Twee aspecten van de Kerk

TWEE ASPECTEN VAN  DE KERK

  

 

(uit : essai sur la théologie mystique

de l’église d’Orient’ Vladimir Lossky – hst. IX – pp. 171 vv.)

 

 

 

                        De rol van de twee goddelijke personen, gezonden in de wereld is niet dezelfde,alhoewel de Zoon en de Heilige Geest op aarde hetzelfde werk vervullen : zij scheppen de Kerk welke de vereniging met god voltrekt. (zoals wij hebben gezegd), de Kerk is terzelfdertijd het lichaam van Christus en de volheid van de Heilige Geest., ‘alles in allen vervullend’. De eenheid van het lichaam heeft betrekking tot de natuur, die verschijnt als ‘de enige mens’in Christus; de volheid van de Heilige Geest heeft betrekking op de personen, op de veelheid van menselijke hypostases, waarvan elk een alles en niet alleen een deel vertegenwoordigt.Zo zal de mens tegelijk een deel, een lid van het lichaam van Christus zijn dor zijn natuur, maar ook, als persoon, een zijn die in zich het ‘al’ bevat. De Heilige Geest die als een koninklijke zalving rust over de menselijkheid van de Zoon, hoofd van de Kerk, zich mededelend aan elk lid van dit lichaam,schept , om het zo te zeggen, meerdere Christussen, meerdere gezalfden van de Heer : personen op weg naar de déificatie naast de Goddelijke persoon. De Kerk als zijnde het werk van Christus en van de Heilige Geest. De ecclesiologie heeft een dubbel fundament, zij is geworteld zowel in de christologie als in de pneumatologie.

 

            Pater Y Congar bevestigt in zijn boek over de gescheiden Christenen, dat ‘ de oosterse gedachte in verband met de ecclesiologie, vanaf het begin, voor ogen heeft dat wat het inhoudelijk leert over de goddelijke realiteiten, veeleer dan zijn aardse aspect en zijn menselijke implicaties.De innerlijke realiteit van de eenheid in het geloof en in de liefde, veeleer dan de concrete eisen van de kerkelijke communio. Men heeft de relatief zwakke ecclesiologie van de Griekse Vaders opgemerkt, zegt hij. De waarheid is dat zij in grote mate blijven steken zijn  in een christologie en meer nog in een pneumatologie, de Kerk ziende in Christus en in de Heilige Geest, veeleer dan in zijn kerk-zijn als dusdanig’.

 

            ‘Pater Congar heeft in zekere zin gelijk : de oosterse theologie beschouwd de kerk nooit buiten Christus en de Heilige Geest. Nochtans, dit is zeker geen zwakheid in de benadering van de ecclesiologie : dit betekent veeleer dat voor de oosterse ecclesiologie ‘ het Kerk-zijn’ als zodanig uiterst complex is : zij is niet van deze wereld, alhoewel zij genomen is uit deze wereld, bestaande in de wereld en voor de wereld. De Kerk kan dus niet herleid worden zuiver en alleen tot zijn ‘aards aspect’ en tot de ‘menselijke implicaties’, zonder zijn ware natuur te verloochenen die ze onderscheidt van elke andere menselijke gemeenschap. Pater Congar zoekt tevergeefs in de oosterse dogmatische traditie een sociologie van de Kerk en laat, zonder het te merken, de buitengewone canonische rijkdom van de orthodoxe Kerk, terzijde : de zo verscheidene canons, de buitengewone en schitterende byzantijnse commentatoren zoals Aristide, Balsamon, Zonaras, de moderne canonische literatuur. De canons die het leven van de Kerk in haar aards aspect regelen, zijn onscheidbaar van de christelijke dogma’s. Het zijn geen juridische statuten om het zo te zeggen, maar toepassingen van de kerkelijke dogma’s, van de geopenbaarde traditie, op elk vlak van de moderne samenleving.

In het licht van deze canons verschijnt deze maatschappij als een  ‘totalitaire collectiviteit’, waar ‘het recht van de individuen’ niet bestaat; maar tezelfdertijd is elke persoon in dit lichaam het doel en kan het niet beschouwd worden als een middel. Het is de enige gemeenschap waar de harmonie van de individuele belangen  met deze van de collectiviteit geen onoplosbaar probleem vormt, want de uiterste verzuchtingen van elkeen komen overeen met het hoogste doel van allen, en dit laatste kan niet gerealiseerd worden ten koste van de belangen van iemand anders.

 

            Het gaat hier niet, om het zo te zeggen,over individuën en collectiviteiten, maar om menselijke personen, die hun volmaaktheid slechts kunnen bereiken in de eenheid   van natuur. De incarnatie is het fundament van deze eenheid van natuur ; het Pinksteren is de bevestiging van de veelheid van personen in de Kerk.

 

            Op het vla
k van de ecclesiologie, bevinden wij ons opnieuw voor het onderscheid tussen de natuur en de personen, onderscheid dat wij voor de eerste maal gezien hebben toen wij het dogma hebben onderzocht van de Drieeenheid in de oosterse traditie. Dit is niet verwonderlijk, want zoals Gregorius van Nyssa het zegt : ‘ Het Christendom is een immitatie van de goddelijke natuur’.(1) De Kerk is een beeld van de Heilige Drieeenheid. De Vaders herhalen het voortdurend, de canons bevestigen het, – bij voorbeeld, de beroemde canon 34 van de Apostolische Regels’  die de synodale administratie organiseertt van de metropolitaanse provincies, ‘ opdat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest worden verheerlijkt’ in de orde zelf van het kerkelijk leven.Het is in het licht van het dogma van de Heilige Drieeenheid dat de meest bewonderenswaardige eigenschap van de Kerk – deze van de katholiciteit – zich manifesteert in zijn ware betekenis, strikt christelijk, die niet kan vertaald worden door de abstracte term van ‘universaliteit’.Want de strikte betekenis van het woord ‘katholiciteit’ bevat niet alleen de eenheid, maar ook de veelheid ; het duidt een overeenkomst aan tussen de twee of, veeleer, een zekere gelijkheid van de eenheid met de veelheid, die maakt dat de Kerk katholiek is in zijn geheel, zoals  ook in elk van zijn delen. De volheid van alles is niet een som der delen, elk deel bezit dezelfde volheid van het ‘alles’.Het mirakel van de katholiciteit openbaart  in het leven zelf van de Kerk de orde van leven eigen aan de Heilige Drieeenheid. Het dogma van de Drieeenheid , ‘katholiek’ bij uitstek is het model, de ‘canon’ van alle canons van de Kerk, het fundament van elke kerkelijke economie. Wij zullen de kwesties van canonische orde hier terzijde laten, ondanks het belang dat een studie over de intieme band tussen het trinitaire dogma en de administratieve structuur van de orthodoxe Kerk zou kunnen hebben. Dit zou ons te ver verwijderen van ons onderwerp die zich richt op theologische elementen die betrekking hebben op de vraag naar de eenheid met God. Het is alleen vanuit dit standpunt dat wij ons voornemen de oosterse ecclesiologie te bestuderen : De Kerk, als het milieu waar zich de vereniging van de menselijke personen met God realiseert. (p174-midden)

 

Vrij vertaald : Kris Biesbroeck

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie