overste van deze deelprovincie dat hij geen standpunt inneemt omdat hij het niet weet. Misschien kunnen we ons vereenzelvigen met een aspect van elk van deze drie standpunten.

De Kerk is ervan overtuigd dat de verrijzenis van Christus de realiteit is die alles verlicht, die de prepaschale tijd verlicht alsook de komende tijd welke geopenbaard wordt in de Apocalyps. Wij zien dus ons leven in het licht van de verrijzenis. De verrijzenis is het integrale element van de heilsgeschiedenis en van de geschiedenis van deze wereld.

Wij kunnen volledig de woorden van Patriarch Ignatius IV beamen als hij zegt: “persoonlijk aanvaard ik als globale en degelijke uitleg van mijn leven en van de geschiedenis, enkel deze uitleg die mij vanaf nu toelaat het drama van de dood voor ogen te zien en te overstijgen. Daarbuiten is er slechts leugen”. Dit wil zeggen dat wanneer wij geen levensfilosofie krijgen die ons daar een antwoord op geeft, dan houden we ons bezig met bijkomstigheden.

Wij verwachten dus de opstanding uit de doden, doden die we zelf zijn. De vraag die we ons stellen, ook in onze Paasdiensten, luidt: “Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?”. De dood is het niet te ontcijferen raadsel waarvan de absurditeit alle zingeving teniet doet. Ons vertrekpunt zal dus niet zijn: wat is het raadsel van de dood, maar wat betekent de verrijzenis van Christus.

Deze verrijzenis is een unieke gebeurtenis die een waarheid doorgeeft aan al wat IS. We gaan ons leven dus proberen te interpreteren in het licht van de verrijzenis, zowel het voorbije als het toekomstige leven. Ieders persoonlijk leven, ons communautair leven, het leven van de kosmos is als een raadsel, als een verzegeld boek dat zijn betekenis, zijn uitleg krijgt in het geslachtofferd en verrezen Lam.

Het beeld van het leven als een verzegeld boek dat geopend wordt, doet ons denken aan het beeld van de Apocalyps waar gesproken wordt over “zeven boeken, en elk zegel zal geopend worden”. De verrijzenis is dus een anticipatie (iets dat vooruitgeschoven wordt t.o.v. het einde), het is de Apocalyps, de openbaring bij uitstek. Daarbij is de verrijzenis geen historisch gebeuren in strikte zin, maar het is een gebeurtenis van het Koninkrijk van God, dat volgens het Evangelie onder ons en in ons is. Het lichaam van Christus, dat verrijst, is een lichaam dat in ons verrijst en dat geanimeerd wordt door de adem van de Heilige, Onsterfelijke God, de Heilige Geest.

De verrijzenis is dus een relationeel gebeuren. Zij wil opnieuw een relatie opbouwen tussen twee onafscheidbare delen, de schepping (met de schepselen) en de Schepper, waarbij deze onafscheidbare delen van binnenuit verlicht worden door dit verrezen lichaam. Door de verrijzenis worden we geestelijk “verlicht” over de goddelijke dimensie en de wereld.

De Heilige Johannes Klimakos (higoumen in het Katharinaklooster in de Sinaï, VIIde eeuw) raadt zijn medebroeders aan: “Laten wij ons haasten en ons niet sparen om zo vlug mogelijk in ons te doden wat ons doodt”. Daarmee bedoelt hij, wat ons belemmert om die relatie terug aan te gaan.

Laat ons nu even nadenken over dat berouw, die bezinning. We moeten geen schuldgevoel krijgen omdat we twijfelen aan de verrijzenis want dit is zeer menselijk, en dit omdat we juist mensen zijn. Deze vaststelling voert mij tot nederigheid, tot eenvoud, tot een niet triomferend gedrag.

De verrijzenis van Christus is ook de vervolmaking van een verwachting, want uiteindelijk stellen wij vast dat we leven wanneer we leven in het verrezen lichaam. De Heilige Johannes Klimakos zegt: “Ons gebed heeft niet de kracht van het vertrouwen”. We zouden graag willen vertrouwen. “Ons gebed heeft ook niet de vleugels van de zuiverheid om God te bereiken”.

De grote oproep is dit bewustzijn van die ééns en voor altijd verrezen Christus. Moge dit in ons een eeuwig gebeuren zijn. Mogen wij als schepselen ons vervolmaken in de verrijzenis van Christus. Moge ons leven een eeuwige doortocht – een eeuwig pascha – worden. Mogen wij voortdurend leven in die doortocht van het oude naar het nieuwe leven. Moge ons leven een voortdurend paasgebeuren worden.De Russische denker Serge Boelgakov zegt: “Als we de nar zijn van onszelf, bewegen we ons als een pop in ons eigen spiegelpaleis”. We zijn dan voortdurend bezig onszelf te bekijken en we voelen er ons zo goed bij! Vandaar de noodzaak van het berouw en de metanoia, de innerlijke ommekeer.

In de vesperdienst daarentegen zingen we in psalm 142 “…en geef het mij om niet met uitvluchten mijn zonden (mislukkingen) te verontschuldigen…”.

Onze idolatrie, onze zelfverering wordt doorbroken door het Kruis. Als wij het Kruis liefhebben is dit eigenlijk niets anders dan een bovennatuurlijke liefde voor God, een liefde die alles overstijgt, en zelfs het Kruis daarin aanvaardt. De grote oproep is dus kruisig uzelf. Dit betekent dat we moeten afsterven aan wat ons teveel hindert in de relatie met onze naaste en met God.

De verrijzenis van Christus, dat volle leven, dat het Kruis doorleefd heeft, en wat wij niet kunnen realiseren omdat het kruis voor ons te lastig is om aan af te sterven, omdat we te weinig mogelijkheden hebben, te weinig kracht hebben, heeft ons getoond en bewezen dat het een leven is dat het kruis overstegen heeft, dat het kruis doorleefd heeft – namelijk het verrezen lichaam van Christus – dat dit een geslaagd leven is, dat het een leven is in volle licht, dat het een leven is in de Drie-Eenheid.

Alles wat in de weg staat voor deze gemeenschap, om vrijwillig dat Kruis op te nemen, om vrijwillig af te sterven is de dood in al haar verschillende vormen, niet enkel in haar fysische of biologische vorm. De dood is niet de biologische ontbinding; het i
s uiteindelijk een laatst zichtbaar teken van de gevallen mens, van een mislukte relatie zoals het Griekse begrip betekent voor zonde: “de zonde (lees de dood) is het doel missen”.

Wat betekent dit alles nu persoonlijk voor ieder van ons? Het gaat over een totaal nieuw leven. Kon God niet gewoon door één woord de mens redden? Neen, de menswording is het feit dat God op een reële, vleselijke wijze deelneemt aan ieder van ons. Die menswording brengt het tot de verrijzenis. De verrijzenis in Christus, die ons allen gevraagd wordt, is deelnemen aan de grootste promotie, de grootste opgang die we de mens kunnen bieden. De grootste promotie is te kunnen verrijzen in Christus. Dit is in tegenstelling tot de opvatting van degenen die zich voortdurend verrechtvaardigen en zeggen dat ze niets anders kunnen. Zij ontkennen dat de mens méér kan dan leven volgens zijn natuur. De gehele dynamiek ligt vervat in het scheppingsverhaal. Wij zijn geschapen naar het beeld van God, voor de gelijkenis met God. We moeten dus die spiegel van de idolatrie doorbreken om op te gaan naar die verrijzenis in Christus. We leven dus niet meer voor onszelf, maar voor Hem, die voor ons gestorven en verrezen is.

Dit is ook zo in een liturgisch leven. Wij wonen de liturgische diensten eerst en vooral bij om dank te zeggen voor de wijze waarop God ons elke dag leidt in Zijn goddelijke pedagogie via ontmoediging, geluk en ervaring. Dat alles is het gegeven van God. De monniken in de woestijn herleiden alle gebeden tot dit ene gebed: “Indien het U past Heer, open voor ons de poort, en dan is het goed. Maar indien Gij de poort niet opent, dan moge Gij nog gezegend zijn omdat Gij deze poort, terwille van Uw gerechtigheid, voor mij gesloten houdt”.

In deze houding van het verlaten van onszelf en het ons overgeven aan God, bezitten we onszelf niet meer. “Dat Uw wil geschiede”, we behoren God toe. Dit is geen moraal, dit is een mysterie. Dit realiseert de Geest van God in ons persoonlijk leven, elke dag wanneer wij daartoe in staat zijn en wanneer wij de kracht hebben om daaraan te werken. Want soms zijn we moe of vertwijfeld of ontgoocheld. Vandaar dat nodige berouw in de zin van inkeer, meditatie, beschouwing om weer de “goddelijke draad” op te nemen.

De deelname aan de verrijzenis van Christus bestaat erin af te dalen in onze hades, in onze duistere diepten, maar die toch doordrongen zijn van het licht van de verrijzenis. Onze dood is een wijze van niet-in-relatie-zijn. Het is geen psychische wel een existentiële realiteit van een verbroken relatie. Deze relatie wordt gekenmerkt door afwezigheid van licht, gebrek aan gemeenschap. Het is een wijze van niet meer in relatie te leven met eerst en vooral zichzelf, met het koninkrijk dat in ons is, vervolgens met onze naaste.

De Heilige Ireneus van Lyon (IIde eeuw) ziet het als volgt. “Wat is de fysische dood nog wanneer gij reeds aan zo veel afgestorven zijt in dit leven? Dit is het laatste restje waaraan gij niet hebt kunnen afsterven in de loop van dit leven”. De Kerkvaders en Woestijnvaders spreken in dit verband over het vellen kleed als het enige dat dan nog op deze wereld rondloopt. Al de rest is al

gedeeltelijk overgegaan in een andere dimensie van zijn.

Hoe zouden wij deelachtig willen worden aan de verrijzenis zonder bewust te worden dat het hier gaat over een spirituele strijd. Het evangelie leert ons dat het Koninkrijk voor de geweldigen is. De Russische denker Tchaadaëv zegt dat het christelijke leven maar één limiet heeft, de hemel.Onze duisternis is ons egoïsme, onze onrechtvaardigheid, onze hardheid, onze leugen, onze verdeeldheid, onze koppigheid, onze hoogmoed, onze drang naar zelfbevestiging… Zijn we al begonnen met deze spirituele strijd? Is deze strijd wel nodig? Of leven we “volgens onze natuur”. Maar neen, de natuur mag gekwetst worden; de menselijke natuur wordt gekwetst, of wij het willen of niet.De auteur van het boek waarop wij ons hier voornamelijk gebaseerd hebben zegt verder: “we moeten toch niet wachten tot we allen grijze haren hebben om ons bewust te worden dat de dood in het hart van de mens leeft. Indien we toch zolang zouden wachten, dan bouwen we ons een wereldje op dat goed hermetisch afgesloten is, met strakke morele grenzen, met verboden vragen, vragen die we ons nooit zullen stellen”. “Maar”, zegt hij, “zulk een leventje redt de mens niet!”.

De strijd om aan onszelf te verzaken, zoals het evangelie ons vraagt, is een strijd die erin bestaat van neen te zeggen aan de dood en ja aan HIJ DIE (het leven) IS. De ascese, de oefening, is niets anders dan een “paas”-gebeuren, een gebeuren dat leven schenkt. Misschien kunnen we enkel in ons gebed vragen dat Onze Heer en God en Verlosser in het licht van Zijn verrijzenis ons moge verlichten om tot een waarachtig berouw te komen, om waarachtig bewust te worden waar het hier op aarde over gaat.

vader Dominique

Dit artikel is voornamelijk gebaseerd op het werk “la résurrection et l’homme d’aujourd’hui” van Patriarch Ignatius IV van Antiochië die een aantal lezingen gegeven heeft op oecumenische bijeenkomsten in Zwitserland.

Jezus van het Kruis-graflegging /grote vrijdag

 

Nadat onze voeten gewassen zijn,en wij gezuiverd werden door de deelname aan Uw goddelijk mysterie, o Christus, vertrekken wij met Uw leerlingen van Sion naar de hoge berg der Olijven, terwijl wij U bezingen, o Mensenvriend.

bloemenrand2

Ziet, Mijn vrienden, hebt Gij gezegd, weest niet bevreesd, want het uur nadert dat Ik ter dood word gebracht door de handen der goddelozen. Gij zult allen in het duister vallen, na Mij te hebben verlaten, maar Ik zal u weer bijeenbrengen, om Mij te bezingen als de mensenvriend. 

bloemenrand2

 

intocht in Jerusalem 2547

 

Gezegend Hij die komt in de naam des Heren

 

lijdende ch

 

bloemenrand2
 

 

Laat%20mij%20zijn%20een%20instrument

 

bloemenrand2

lijden christus uy

bloemenrand2

magadan

 

bloemenrand2

christus van het kruis258

Grote donderdag: Beleving van het Verlossend lijden van Christus

Door Uw Kruis, o Heer hebt Gij de wereld verlost

Kruis1115

 

Grote Donderdag

 

PROKIMEN  ps2

De vorsten zijn samengeschoold tegen de Heer en tegen Zijn bloemenslingerChristus.Waarom woeden de heidenen, en zinnen de volken op ijdelheid ?Ik ben door Hem als Koning gesteld over Sion, Zijn heilige berg. (1 Kor.23-32)

ALLELUIA :ps40

Zalig hij die zorg draagt voor behoeftigen en armen : ten dage van onheid zal de Heer hem bevrijden.Mijn vijanden spreken kwaad over Mij : wanneer zal Hij sterven en zal Zijn Naam vergeten zijn ?Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die Mijn brood met Mij at, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven.

            Zoon van God, neem mij heden aan als deelgenoot van Uw Mystiek Avondmaal. Uw Mysterie zal ik niet verraden aan Uw vijanden. Ik zal U geen kus geven zoals Judas, maar evenals de rover belijd ik mijn geloof : gedenk mijner o Heer, in Uw Koninkrijk.

TROPARION :t 6

Ziet, Mijn vrienden, hebt Gij gezegd, weest niet bevreesd, want het uur nadert dat Ik gedood word door de hand der goddelozen. Gij zult allen in het duister vallen, na Mij verlaten te hebben. Maar ik zal u weer bijeen brengen, om Mij te bezingen als de Vriend der mensen.

 

laatste avondmaal 2-1


 

Heilige Maria van Egypte -5e zondag in de vasten

 


Vijfde zondag in de Vasten

Heilige Maria van Egypte

Maria van Egypte
 

H.Maria van Egypte, belijdster

Over het leven van haar is ons weinig bekend. Wel weten we dat de waarheid en legenden zeer nauw tegen elkaar liggen. Zij is geboren in de vierde eeuw in de stad Alexandrie in Egypte uit een huwelijk van christelijke ouders. 
Zij verdiende er de kost als prostituee. Op een dag bood zij haar diensten aan op een pelgrimstocht naar het Heilige Land. Na haar aankomst in Jeruzalem het feest van de
Kruisverheffing gingen de pelgrims in de Grafkerk. Ook Maria wilde naar binnen gaan. Op het moment dat zij de kerk wilde betreden werd zij als door een onzichtbare hand tegengehouden en haar de toegang geweigerd. Een innerlijke stem zei dat zij het niet waard was de kerk te betreden en het Kruis te aanschouwen van Hem die voor onze zonden is gestorven. Als getroffen door de bliksem stortte zij ter aarde en begon in diepste berouw haar zonden te belijden. 

Van de drie muntstukken, die zij had ontvangen van een onbekende terwijl zij voor de deuren van de kerk verbleef, kocht zij drie broden en trok daarna de Jordaan over de woestijn in. Daar verbleef zij 47 jaren lang elke dag in boete, volledig afgescheiden van de wereld. Na vijftig jaren, zo vertelt de legende, werd zij door de monnik Zosimus gevonden. Zij was geheel verwaarloosd en geheel met haar haren bedekt. Van hem ontving zij de heilige communie. Daarop vroeg Maria hem om na precies een jaar terug te komen. Dit beloofde hij en na een jaar vond hij haar dood op de grond liggen. in het zand had zij  geschreven dat zij graag begraven wilde worden. Terwijl de monnik dit las kwam er een leeuw en begon met zijn klauwen een graf te delven. Maria van Egypte is in 430 gestorven.

Patrones van: Boetelingen, berouwvolle zondaressen.
Patrones tegen: Koorts

 

 TROPARION

In u, o Moeder, werd duidelijk gered Gods evenbeeld, want nadat hijn het Kruis aanvaard hebt om Christus na te volgen, leerde gij door uw voorbeeld om het vergankelijk vlees te verachten, maar te zorgen voor de ziel die onsterfelijk is. Daarom o heilige moeder Maria, verheugt zich uw geest met de Engelen

KONDAKION

Gij die eens van ontucht vervuld waart, zijt nu foor het berouw de bruid van Christus. Vol verlangen naar de levenswandel der Engelen, hebt gij de demonen overwonnen door het wapen des Kuizes. Daarom zijt gij, heerlijke Maria, nu verschenen als de Bruid des Konings.

Bron : heiligenlevens

http://www.heiligen.net/mei/frm1305.htm

Orthodox zijn in de westerse wereld

 


ORTHODOX ZIJN IN DE WESTERSE

WERELD


bannerLeftA_5_9

Door Vader Boris BOBRINSKOY

            

Deze titel is mij gesuggereerd, maar ik zou het hierbij niet willen laten. Het essentieel probleem blijft kortweg :  Christen te zijn in de wereld. Ik zal op deze vraag van de christelijke of orthodoxe identiteit nog terugkomen. Het is té gemakkelijk om de Oosterse orthodoxie te plaatsen tegenover het Westerse, die men trouwens nog nader moet bepalen : latijns, gereformeerd, a-religieus, niet-confessioneel, geseculariseerd. En wij zouden ons hiertegenover  roemen om onze Orthodoxie, om onze oosterse identiteit ?. Zeker, de orthodoxie heeft een tweeduizend jaar lange geschiedenis van cultuur, heiligheid, van martelaren achter de rug, dit is waar en belangrijk, maar dikwijls is dit maar heel oppervlakkig, eens verworven voor allen. Het is op de eerste plaats de term ‘westers’ die voor mij een probleem vormt. Voor het Christelijke en dus orthodoxe geweten is het waarachtige Oosten niet geografisch, maar vooral spiritueel. De waarachtige zon die in het Oosten opstaat om onze aarde te verlichten en te verwarmen is Christus, Zoon en rechtvaardigheid. ‘Ik ben het ware Licht…Diegene die me volgt gaat niet in de duisternis…en het licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft het niet aanvaard’. Het Westen daarentegen zal de plaats zijn waar de zon ondergaat, symbool dus van de duisternis die de aarde bedekt. Welke aarde ? Deze aarde die God geschapen heeft uit liefde, die hij zo heeft liefgehad, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om Hem  aan de krachten van de prins van deze wereld te ontrukken. Wanneer een christen zich richt op Christus, naar het waarachtige Oosten, dan oriëntaliseert hij zich, maar oosters zijn is geen voorrecht van orthodoxen, het is een worden, een roeping van de gehele christen. Wanneer deze zelfde christen zich richt op het Westen, dit wil zeggen op de wereld, gesteld dat hij het licht van Christus weerspiegelt, dan  zal    hij een waarachtige oosterling blijven en aan de wereld de boodschap van liefde en leven overdragen. Maar als hij de boodschap van Christus vergeet, ze relativeert of verloochent, dan zal hij opgaan in de omringende wereld en zich erin isoleren en zich opsluiten in een ghetto of een ivoren toren.Zo betekent christen zijn in de wereld, het Licht van Christus , de Zon uit het Oosten, uitdragen in een Westen dat onze wereldbol omvat. Deze wereld is in de verwachting van de boodschap van het Evangelie, ze is wanhopig zoekende naar haar identiteit, haar eenheid, in een proces van mondialisering en een snelle technische vooruitgang die ons de grenzen van landen en continenten doet overschrijden. Een wereld doordrongen van tegengestelde stromingen, aan een overdreven nationalisme aan welke ook onze orthodoxe kerken niet zijn kunnen ontsnappen, maar ook een wereld  die verdorven is door de secularisatie die zijn eigen rijkdom ontkent of vergeet of verwerpt , maar ook haar christelijke geschiedenis, haar oorsprong en haar uiteindelijk gericht zijn op God. ‘Frankrijk, riep Johannes Paulus II uit, wat heb je gedaan met uw doopsel ?’ Deze zelfde vraag stelt zich aan elk van onze christelijke landen, zowel aan die van het Oosten als van het Westen. De doelstellingen van oosterlingen en westerlingen hebben een lange geschiedenis achter de rug, in het bijzonder in de twee duizend jaar van het Christendom, maar het is niet geloofwaardig, noch mogelijk om ons vandaag de dag onvoorwaardelijk op te sluiten in die categorieën die een te lang en dramatisch proces van wederzijdse vervreemding van de twee polen of longen van de christenheid  heeft teweeg gebracht : Rome, door de universele jurisdictie te bevestigen, en door romeinse bisdommen op te richten op traditioneel orthodoxe grond, inbegrepen Jeruzalem en Constantinopel. Terwijl in de 20e eeuw er een massale migratie van duizenden arabische , griekse of slavische orthodoxen  heeft plaatsgevonden in vreemde landen. Ontworteld, vermoord in hun lichaam en ziel, wezen, maar zoekende hoe zij de spirituele vlam van het geloof kunnen in stand houden. Orthodoxe parochies en bisdommen werden in deze landen van ontvangst opgericht. Voor de 3e en 4e generatie is West Europa of Noord-Amerika geen vreemde aarde meer, maar ons echte vaderland, zelfs al zijn we verdeeld  door onze dubbele identiteit, grieks-orthodox, arabieren, slaven, roemenen, maar zich daadwerkelijk engagerend in het culturele, sociale en politieke leven van het nieuwe vaderland. Het is hier dat ik hulde wil brengen aan, en onze grote erkentelijkheid voor ons vaderland Frankrijk dat voor onze ouders, en voor onszelf een gastland is geworden, gastvrij, waar onze kinderen zijn kunnen opgroeien, studeren, zich geïnstaleerd hebben, zich volledig integreren in de franse cultuur, zonder nochtans afstand te moeten doen van onze taal, cultuur en tradities van onze herkomst.Wij op een gewelddadige manier in deze westerse landen geworpen, wij hebben er de wil van God in herkend om er te wonen, er op te groeien, er te getuigen van ons geloof en de rijkdom van onze religieuze tradities, zonder nochtans te vallen in een primair prosiletisme, maar in respect voor de christelijke geschiedenis van dit land van ontvangst en in de openheid naar de christelijke kerken toe die wij geleerd hebben te kennen en lief te hebben. Wij hebben bij hen niet vermoede schatten van heiligheid en wijsheid gevonden. Zo is de oecumenische dimensie van ons christelijk leven een klaarblijkelijkheid geworden, een gebod om te gehoorzamen aan de Heer zelf. Plaatsen van eredienst zijn als paddestoelen na de regen  uit de grond geschoten, eerst nederige kapellen, daarna kerken. Monastieke gemeenschappen zijn gesticht doorheen gans Europa, jeugdorganisaties zijn opgericht, er is een theologische school opgericht , nu reeds meer dan 80 jaar geleden, in het hart van Parijs zelf. Zij heeft reeds honderden priesters, bisschoppen, theologen en catechisten gevormd. Ik zal er nog op terugkomen. Na een geschiedenis van 80 jaar, organiseert deze orthodoxe diaspora zich , sluit zich bij elkaar aan, en dit niet zonder pijn , dat is waar, ze structureert zich, vooral rond onze bisschoppen in de Vergadering van Orthodoxe Bisschoppen in Frankrijk.. Deze Vergadering is erkend door de franse staat en verleent haar toegang tot de instanties van de regering. De meeste van de oosterse patriarchaten zijn in deze Vergadering vertegenwoordigd : Constantinopel, Antiochië, Moscou, Belgrado, Bukarest, Tbilissi, maar ook de franse filosofische gemeenschappen, schrijvers, de kunsten, en dit alles in nauwe verbondenheid met de orthodoxe spiritualiteit en traditie. De 20e eeuw is een tijd geweest van ontmoeting en ontdekking  door het Westen van de Orthodoxe rijkdommen. Wij kunnen dit zelf bijna of niet vermoeden. De ontmoeting met de westerse religieuze of filosofische gedachte, om slechts enkele te vernoemen : Bergson, Mounier, Péguy, Congar, Daniélou, de Lubac, Boegner, Pierre Maury en zoveel anderen, was een gelegenheid voor een onschatbare wederzijdse verrijking.  Het instituut Saint Serge te Parijs en zijn erfgenaam, het Seminarie St.Vladimir te New York waren voorposten van een scheppende theologische reflexie, tegelijk wetenschappelijk, maar ook niet minder geworteld in het concrete leven van onze kerken, maar ook niet los te denken van een authentieke geestelijke ervar
ing, kerkelijk en persoonlijk . Ik wil hierbij vooral aan Vader Serge Boulgakov  denken, de stichter en deken van het instituut St.Serge, aan Vader Georges Florofsky, die samen met Vladimir Lossky de vertegenwoordiger is van de neo-patristieke orthodoxe stroming., Vader Nicolas Afanassieff, de baanbreker van de eucharistische ecclesiologie, die trouwens invloed heeft gehad op de vaders van Vaticanum II, Mgr Cassien die de nieuw-testamentische orthodoxe exegese heeft vernieuwd, Léon Zander, één van de meest geëngageerde personen in de oecumenische dialoog. Na deze eerste generatie stichters van het instituut moet men vooral denken aan figuren als Vader Alexandre Schmemann en Vader Jean Meyendorff die beiden naar de Verenigde-Staten zijn geëmigreerd. Zij waren de boegbeelden van het Seminarie St.Vladimir, de eerste als drager van een nieuwe visie op de liturgie en de eredienst, de tweede als geschiedkundige van de Byzantijnse  Theologie. Onder de levenden denken wij in Franktijk aan Olivier Clément, aan Mgr.Jean Zizioulas, aan Christos Yannaras, Mgr Kallistos, (Vader Lev Gillet, De monnik van de Oosterse Kerk, Elisabeth Behr-Sigel) en verder gans onze huidige generatie waarvan ik de namen niet vermeld. Ik moet hier ook enkele namen vermelden van enkele uitzonderlijke figuren van de orthodoxe gemeenschap van Antiochië, van Libanon, van Syrië, en zeker van de antiocheense diaspora in de wereld… Vooreerst, de huidige patriarch van Antiochië Ignace IV en zijn jeugdvriend, de metropoliet van de Berg Libanon Georges Khodre, beiden gediplomeerden van ons Instituut. Ik ben gelukkig voor de lange vriendschap die ons vanaf onze jeugdjaren heeft verenigd. Hun getuigenis , zowel binnen de orthodoxie als binnen de oecumene en wederzijdss ook met de Islam waarvan zij één van de beste kenners zijn, is onschatbaar. Wij herinneren eraan, dat zij in de eerste jaren die volgden op de tweede wereldoorlog, met nog anderen zoals Albert en Edouard Laham, Spiridon Khoury, Raymond Rizk, de gangmakers waren van een spirituele vernieuwing binnen de orthodoxe christenheid van Antiochië, door de stichting van het fameuze MJO (le mouvement de Jeunesse Orthodoxe au Proche-Orient) Onderlijnen we ook dat zij in een islamitische omgeving, niet alleen hun geloof en de rijkdommen van onze orthodoxe traditie wisten te behouden, maar ook een theologische vernieuwing wisten te tot stand te brengen door middel van hun bezieling voor een Beweging van Orthodoxe Jongeren, waaruit de beste theologen en mannen voor de Kerk van het Patriarchaat van Antiochië van vandaag zijn voortgekomen. Om te besluiten houd ik eraan vanaf nu  te antwoorden op de vraag : iIs er een  bijdrage, en zo ja, welk is de specifieke boodschap van deze bijdrage van de orthodoxie aan de westerse wereld waarin wij leven, en zeker aan kortweg ,de wereld ?

     Verrijzenis 147
    Ik zal hier vooreerst drie essentiële dimensies van ons geloof en onze ervaring vermelden :

1. De paas-overwinning van de Verrezene. Het is de fundamentele boodschap,die essentieel is voor de Kerk aan de wereld. Onderlijnen wij de actualiteit van deze boodschap in welke de ganse volheid van  het wezen van het christendom en deze van de  diaspora is samengevat.  Op lange termijn is het doel van de Bisschoppelijke raad om een eenvormige bisschoppelijke structuur te scheppen voor een lokale Kerk. Overigens, en ik gooi hier een knuppel in het hoenderhok, men kan de eenwording van de orthodoxe gemeenschappen in het Westen niet totaal scheiden van de toekomst van de oecumenische dialoog en de verwachting van onze kerkelijke eenheid met Rome en de niet-chalcedonische kerken. Maar daar raak ik een onderwerp aan die mij toebedeeld is. Ik zei het zojuist, de orthodoxe kerken zijn betrokken partij in het ontstaan van de oecumenische beweging, zich bewust zijnde dat de muren van onze scheidingen niet tot in de hemel reiken.. Zij moeten de actie en het oecumenische bewustzijn in het onderzoek naar een betere wederzijdse kennis aanmoedigen, door een waarachtige theologische dialoog aan te moedigen en niet meer in een geest van confrontatie en twist. Pas dan kunnen de theologische problemen worden aangeraakt, waaronder de meest wanhopige zoals het romeinse primaatschap, de voortkomst van de Heilige Geest en het probleem van de uniaten. Er is veel moed , intellectuele eerlijkheid en vertrouwen in het werk van de Heilige Geest nodig om zich  te engageren voor de hindernissen van de oecumenische dialoog, maar ik ben er van overtuigd dat er gelijdelijkaan zich een geest van vrede zal vestigen en dat theologische oplossingen vorm zullen krijgen. Er  zijn na de tweede wereldoorlog  bilaterale commissies  voor de dialoog opgericht, zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau om de loop van de geschiedenis te proberen te overstijgen en om samen opnieuw onze gemeenschappelijke basis van voor de scheiding en conflicten te herstellen. Zo zullen wij door onze herinneringen aan de gebeurtenissen een daadwerkelijke therapie vinden voor onze scheidingen. Er is zeker enorm veel te zeggen over de aanwezigheid van de Orthodoxie in het Westen.  De Kerk levert ons de tijdgenoten en de zaden van heropleving  ontkiemen en ontluiken in onze harten en in onze levens. De Heilige Geest maakt ons tot tijdgenoten van de verrezen Christus. Gans het liturgisch en sacramentele leven van de Kerk zal een gelijkvormigheid zijn aan het mysterie van Christus’dood en verrijzenis.Zijn dood en verrijzenis bepalen de wet zelf van ons leven en ons worden, hier en nu. Wij kennen allen het impact van de dienst van Paasnacht op hen die er kunnen aan deelnemen, orthodoxen, christenen of zelfs ongelovigen. Ik was bijzonder in de war  bij het lezen van een brief afkomstig van gevangenen in een kamp voor gedeporteerden in  het hoge Noorden van de Noordpool, aan het monasterie van de Solovki, dat een van de gruwelijkste plaatsen is geworden voor de gevangenschap van gelovigen gedurende de grote vervolging van de jaren 30. Men beschreef er de nacht-celebratie van de vigilie van Pasen, door hen waarvoor het wellicht de laatste gelegenheid was en de laatste genade om te kunnen roepen dat ‘Christus is verrezen’.


kerk1

2.Het concept van Tradititie is essentieel  in het orthodoxe leven. Een noodzakelijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen Traditie en tradities.Deze laatste zijn eerwaardig, maar relatief, locaal. In haar essentie bestaat de Traditie in de omvorming van de evangelische Boodschap  in tijd en ruimte, doorheen de categoriën van gedachten, de gevoeligheden van de naties, de culturen, in dat wat we de inculturatie noemen, iets dat tegelijk belangrijk maar delicaat is in de cultuur van een bepaalde tijd of land. Aldus zullen de grote christelijke families met hun kenmerkende liturgieën , hun theologische accenten, hun muziek en iconografie zich doorheen de geschiedenis ontwikkelen. Denken we hier aan de christenen van Irak en de semitische  talen, de antiocheense  en syrische traditie, de byzantijnse Orthodoxie en verder de  slaven en roemenen, de westerse families, romeins, milanees, celtisch, spaans. Vandaag de dag is het een franse orthodoxie die op zoek is naar zichzelf zonder de historische wortels van de locale christenheid en haar oosterse wortels te negeren. Men moet hier verduidelijken dat onze moderne maatschappijen diep getekend zijn door wat men zou
kunnen noemen : een  ‘ontwaarding’ van de traditie. Wat hierin overheerst is de continuïteit doorheen de wisseling van generaties alsook de autoriteit waarmee de traditie is bekleed om de huidige en toekomstige handelingen in goede banen te leiden. De moderniteit  toont  een definitieve breuk. Door haar ontwikkeling zelf veroorzaakt zij een breuk met de traditie, haar uitsluiting zowel op religieus, sociaal of familiaal vlak. Maar de overdracht zelf van het geloof gebeurt altijd in de Kerk, in het leven en het geweten, in het gezond verstand van de kerkelijke gemeenschap en een levendige liturgie, maar ook , en niet minder in een persoonlijke relatie door een  levendige overdracht van wat ik in de brede zin van het woord zou noemen :  een geestelijk ‘vaderschap’ (of ‘moederschap’). Wij kunnen hierbij nog verduidelijken dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen het geestelijk vaderschap in de strikte zin van het woord, als een waarachtige geboren worden in God, en anderzijds in de meest brede zin van het woord, door de uitwerking welke personen, heiligen van alle tijden , en  kerkvaders kunnen hebben in ons leven. In het verleden sinds de H.Ignatius van Antiochië of de H.Ireneüs, Basilios, de twee Grogoriussen, Johannes van Damascus, Gregorius Palamas, de spirituelen, Serafim van Sarov, Silouan de Athoniet, de heiligen dus van het verleden en het heden, deze heiligen die onder ons zijn wekken ons op en hun spirituele ‘gen’ vinden wij terug in onze eigen bestendigheid en identiteit. Ten slotte, deze kerkelijke traditie brengt ons terug naar de apostolische tijd, naar de Kerk van de apostelen en de martelaren, want de Kerk is altijd apostolisch en  de Kerk van de martelaren, en het is in de Heilige Geest dat de overdracht zich voltrekt in de trouw, zonder er iets aan toe te voegen of af te nemen.Ik zeg wel : zonder er iets aan toe te voegen. Het is op dit punt, dat de orthodoxen waakzaam moeten zijn en zich niet moeten laten overweldigen en laten inslapen door de rijkdommen van onze geschiedenis en onze tweeduizendjarige bestaan. Zij moeten in staat zijn om telkens opnieuw terug te keren naar het essentiële , dit wil zeggen, naar onze gemeenschappelijke christelijke boodschap.

3. De schoonheid. Deze derde titel zal ons misschien wat verbazen, maar het lijkt mij belangrijk om onze visie en de ervaring van de orthodoxie in verband met de schoonheid die voortvloeit uit de liturgische dienst, maar ook de innerlijke schoonheid en harmonie, die het vredige hart uitstraalt en verlicht, niet te negeren. Eén van de meest bekende verzamelingen  die de geschriften bevatten van de oosterse spirituelen, gaan terug vanaf de eerste eeuwen tot de 15e eeuw, en zijn verzameld door Nicodemus de Hagioriet in de 18e eeuw. Het is getiteld : Philocalia, dit wil zeggen : liefde voor het schone. Geheel de grote oosterse traditie van het gebed van het hart, van de aanroeping van de Naam Jezus, doorheen de strijd tegen de passies, is vervat in deze verzameling die zeer vroeg reeds in het slavisch, russisch, roemeens, en, vandaag in de meeste moderne talen waarvan ook in het frans is vertaald. Het thema van de schoonheid is zeer dikwijls verborgen gehouden in onze theologische handboeken, het volgt nochtans met kracht uit de lofprijzing van de psalmen over de schepping, uit de woorden van Jezus die zijn bewondering uitdrukt voor de lelies op het veld, en boven alles van de Schepper Zelf, die de zevende dag uitrustte van de mooie werken die Hij had geschapen. Deze schoonheid en harmonie vindt men terug in de liturgische dienst, in de gezichten van de iconen, maar niet minder ook in de vredevolle  en licht uitstralende gezichten van Christus. Maar spreken over iconen dwingt ons eraan te herinneren, dat de waarachtige icoon verborgen is in het diepste van ons hart, en deze moet men herontdekken, vernieuwen, herstellen. Zo impliceert het spreken over de liturgische dienst en de iconen hun intieme band met de innerlijke cultus, met de offerande van het hart en de onophoudelijke aanroeping van de Naam van Jezus, die wij toevertrouwen aan allen en aan de schepping in haar geheel. Het is een waarachtige voorsmaak van de helderheid en de vrede van het Koninkrijk.. Maar dit herstel van de harten en deze uitstraling achter en buiten onze kerkelijke gemeenschappen is het fundamentele werk en de gave van de Heilige Geest, van Hem waarvan de Heilige Serafim zei : ‘Verwerf een geest van vrede en duizenden zullen bij u het heil vinden’

Tot besluit: Gegrepen door het vuur van de Geest die ons aanzet om een inspanning te leveren om het eigen van de orthodoxe boodschap af te bakenen tegenover de westerse wereld en kortweg tegenover de wereld, aanroep ik tot besluit en als conclusie de Heilige Geest aan die ons  vernieuwt, ons opbouwt en ons gelijk maakt aan het beeld van Christus’ dood en verrijzenis, deze Geest die de  richting bepaalt van onze weg vanaf  de geboorte tot de dood, die ons opbouwt tot levendige en biddende gemeenschappen, en tenslotte, die ons zendt in de wereld om er de boodschap van liefde, vrede en hoop uit te dragen. Alleen het vuur van de Heilige Geest kan de wereld omarmen. Beleven wij vandaag de dag niet de pijnlijke en moeilijke coëxistentie van twee werelden , de Kerk en de omringende wereld ? Twee werelden die zodanig verwijderd zijn dat het soms lijkt alsof de goddelijke boodschap slechts met moeit kan verkondigd kan worden. Ligt de fout van deze pijnlijke coëxistentie van Kerk en wereld bij de wereld alleen ? Indien de wereld in de hel van de onwetendheid, van de zonde en het lijden verkeert, moeten wij ons toch maar herinneren, vooreerst aan ons zelf, en vervolgens aan de wereld, dat de poorten van de hel waarmee wij in aanraking komen en die een echo vindt in onszelf, dat deze poorten van de hel verbroken zijn door de onoverwinnelijke kracht van de Verrezene. Geloven wij dit werkelijk ? Geloven wij sterk in de paas-overwinneng van Christus en de roemrijke en actuele kracht van de levende Geest ? Zo is het werk van de Geest die ons gelijkvormig maakt aan Christus, die ons de liefde en het medelijden van de Vader openbaart. Door Christus en de H.Geest gaan wij naar de vader. Of zoals een russische filosoof het eens zei, ‘Ons sociaal programma, is de Heilige Geest’. Hij is volledig aan het werk in de wereld en doorheen ieder van ons. En terugkerend naar de titel van deze uiteenzetting, moeten wij misschien niet wat minder denken aan de Orthodoxie en wat meer aan het Evangelie en de Verrijzenis, moeten wij ons niet wat minder verheerlijken en ons gaan beroepen op de ‘oosterse’ rijkdommen , die maar al te dikwijls ‘slapend’ en ‘ondoeltreffend’ zijn. Vooral moeten wij getuigen zijn van Hem die gekomen is, niet om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven voor het heil van de wereld.

Vertaling : Kris B.

De Heilige Johannes Climacos(vierde zondag van de vasten)

   


  cooltext84756826

                       

Feestdag op 30 maart Gedachtenis op de IV de zondag van de grote vasten


Johannes Climakos (verkleind)

“De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien, en door uw zichten uit de diepte heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen. Zo zijt gij, onze heilige Vader Johannes, een ster geworden, die heel de wereld verlicht door uw wonderen. Bid tot Christus, onze God, om onze zielen teredden” (troparion in toon 8)

Zijn leven  

Men kan het leven van de heilige Johannes van de ladder een lofzang noemen. We kunnen hem typeren als een man van gebed en beschouwing. “Want Johannes was genaderd tot de geheime berg waartoe de niet-ingewijden geen toegang hebben, en opgevoed in de stadia van het geestelijke leven, had hij het visioen (van God) en de door Hem geschreven wet ontvangen.” Hij is een soort nieuw gemanifesteerde Mozes. Men weet weinig over zijn leven. Alles wijst er op dat hij gestorven is in het midden van de VIIde eeuw. Hij kwam zeer jong toe in de Sinaï en bleef er gans zijn leven. Hij was er gedurende vele jaren in de leer bij een geestelijke vader. Na diens dood leefde Johannes als kluizenaar in een niet zo verafgelegen maar wel eenzame grot. Hij was reeds hoog bejaard toen hij tot higoumen van het klooster werd verkozen. Hij was dit voor korte tijd en keerde terug naar het kluizenaarsleven(2)

De Ladder van de heilige Johannes Climacos  

Toen hij kloosteroverste was schreef hij zijn Ladder, “een boek dat genoemd wordt: de tafels van de spirituele weg”, “voor de opbouw van de nieuwe Israëlieten, te weten de nieuwkomers die het spirituele Egypte en de oceaan van het bestaan hadden verlaten”. Het is een systematische beschrijving van de normale monastieke weg, volgens de stadia van de spirituele volmaaktheid.
Fundamenteel hierin is precies het systeem: de idee van een logische en regelmatige voortgang in de ascetische strijd. De Ladder is geschreven in een eenvoudige, bijna volkse taal. De auteur houdt van vergelijkingen aan het dagelijkse leven ontleend, hij houdt van spreuken en gezegden. Hij schrijft zijn persoonlijke ervaring neer. Toch blijft hij steeds steunen op de traditie, op het
onderricht van de “door God geïnspireerde vaders”. Hij refereert naar de vaders uit Kappadocië, naar Nilus en Evagrius, naar de Apoftegmata en naar een Cassianus en een Gregorius de Grote in het Westen. De Ladder eindigt met een “Brief aan de herder” waar Johannes het heeft over de plichten van de kloosteroverste.

De Ladder is het te lezen boek bij uitstek en dit niet enkel in de kloosters. Het bewijs is het grote aantal kopijen in oost en in west.
Het plan van het boek is zeer eenvoudig. Het is bepaald door de logica van het hart, eerder dan door de logica van de geest (verstand). De praktische raadgevingen worden gestaafd door de psychologische analyse. Elke vereiste moet worden uitgelegd. Dit betekent dat hij die de ascese beoefent duidelijk moet weten waarom deze of gene vereiste hem aangereikt wordt en waarom dat in deze logische volgorde gebeurt. Vergeten we niet dat Johannes speciaal voor monniken schrijft en dat hij steeds de levensomstandigheden in de kloosters voor ogen heeft.

De eerste vereiste van het monachisme is te verzaken aan al wat van de wereld is. Het verzaken (aan de wereld) is slechts mogelijk door de vrijheid, de vrije wil, en deze vrijheid is de essentiële waardigheid van de mens. De zonde bestaat erin God vrijwillig af te wijzen of van zich van Hem te verwijderen. Deze ontkenning van het leven, dat is de vrijwillige dood, een soort van ingestemde zelfmoord.

De ascetische strijd bestaat erin zich tot God te keren in alle vrijheid en met heel zijn wil, bestaat erin Christus te volgen en na te volgen. Het is dus anders gezegd steeds zijn wil richten en zich naar God keren.

Het hoogtepunt van de ascese wordt beleefd in het monachisme. “De monnik is een permanent geweld aan de natuur aangedaan en het onophoudelijk bewaken van de zinnen. Het verzaken aan de wereld moet totaal en absoluut zijn: “het verwerpen van de natuur om de goederen te ontvangen die hoger zijn dan de natuur“. Dit is een zeer belangrijke tegenstelling: het “natuurlijke” wordt doorbroken ten voordele van het boven-natuurlijke en is niet vervangen door het tegen-natuurlijke. De opdracht van de ascetische strijd bestaat erin de natuurlijke vrijheid te sublimeren (op te tillen), maar dit betekent niet het bevechten van haar authentieke wetmatigheden. Het is daarom dat alleen de ware motivaties en het waarachtige doel het verzaken (aan de wereld) en de ascetische strijd rechtvaardigen.

De ascese is een middel, niet het doel. En de ascetische strijd bereikt slechts zijn volmaaktheid wanneer Jezus Zelf komt en de steen van de deur van het verharde hart komt wegrollen. Zoniet is de ascese steriel en ijdel.

De opdracht ligt niet in het verzaken zelf, maar in die vereniging met God die slechts realiseerbaar is doorheen een authentiek verzaken, te weten het vrij-komen van de wereld, Het vrij-komen van de hartstochten en neigingen, van de gehechtheden en de aantrekking van de wereld teneinde de apatheia te vinden en te verwerven. In de ascetische strijd zelf is de motor van het proces het belangrijkste: i.e. de liefde voor God en de bewuste keuze. Voor het overige kan zelfs de onvrijwillige strijd vruchtbaar zijn: verzaken naargelang de omstandigheden (het vragen). Ook als men (tot verzaken) gedwongen wordt, want de ziel kan ook plotseling ontwaken. “En welk is de wijze en trouwe monnik, die de vurigheid tot aan
het einde van zijn leven heeft bewaard zonder deze uit te doven, en die, tot op het einde van zijn leven, elke dag onophoudelijk dit vuur in het vuur aanwakkert, deze vurigheid in de vurigheid, deze ijver in de ijver en dit verlangen in het verlangen?”. Het is met andere woorden niet zozeer het los staan ten opzichte van de wereld, dan wel het brandende verlangen om naar God uit te gaan, dat van belang is. Het verzaken bereikt zijn volmaaktheid in het spirituele omzwerven. De wereld moet vreemd worden en vreemd voorkomen. “Het (geestelijk) omzwerven bestaat erin alles achter zich te laten, zonder erop terug te komen, wat, in het vaderland, ons tegenwerkt in onze inspanning voor de vroomheid.” Het is de weg naar het zo verlangde goddelijke. En het feit van zich tot vreemdeling te maken is enkel te rechtvaardigen om “de eigen gedachte onafscheidbaar te maken van God”. Anders zou de pelgrimstocht naar God een ijdele omzwerving zijn zonder doel.
 

Het (geestelijk) omzwerven moet zich niet voeden met de haat voor de wereld en voor diegenen die in de wereld blijven maar enkel met de oprechte liefde voor God. Werkelijk, deze liefde is exclusief en dooft zelf de liefde voor de ouders. En het verzaken moet onvoorwaardelijk zijn: “Trek weg uit uw land, uw ras en het huis van uw vader” (Genesis XII,1). Maar, deze “haat” voor wat in de wereld achtergelaten is, is een “haat zonder hartstocht”. Het monachisme is een  uittocht uit het “vaderland”. Dit is uit de sociale omgeving waarin ieder zich bevindt uit hoofde van zijn geboorte. Het monachisme is de verleidingen en geneugten vluchten. Men moet een nieuw milieu creëren en gunstige omstandigheden voor de ascese: “Dat uw vader diegene is die metu kan en wil zwoegen om de zware last van uw zonden te dragen”. Deze nieuwe levensorde komt tot stand in alle vrijheid. Niettemin is het belangrijk eens te meer te verzaken: nu aan de eigen wil, maar niet aan zijn vrijheid. Het gaat hier over het stadium van de gehoorzaamheid.  

Gehoorzamen is niet de vrijheid verstikken, maar de wil transfigureren, zijn neiging voor hartstochten in de wil zelf overstijgen. “De gehoorzaamheid is het graf van de eigen wil en de opstanding van de nederigheid”. Het is “een leven vreemd aan de nieuwsgierigheid” of “een daad die niet beproefd wordt”. (…) De
gehoorzaamheid wordt gerechtvaardigd door het geloof in en de hoop op de hulp van God. De onwankelbare hoop is de poort die leidt tot de passieloosheid. (…) De gehoorzaamheid is een anticipatie van de waarachtige apatheia. “De gehoorzame, als een dode, weerspreekt niet en argumenteert niet, noch ten aanzien van wat goed is, evenmin ten aanzien van wat slecht lijkt”. (…)

De innerlijke strijd gaat via het berouw. Of juister gezegd: het berouw of de droefheid over de zonden is het eigenlijke (spirituele) element dat de ascese mogelijk maakt. Het berouw is verbonden met de gedachtenis van de dood. Het gaat hier over de spirituele anticipatie van de dood en in zekere zin al een “dagelijkse dood”. De waarachtige “gedachtenis van de dood” is slechts mogelijk door de totale afwezigheid van hartstochten en het volmaakte verzaken aan de (eigen-) wil. Er is geen vrees in deze gedachte. En dit is een gave van God.

De volgende stap zijn de tranen en de tranen van vreugde. “Het berouw is de vernieuwing van het doopsel” en de tranen zijn meer dan het doopsel. “De bron van de tranen na het doopsel is meer dan het doopsel”, hoe paradoxaal dit ook moge zijn. Want de tranen zuiveren onophoudelijk de zonden die begaan worden. Er zijn tranen van vrees en tranen die de barmhartigheid afsmeken; en er zijn ook de tranen van liefde, die getuigen dat het gebed werd verhoord. “Wij zullen niet beschuldigd worden, mijn broeders, omdat wij geen wonderen hebben verricht, niet omdat wij geen theologie hebben bedreven, niet omdat wij geen visioenen hebben gehad. Maar zonder enige twijfel zullen wij rekenschap moeten geven aan God omdat wij niet zonder ophouden onze zonden hebben beweend”.

“Gij waart een bewoner van de woestijn en hebt daar geleefd
als een Engel in het vlees. Wonderbaar hebt gij allen bijgestaan,
 
heilige Goddragende Vader Johannes: door uw vasten, uw waken en uw gebed hebt gij de hemelse genadegaven ontvangen. Gij geneest de zieken en de zielen van hen die gelovig tot u komen. Ere zij Hem, Die u kracht heeft geschonken, ere zij Hem Die u gekroond heeft; ere zij Hem, Die door u aan allen genezing schenkt” (Troparion in toon 1)

De apatheia, het doel van de ascese  

Het doel van de innerlijke ascetische strijd is de apatheia te verwerven, de afwezigheid van hartstochten. De innerlijke opdracht om dit op gang te brengen herleidt zich tot het onophoudelijk doven van de hartstochten. Het is noodzakelijk erop gericht te zijn en erin te slagen om, in zichzelf, de beweging en het ontwaken van de hartstochten een halt toe te roepen.

Voor alles moeten we de neigingen tot toorn (woede) overstijgen, dit “onweer van het hart”; we moeten de afwezigheid van toorn verwerven, de zachtmoedigheid, de vrede en de stilte. Voor de heilige Johannes Climacos, is de toorn gebonden aan de eigenliefde. Daarom definieert hij de afwezigheid van toorn als “het onlesbare verlangen naar vernederingen” en de zachtmoedigheid als “een onwrikbare gesteldheid van de ziel die gelijk blijft aan zichzelf in de eer en de oneer”. Nog hoger (op de ladder) staat de volmaakte afwezigheid van wrok, naar het beeld van de zachtmoedigheid van Jezus. Men moet er zich totaal van onthouden te oordelen. “Voor hen die zondigen, bid in het geheim: deze vorm van liefde is God aangenaam”. Oordelen en veroordelen passen niet bij diegenen die zich berouwen. “Oordelen betekent zich op hoogmoedige wijze de rang van God eigen maken”. Want de mens kan niet alles kennen, en zonder alles te kennen gaat men vluchtig oordelen. “Zelfs als gij met uw eigen ogen iemand ziet die zondigt, oordeel hem niet. Want vaak gaan zelfs de ogen bedriegen”.

De heilige Johannes Climacos spreekt vaak over hoe men de zinnelijke begeerten kan overwinnen en de zuiverheid kan bereiken. De bron van de zuiverheid is in het hart. De zuiverheid overstijgt de menselijke krachten, zij is een gave van God, zelfs indien zij bekomen wordt door de ascese.

De liefde voor het geld wordt overwonnen door de bezitloosheid, wanneer wij “alle aardse zorgen terzijde stellen”. Het is een vorm van afwezigheid van de zorgen voor het aardse,afwezigheid van droefheid, en dit omwille van het geloof en de hoop.

Nog gevaarlijker is de verleiding van de hoogmoed, want de hoogmoedige wordt verleid, zelfs zonder (de verleiding van) de duivel, en hij is voor zichzelf een demon en vijand geworden. De hoogmoed wordt overwonnen door de nederigheid. De nederigheid laat zich niet met woorden omschrijven, het i
s een vorm van “onzegbare genade van de ziel” die men slechts verwerft in de eigen ervaring. We kunnen de nederigheid slechts leren bij Christus: “Leer niet van de engel, noch van de mens, noch van een boek, maar van mij, omdat ik in u woon en omdat ik u heb verlicht en omdat ik in u handel, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (cf. Mat. XI,29). In zekere zin is, voor diegenen die de ascese beoefenen, de nederigheid een vorm van blindheid met betrekking tot hun eigen deugden: “de goddelijke bescherming die ons niet toelaat onze eigen vooruitgang te zien”. In de ontwikkeling van de hartstocht, onderscheidt de heilige Johannes van de Ladder de volgende stappen. Vooreerst is er de suggestie (het voorspiegelen) of de aanval, een bepaald beeld of gedachte, “de toestroom (flux) van gedachten”. Er is nog geen zonde, want de wil neemt geen deel. “De wil treedt naar voren in de verbinding (die hij aangaat), een soort van onderhoud(gesprek, dialoog) met het beeld dat zich heeft aangediend”. En in deze interesse of deze aandacht (voor het zich aandienende beeld of gedachte) zit het begin van de zonde. Het engagement van de wil (in dit gebeuren)is echter veel belangrijker, “het instemmen van de ziel met de gedachte die zich aandient, en dit, geassocieerd met het plezier dat men erin vindt”. Later verwortelt de gedachte (de verleidende gedachte of het beeld) zich in de ziel: dit is de trede (van de Ladder) van de gevangenneming, een soort van in bezit name van het hart van het hart. Tenslotte ontstaat een terugkerende gewoonte: dit is de hartstocht in de letterlijke zin van het woord. We zien dus dat de wortel van de hartstochten eerst en vooral gelegen is in het laten varen van de wil, en ten tweede in de aanval van de verleiding doorheen de gedachte, onder de vorm van een overweging of een gedachte.

De taak van de ascese is dus dubbel. Enerzijds vereist zij dat de wil versterkt wordt (door het afsnijden van de eigenwil en door de gehoorzaamheid) en anderzijds vereist zij een uitzuivering van de gedachte. De verleiding komt van buitenaf: “van nature bestaan het kwaad en de hartstochten niet in de mens. Want God heeft geen hartstochten geschapen”. Dit wil niet zeggen dat de mens vandaag nog zuiver is. Maar hij is zuiver door de kracht van het doopsel, en hij valt opnieuw door zijn wil, maar hij zuivert zich (opnieuw en telkens weer) door het berouw en de ascese. In de natuur zelf is er een kracht gegeven, een mogelijkheid om het goede te doen. Nu de zonde is tegen de natuur. De zonde is  een perversie van de natuurlijke mogelijkheden. De taak van de mens echter bestaat er niet alleen in om de natuurlijke maat te vervullen, maar om deze te overstijgen, opdat hij zich verheft boven de natuur. Zo zijn de zuiverheid, de nederigheid, het waken, en het voortdurende berouw van het hart.

Daarom is er een synergie nodig van de vrij aangegane ascetische strijd en de Goddelijke gaven, die de mens verheffen boven de beperkingen van de natuur. Het gevecht tegen de zonde en de verleiding moet zo vroeg mogelijk beginnen, vooraleer de verleiding verhardt tot hartstocht. Maar zeldzaam zijn zij die hierin niet te laat komen. Daarom is de ascese zo moeilijk is en zo lang en op deze weg zijn er geen binnenwegen. Meer nog, de weg zelf is ook zonder einde. De liefde van God kent geen einde of (met andere woorden) het eindpunt zelf is eindeloos: “de liefde houdt niet op”. “En ook wij zullen nooit ophouden erin te groeien, noch in deze eeuw, noch in de komende eeuw. In het licht zullen wij altijd een nieuw geestelijk licht ontvangen. Ik zou zeggen dat ook de engelen, deze onlichamelijke wezens, niet zonder vooruitgang blijven, maar dat zij altijd glorie op glorie en inzicht op inzicht zullen ontvangen”.

Het eindpunt van de ascese  

Het eindpunt van de ascese ligt in de heilige stilte (), in de stilte van het lichaam en de ziel. “De stilte van het lichaam is de goede orde en harmonie van de gewoonten en de lichamelijke gevoelens. De stilte van de ziel is de goede orde van de gedachten die opkomen in de geest, en een gedachte die zich niet laat inpalmen”. Anders gezegd, (de stilte is) de innerlijke en dus ook de uiterlijke harmonie en vrede, de coherentie en de harmonie van het leven. De stilte is de waaktoestand van de ziel: “ik slaap maar mijn hart waakt” (Hooglied V,2). En deze innerlijke stilte is veel belangrijker dan alleen de uiterlijke stilte. Deze strikte waakzaamheid van het hart is belangrijk. De ware stilte is “de geest die niet beroerd wordt”. Het gaat hier over “de waakzaamheid van het hart” en “de waakzaamheid van de geest”.

De kracht van de stilte ligt in het onophoudelijke gebed (dat zich niet laat verstrooien): “de stilte is de voortdurende dienst aan God en het feit van in Zijn aanwezigheid te staan”. Of nog, de stilte overstijgt de menselijke krachten. Ook het gebed moet zich in de aanwezigheid van God volbracht worden, en zich vervolgens met Hem verenigen. Of anders gezegd, in waarheid voor God staan, dat is bidden. In de verscheiden wijzen van bidden, moet men eerst en vooral dankzeggen, zich dan zondig erkennen voor Hem, tenslotte vragen. Het gebed moet altijd eenvoudig zijn en uit weinig woorden bestaan. Het hoogste gebed bestaat uit de éen-woord-aanroeping van de naam van Jezus. Het gebed moet eerder gelijken op het eenvoudige en herhaaldelijke gebrabbel van het kind dan op een intelligente en gekunstelde redevoering. De vloed aan woorden in het gebed verstrooit en brengt de dromerij binnen in de geest. En als er iets gevaarlijk is in het gebed, dan is de “sentimentele dromerij”. De gedachte moet altijd beteugeld worden en opgesloten worden in de woorden. Alle “gedachten” en “beelden” (fantasieën) moeten met waakzaamheid afgesneden worden. Men moet zijn geest concentreren. “Want indien hij doolt zonder remming, dan zal hij nooit met U vertoeven”. Het gebed is een rechtlijnig gericht zijn op God, het gebed is vreemdeling zijn ten aanzien van de zichtbare en de onzichtbare wereld”. Tot volmaaktheid gekomen, wordt het gebed een geestelijke gave, een soort van neerdaling van de Geest, handelend in het hart. Dan bidt de Geest in diegene die deze staat van gebed heeft bereikt. Dan vallen gebed en stilte in zekere zin samen. En deze zelfde geestelijke toestand kan als apatheia omschreven worden. Want ook de apatheia is eveneens gericht op God, en zij geeft zich vrijwillig over aan Hem. “Sommigen zeggen nog dat de apatheia de verrijzenis van de ziel is vór de verrijzenis van het lichaam”. Voor de rest wordt het lichaam zelf, bij het bereiken van de apatheia, onbederfelijk. Dit is wat men verstaat onder het verwerven van de geest van de Heer (cf.1 Cor.II,16). “In de ziel weerklinkt de onzegbare stem van God zelf, waarbij Hij zijn wil bekend maakt, en dit is al hoger dan elk menselijk onderricht”. Het is voor deze werkelijkheid dat de dorst voor de onsterfelijke schoonheid ontvlamt. “Hij die de stilte heeft bereikt, die heeft de diepte van de mysteries gekend”. De heilige Johannes Climacos aanschouwt de dynamische spanning naar de geestelijke wereld en wordt deze gewaar. In de wereld der engelen is er ook een spanning naar de hoogte der serafijnen. De ascetische strijd van de mens omvat ook de hunkering naar de hoogten der engelen en naar de “levenswijze van de geestelijke machten”. De apatheia is het eindpunt én de gegeven opdracht. Allen bereiken dit eindpunt niet, maar zij die het niet hebben bereikt kunnen even goed aan hun verlossing werken. Want het belangrijkste is er naar te verlangen. De drijvende kracht van de ascese is de liefde. De volheid van de ascese bestaat in het verwerven van de liefde. In de liefde zi
jn er gradaties die wij niet volledig kunnen kennen, want Liefde is de Naam van God zelf. Daarom is het dat, in haar volheid, de liefde onuitsprekelijk is. “Het woord over de liefde is door de engelen gekend, maar
ook voor hen, in de mate van hun verlichting”. De apatheia en de liefde zijn verschillende namen van de ene volmaaktheid. De liefde is tegelijk de weg en het eindpunt. “Gij hebt mijn ziel verwond en mijn hart verdraagt Uw vlam niet. Ik ga mijn weg terwijl ik U bezing”. In de fragmentarische en sobere aforismen (spreuken) van de heilige Johannes Climacos over de liefde, voelen wij hoe dicht dit aanleunt bij de mystiek van het Corpus Areopagiticum. (cf. de betrokkenheid tussen de menselijke wereld en die van de engelen). Bijzonder is dat de heilige Johannes Climacos minder spreekt over de superieure stadia en etappes en hierin zo karig wordt met zijn woorden. Hij schrijft voor de beginnelingen en de gevorderden. De volmaakten hebben geen adviezen en geen menselijke gids meer nodig. Zij bezitten reeds de innerlijke zekerheid en evidentie. Bovendien verliezen in de superieure stadia de woorden zelf hun kracht en voldoen ze niet meer. Deze stadia zijn nauwelijks te beschrijven. Het is reeds de hemel op aarde, die opengaat in de ziel. Het is de woning van God zelf in de ziel. Icoon uit het Sinaïklooster : 12e eeuw “Het gebed van hij die werkelijk bidt is het gericht, het oordeel en de troon van de Rechter voor het Laatste Oordeel”. Of nog: het is het anticiperen van de toekomst. “En deze gelukzalige ziel draagt in zich het altijd aanwezige Woord. Dit Woord is het dat hem inwijdt in de mysteries van God, hem onderricht en verlicht”. Hier bevindt zich de top van de ladder die zich verbergt in de hemelse hoogten. Russische Icoon : 17e eeuw “Als een leidende ster die niet kan dwalen heeft de Heer u hoog aan het firmament der onthouding geplaatst, om uw licht te doen schijnen tot aan de einden der wereld, onze Leraar en Vader Johannes” (kondakion in toon 4)

Schematisch presenteert Bisschop Kallistos (Timothy Ware) de dertig trappen als volgt:  

1. verzaking 2. onthechting 3. vreemdelingschap4.gehoorzaamheid 5. boete 6. gedachte aan de dood 7. rouwmoedigheid 8. toorn 9. wrok 10. kwaadsprekerij 11.veelpraterij 12. leugen 13. lusteloosheid 14. gulzigheid 15. onkuisheid 16-17. geldzucht 18-20. gevoelloosheid 21. ijdelheid 22. hoogmoed 23. godslastering 24. eenvoud 25. nederigheid 26. onderscheiding 27. stilheid 28. gebed 29. hartstochtloosheid 30. liefde.

VOETNOTEN :
(1).uit “les pères byzantins du Vème au VIIIème siècles, les pères ascètes” cours de l’institut de théologie orthodoxe Saint-Serge de Paris, 1997, traduit du russe par Françoise Lhoest. Vader Georges Florovski, geboren in Odessa in 1893, was assistent professor aan de universiteit van Odessa in 1919. Na Rusland te hebben verlaten onderwees hij filosofie in Praag van 1922 tot 1926. Toen werd hij uitgenodigd tot een leerstoel van patrologie aan het theologische instituut Saint-Serge te Parijs. In 1948 kwam v. Florovski aan in de Verenigde Staten. Hij was er professor en dekaan van Saint Vladimir’s theological school tot in 1955, terwijl hij ook onderwees als adjunct professor aan de Columbia University en Union Theological Seminary. Van 1956 tot 1964 hield hij de leerstoel van Oosterse Kerkgeschiedenis aan de Harvard University. Sinds 1964 tot 1972 onderwees hij Slavische studies en geschiedenis aan de Princeton University. Hij overleed in 1979.

(2)Voor een volledige biografie en analyse van het werk en vertaling van `de Ladder’ zie “Johannes Climacus, de Geestelijke Ladder” in Monastieke cahiers nr. 50 door Drs. Paul Gillis, uitgaven Abdij Bethlehem, B-2820 Bonheiden,
2002.

Vader Dominique