Overdenking van de week : Het WOORD : DE DRIEEENHEID
In den beginne woonde
Het Woord : het leefde in God,

En in Hem bezat het
Zijn eindeloos geluk.
Het Woord was zelve God,
Want het heette ‘Albegin’
Het woonde in den beginne
En had zelf geen begin.
Hij Zelve was Begin;
Daarom dierf Hij begin :
Geboren van de Oorsprong,
Heet het Woord ‘de Zoon’.
Altijd had Hij het ontvangen
En ontvangt het altijd weer;
Altijd geeft Hij het zijn wezen
En behoudt het daarbij zelf.
Zo is de glorie van de Zoon
Dezelfde die de Vader heeft
En gans zijn glorie heeft de Vader
Gelegd in Hem, zijn Zoon.
Evenals beminde en minnaar
Zo woont elk van Beiden in de Ander,
En de liefde die Hen één maakt
Is volkomen eender minnen,
Waarbij de éne die van de Ander
Evenaart in kracht en wezen:
Drie Personen, en toch is er
Onder Haar slechts één beminde.
En in Haar : die éne liefde
En één Minnaar die ze voortbrengt,
En de Minnaar is ’t beminde,
Waarin elk van Haar het zijn heeft.
’t Zijn toch dat de Drie bezitten
is aan elk van Drieën eigen;
en elkéén der Drie omvat in
minne wat haar zijn in Zich heeft.
Dit zijn is aan elk eenmalig,
En dit zijn alleen verenigt
Haar in een onzegbaar één-zijn,
Waar geen woord voor is te vinden.
Zo dan is oneindig groot de
Liefde die Haar heeft verbonden,
Wijl in Drie één éne liefde
Die haar wezenheid bepaald heeft:
Liefde immers is méér liefde
Naar mate dat zij één is
(Heilige Johannes van het Kruis)
