Uit de oude doos : foto’s van de Athos….

 

 

athos1 001 (511 x 341)

 

 

 

 


Map van de berg Athos, gepubliceerd door AVPaschas, Ethene 1915-1916: 

athos1 002 (393 x 591)

 

 

 

 

 


 
Berg Athos vanuit het Westen.Onbekende publicist,1897-1898: 

 

athos1 003 (635 x 424)

 

 

 
De berg Athos vanuit het Oosten : -Juda S.Varsano, Thessaloniki,1904:

athos1 004 (664 x 443)

 

 

 
Monasterie van de Heilige Panteleimon : Juda S.Versano, Thessaloniki, 1904:

athos1 005 (594 x 396)

 

 

 
Monasterie Simonas Petra : Stephano Stournaras, Volos,1908:

athos1 006 (290 x 193)

 
Monasterie Zographou : G.Bader,1902:

athos1 007 (651 x 434)

 

 

 
Monasterie Simonospetra. Monniken met de nieuwe klokken na de brand van het katholikon, 1896:

athos1 008 (297 x 446)

 

 

 
De Oecumenische Patriarch Joakim III tijdens zijn bezoek aan de Athos
1900:

athos1 009 (439 x 659)

 

 
 

 
De Metropoliet van Athene bezoekt de Athos, vergezeld van een Athonietische politieman. Kafsokalyvia, 1908 :

athos1 010 (400 x 600)
 
 

 
De eerste celebratie van Pasen na de bevrijding van de Turken.1913:

athos1 012 (667 x 444)

 

 

 


 

 

Bezoek van de metropoliet van Thessaloniki Gennadios aan de Heilige Communio/Vatopadi klooster /1914 :

athos1 013 (293 x 195)
 

 
 
Drie monniken met soldaten van de Duitse bezettingsmacht.Karyes, Pasen 1941:

athos1 014 (674 x 448)

 

 


 

 

 

De priester-monnik van de skyte St.Anna (1895-1950) met een baard die reikt tot de grond.:

athos1 015 (429 x 645)

 

 

 

 

 


 

 

De diaken-monnik Nikandros van Vatopedi. Rond 1870.:

athos1 016 (394 x 591)
 
 

 
De abt van Simonos Petra en zijn opvolger met een kist relikwieën,voor een inzameling van fondsen om het monasterie te herbouwen.Ca1889

athos1 017 (411 x 616)
 

 
 
Serdarides, de gendarmen van de Athos.Begin 20e eeuw::

athos1 018 (665 x 443)

 

 

 
In de hoofdstraat van Karyes (hoofdstad). 1883

athos1 (680 x 453)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

Karyes (hoofdstad) : (Stefanos Stournaras, Volos)1916

 

 PELGRIMSTOCHT naar de ATHOS -November 2006

PICT3929 (486 x 648)
Vertrek vanuit Ouranopolis

 

PICT3934 (648 x 486)

 

op weg naar de Athos

PICT3935 (648 x 486)

 

PICT3942 (648 x 486)

 

PICT3943 (648 x 486)

 

klooster Panteleimon vanop de boot

PICT3947 (648 x 486)

 

We komen aan ons eerste klooster : Panteleimon (Het Russisch klooster)

 

 

PICT3949 (648 x 486)

zicht op de klokketoren van Panteleimon (detail)

PICT3951 (648 x 486)

 

de kloostergebouwen

PICT3953 (648 x 486)

 

PICT3954 (486 x 648)

 

PICT3955 (648 x 486)

 

PICT3956 (648 x 486)
PICT3957 (648 x 486)

Paul en Bert aan het strand (Boven)

Kris en Bert (boven)

 

detail van het klooster Xenofontos : ons tweede klooster

PICT3960 (648 x 486)
Onze logeerkamer
PICT3963 (648 x 486)

PICT3969 (648 x 486)

 

 

De cellen van de monniken

PICT3971 (648 x 486)

 

Detail van het kloostergebouw Xenofontos

 

PICT3974 (648 x 486)

 

Xenofontos : ingang

 

PICT3980 (648 x 486)

 

PICT3981 (648 x 486)

 

Fresco’s in Xenofontos

PICT3982 (648 x 486)

 

PICT3983 (648 x 486)

 

PICT3985 (648 x 486)

 

De hoofdkerk van Xenofontos

PICT3992 (648 x 486)

 

 

PICT4001 (648 x 486)

 

In het haventje van de Athos – op weg naar Simonos Petra

 

PICT4002 (648 x 486)

 

 

PICT4009 (648 x 486)

 

De berg Athos (boven)

PICT40
12 (486 x 648)

 

 

 

 

Het monasterie Simonos Petra : ons derde klooster(boven en onder)

PICT4016 (486 x 648)

 

Begin van de klim naar het klooster

PICT4018 (648 x 486)

 

PICT4019 (648 x 486)

 

PICT4023 (648 x 486)

 

PICT4025 (648 x 486)

 

PICT4027 (648 x 486)

 

Onze logeerkamer in Simonos Petra

PICT4034 (648 x 486)

 

Een prachtig monasterie !!!

 

PICT4036 (648 x 486)

 

 

 

PICT4038 (648 x 486)

 

PICT4042 (648 x 486)

 

De Kerk van Simonos Petra : het katholikon

PICT4044 (648 x 486)

‘Hoe groot zijn Uw werken o Heer, Gij hebt alles met wijsheid gemaakt’

 

 

PICT4045 (648 x 486)

 

PICT4050 (648 x 486)

 

PICT4053 (648 x 486)

 

PICT4054 (648 x 486)

 

De auto van het monasterie om pelgrims op te halen – let op het kenteken :AO

PICT4064 (648 x 486)

 

Nogmaals de berg Athos

PICT4068 (648 x 486)

 

Terug in Ouranopolis : kennismaking met een Griekse vrouw..(en met onze eenzame vrouwen).

PICT4069 (648 x 486)

 

PICT4072 (648 x 486)

 

Maar ondertussen verbleven onze vrouwen in dit prachtig hotel !!

 

 

 

DE 12 GROTE FEESTEN BINNEN DE ORTHODOXIE

Pasen is hét feest der feesten. Daarbuiten worden er nog 12 andere feesten met luister gevierd. Deze zijn :

Pasen : het feest der feesten

OLYMPUS DIGITAL CAMERA


De geboorte van de Moeder Gods (8 september)

geboorte van Maria


De Kruisverheffing (14 september)

kruisverheffing

Opdracht van Maria in de Tempel (21 november)

opdracht van maria in de tempel14

Geboorte van Christus (25 december

geboorte van Jezus

Doopsel van Christus (6 januari)

doop van jezus2222

Opdracht van Jezus in de Tempel (2 februari)

Opdracht van Jezus in de tempel8

Bezoek van Engel Gabriël aan Maria

(25 maart)

bezoek van de engel aan Maria555

Intocht van Jezus in Jerusalem

(1 week voor Pasen)

intocht in jerusalem1

Hemelvaart van Christus

(40 dagen na Pasen)hemelvaart258


Pinksteren

(50 dagen na Pasen)

pinksteren 11

Transfiguratie op de Tabor

6 aug)

transfiguratie8

Ontslaping Moeder Gods

(15 augustus)

ontslaping moeder Gods11


DE KERK:

Na de zondenval verloor de mens Gods genade, hij verloor de band met God, met de Waarheid. Christus is de nieuwe Adam.De nakomelingen van Adam moeten de band met deze nieuwe Adam herstellen. Slechts in Christus vindt de mens het heil.

Wat is echter deze Waarheid, die Christus ons bracht, en waar wordt deze waarheid onvervalst bewaard ?

Het antwoord vinden wij in de Schrift, de Bijbel, waar de Kerk ‘ de zuil en de grondvesting van de Waarheid wordt genoemd’ (1 Tim.3,15)

De mens verlangt naar de Waarheid, dit wil zeggen, naar Christus – de mens geworden orthodoxie – en dit kan alleen via de Kerk, Zijn lichaam. De verlossing kunnen we alleen via de Kerk bekomen. In de Kerk vindt de mens zijn ware bestaan. Daarin vindt de mens opnieuw contact met God. In de Kerk vindt de mens de zin van zijn leven terug, en vooral zijn ware verhouding tot de overige mensheid en de schepping. De Apostel Paulus noemt de Kerk ‘ vervuld met Hem die alles in allen volmaakt’ . (Ef.1,21)

De verlossing, die Jezus ons gebracht heeft zet zich doorheen de geschiedenis verder. Daarom noemt Augustinus de Kerk ‘ de in de eeuwigheid voortzetting van Christus. Dat betekent , dat de Kerk Christus IS, die ook na zijn opstanding en hemelvaart, die wereld, door Zijn Heilige Geest ,verlost.

Er is geen Kerk zonder Christus, en er is geen Christus zonder de Kerk.

Christus als de volmaakte waarheid – orthodoxie, voert ons door de Kerk tot ons heil. Zo is de Kerk het fundament van de Waarheid.

Een Kerkvader noemde de Kerk de ‘samenkomst van de Rechtgelovigen’

De Kerk moet de Waarheid onvervalst bewaren. Daarom heeft de Kerk in haar geschiedenis al haar krachten gewijd om ketterijen te bekampen. De vervolgingen van de eerste kerk hebben de eenheid van de Kerk in het bewaren van de Waarheid niet bedreigd, integendeel, de vervolgingen hielpen de Kerk om nieuwe krachten op te doen. De ketterijen en dwaalleringen hebben haar echter veel pijn en lijden aangedaan, omdat een ketterij niets anders is dan een afwijking van de Waarheid. Zij bedreigt de Kerk door het lichaam van Christus, de Kerk in verdeeldheid te brengen, dus Christus zelf. Een Christen die niet volledig is, die niet de volle en ‘vleesgeworden  Waarheid’ is, is niet de reddende Christus.

De ketters hebben niet de ganse waarheid  verworpen, zij hebben Christus niet verworpen, maar zij hebben Hem ook niet in zijn heelheid, maar slechts in een deel van Hem aanvaardt. Arius bijvoorbeeld wees de menselijke natuur van Christus niet af, maar wel Zijn goddelijke natuur. Anderen aanvaardden dan weer zijn goddelijke natuur, maar wezen de menselijke natuur af.

De Kerkelijke Waarheid vormt een eenheid en volledigheid. De ketterij echter probeert de Waarheid van de kerkelijke overlevering op een fragmentarische wijze het bestaan van de gevallen mensheid te onderwerpen.

Zo had de strijd van de heilige Kerkvaders tegen de ketterijen tot doel, de ganse Waarheid te beschermen, wat heel belangrijk is voor de redding van de mensheid. Anderzijds om de mensen zelf in de Ark van de Kerk, het Lichaam van Christus te houden.

De Kerk moet de overlevering van het geloof, zoals ze tot haar gekomen is, waar, zuiver en onvervalst bewaren . Anders wordt de Kerk een gewone menselijke organisatie of een politieke ideologie, en dit heeft niets meer met Christus Zijn kruisdood en Zijn verlossing te maken.

*********************************************************

Didachè in het ITALIAANS

LA DIDACHE’

DOTTRINA DEI DODICI APOSTOLI

Dottrina del Signore (predicata) ai gentili per mezzo dei dodici Apostoli.

CAPITOLO 1

1. Due sono le vie, una della vita e una della morte, e la differenza è grande fra queste due vie.

2. Ora questa è la via della vita: innanzi tutto amerai Dio che ti ha creato, poi il tuo prossimo come te stesso; e tutto quello che

non vorresti fosse fatto a te, anche tu non farlo agli altri.

3. Ecco pertanto l’insegnamento che deriva da queste parole: benedite coloro che vi maledicono e pregate per i vostri nemici;

digiunate per quelli che vi perseguitano; perché qual merito avete se amate quelli che vi amano? Forse che gli stessi gentili non

fanno altrettanto? Voi invece amate quelli che vi odiano e non avrete nemici.

4. Astieniti dai desideri della carne. Se uno ti dà uno schiaffo sulla guancia destra, tu porgigli anche l’altra e sarai perfetto; se

uno ti costringe ad accompagnarlo per un miglio, tu prosegui con lui per due. Se uno porta via il tuo mantello, dagli anche la

tunica. Se uno ti prende ciò che è tuo, non ridomandarlo, perché non ne hai la facoltà.

5. A chiunque ti chiede, da’ senza pretendere la restituzione, perché il Padre vuole che tutti siano fatti partecipi dei suoi doni.

Beato colui che dà secondo il comandamento, perché è irreprensibile. Stia in guardia colui che riceve, perché se uno riceve per

bisogno sarà senza colpa, ma se non ha bisogno dovrà rendere conto del motivo e dello scopo per cui ha ricevuto. Trattenuto

in carcere, dovrà rispondere delle proprie azioni e non sarà liberato di lì fino a quando non avrà restituito fino all’ultimo

centesimo.

6. E a questo riguardo è pure stato detto: “Si bagni di sudore l’elemosina nelle tue mani, finché tu sappia a chi la devi fare”.

 

CAPITOLO 2

1. Secondo precetto della dottrina:

2. Non ucciderai, non commetterai adulterio, non corromperai fanciulli, non fornicherai, non ruberai, non praticherai la magia,

non userai veleni, non farai morire il figlio per aborto né lo ucciderai appena nato; non desidererai le cose del tuo prossimo.

3. Non sarai spergiuro, non dirai falsa testimonianza, non sarai maldicente, non serberai rancore.

4. Non avrai doppiezza né di pensieri né di parole, perché la doppiezza nel parlare è un’insidia di morte.

5. La tua parola non sarà menzognera né vana, ma confermata dall’azione.

6. Non sarai avaro, né rapace, né ipocrita, né maligno, né superbo; non mediterai cattivi propositi contro il tuo prossimo.

7. Non odierai alcun uomo, ma riprenderai gli uni; per altri, invece, pregherai; altri li amerai più dell’anima tua.

 

CAPITOLO 3

1. Figlio mio, fuggi da ogni male e da tutto ciò che ne ha l’apparenza.

2. Non essere iracondo, perché l’ira conduce all’omicidio, non essere geloso né litigioso né violento, perché da tutte queste

cose hanno origine gli omicidi.

3. Figlio mio, non abbandonarti alla concupiscenza, perché essa conduce alla fornicazione; non fare discorsi osceni e non

essere immodesto negli sguardi, perché da tutte queste cose hanno origine gli adultéri.

4. Non prendere auspici dal volo degli uccelli, perché ciò conduce all’idolatria; non fare incantesimi, non darti all’astrologia né

alle purificazioni superstiziose, ed evita di voler vedere e sentire parlare di simili cose, perché da tutti questi atti ha origine

l’idolatria.

5. Figlio mio, non essere bugiardo, perché la menzogna conduce al furto; né avido di ricchezza, né vanaglorioso, perché da

tutte queste cose hanno origine i furti.

6 Figlio mio, non essere mormoratore, perché ciò conduce alla diffamazione; non essere insolente, né malevolo, perché da tutte

queste cose hanno origine le diffamazioni.

7. Sii invece mansueto, perché i mansueti erediteranno la terra.

8. Sii magnanimo, misericordioso, senza malizia, pacifico, buono e sempre timoroso per le parole che hai udito.

9. Non esalterai te stesso, non infonderai troppo ardire nel tuo animo; né l’animo tuo si accompagnerà con i superbi, ma andrà

insieme ai giusti e agli umili.

10. Tutte le cose che ti accadono accoglile come dei beni, sapendo che nulla avviene senza la partecipazione di Dio.

 

CAPITOLO 4

1. O figlio, ti ricorderai notte e giorno di colui che ti predica le parole di Dio e lo onorerai come il Signore, perché là donde è

predicata la (sua) sovranità, è il Signore.

2. Cercherai poi ogni giorno la presenza dei santi, per trovare riposo nelle loro parole.

3. Non sarai causa di discordia, ma cercherai invece di mettere pace tra i contendenti; giudicherai secondo giustizia e non farai

distinzione di persona nel correggere i falli.

4. Non starai in dubbio se (una cosa) avverrà o no.

5. Non accada che tu tenda le mani per ricevere e le stringa nel dare.

6. Se grazie al lavoro delle tue mani possiedi (qualche cosa), donerai in espiazione dei tuoi peccati.

7. Darai senza incertezza, e nel dare non ti lagnerai; conoscerai, infatti, chi è colui che dà una buona ricompensa.

8. Non respingerai il bisognoso, ma farai parte di ogni cosa al tuo fratello e non dirai che è roba tua. Infatti, se partecipate in

comune ai beni dell’immortalità, quanto più non dovete farlo per quelli caduchi?

9. Non ritirerai la tua mano di sopra al tuo figlio o alla tua figlia, ma sin dalla tenera età insegnerai loro il timor di Dio.

10. Al tuo servo e alla tua serva che sperano nel medesimo Dio non darai ordini nei momenti di collera, affinché non perdano il

timore di Dio, che sta sopra gli uni e gli altri. Perché egli non viene a chiamarci secondo la dignità delle persone, ma viene a

coloro che lo Spirito ha preparato.

11. Ma voi, o servi, siate soggetti ai vostri padroni come a una immagine di Dio, con rispetto e timore.

12. Odierai ogni ipocrisia e tutto ciò che dispiace al Signore.

13. Non trascurerai i precetti del Signore, ma osserverai quelli che hai ricevuto senza aggiungere o togliere nulla.

14. Nell’adunanza confesserai i tuoi peccati e non incomincerai mai la tua preghiera in cattiva coscienza. Questa è la via della

vita.

 

CAPITOLO 5

1. La via della morte invece è questa: prima di tutto essa è maligna e piena di maledizione: omicidi, adultéri, concupiscenze,

fornicazioni, furti, idolatrie, sortilegi, venefici, rapine, false testimonianze, ipocrisie, doppiezza di cuore, frode, superbia, malizia,

arroganza, avarizia, turpiloquio, invidia, insolenza, orgoglio, ostentazione, spavalderia.

2. Persecutori dei buoni, odiatori della verità, amanti della menzogna, che non conoscono la ricompensa della giustizia, che non

si attengono al bene né alla giusta causa, che sono vigilanti non per il bene ma per il male; dai quali è lontana la mansuetudine e

la pazienza, che amano la vanità, che vanno a caccia della ricompensa, non hanno pietà del povero, non soffrono con chi soffre,

non riconoscono il loro creatore, uccisori dei figli, che sopprimono con l’aborto una creatura di Dio, respingono il bisognoso,

opprimono i miseri, avvocati dei ricchi, giudici ingiusti dei poveri, pieni di ogni peccato. Guardatevi, o figli, da tutte queste

colpe.

 

CAPITOLO 6

1. Guarda che alcuno non ti distolga da questa via della dottrina, perché egli ti insegna fuori (della volontà) di Dio.

2. Se infatti puoi sostenere interamente il giogo del Signore, sarai perfetto; se non puoi fa’ almeno quello che puoi.

3. E riguardo al cibo, cerca di sopportare tutto quello che puoi, ma comunque astieniti nel modo più assoluto dalle carni

immolate agli idoli, perché (il mangiarne) è culto di divinità morte.

 

CAPITOLO 7

1. Riguardo al battesimo, battezzate così: avendo in precedenza esposto tutti questi precetti, battezzate nel nome del Padre, del

Figlio e dello Spirito Santo in acqua viva.

2. Se non hai acqua viva, battezza in altra acqua; se non puoi nella fredda, battezza nella calda.

3. Se poi ti mancano entrambe, versa sul capo tre volte l’acqua in nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo.

4. E prima del battesimo digiunino il battezzante, il battezzando e, se possono, alcuni altri. Prescriverai però che il battezzando

digiuni sin da uno o due giorni prima.

 

CAPITOLO 8

1. I vostri digiuni, poi, non siano fatti contemporaneamente a quelli degli ipocriti; essi infatti digiunano il secondo e il quintogiorno della settimana, voi invece digiunate il quarto e il giorno della preparazione.

2. E neppure pregate come gli ipocriti, ma come comandò il Signore nel suo vangelo, così pregate:

Padre nostro che sei nel cielo,

sia santificato il tuo nome,

venga il tuo regno,

sia fatta la tua volontà, come in cielo così in terra.

Dacci oggi il nostro pane quotidiano,

e rimetti a noi il nostro debito,

come anche noi lo rimettiamo ai nostri debitori,

e non ci indurre in tentazione,

ma liberaci dal male;

perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

3. Pregate così tre volte al giorno.

 

CAPITOLO 9

1. Riguardo all’eucaristia, così rendete grazie:

2. dapprima per il calice: Noi ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la santa vite di David tuo servo, che ci hai rivelato per

mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Poi per il pane spezzato: Ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la vita e la conoscenza che ci hai rivelato per mezzo di Gesù

tuo servo. A te gloria nei secoli.

4. Nel modo in cui questo pane spezzato era sparso qua e là sopra i colli e raccolto divenne una sola cosa, così si raccolga la

tua Chiesa nel tuo regno dai confini della terra; perché tua è la gloria e la potenza, per Gesù Cristo nei secoli.

5. Nessuno però mangi né beva della vostra eucaristia se non i battezzati nel nome del Signore, perché anche riguardo a ciò il

Signore ha detto: “Non date ciò che è santo ai cani”.

 

CAPITOLO 10

1. Dopo che vi sarete saziati, così rendete grazie:

2. Ti rendiamo grazie, Padre santo, per il tuo santo nome che hai fatto abitare nei nostri cuori, e per la conoscenza, la fede e

l’immortalità che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Tu, Signore onnipotente, hai creato ogni cosa a gloria del tuo nome; hai dato agli uomini cibo e bevanda a loro conforto,

affinché ti rendano grazie; ma a noi hai donato un cibo e una bevanda spirituali e la vita eterna per mezzo del tuo servo.

4. Soprattutto ti rendiamo grazie perché sei potente. A te gloria nei secoli.

5. Ricordati, Signore, della tua chiesa, di preservarla da ogni male e di renderla perfetta nel tuo amore; santificata, raccoglila dai

quattro venti nel tuo regno che per lei preparasti.

Perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

6. Venga la grazia e passi questo mondo.

Osanna alla casa di David.

Chi è santo si avanzi, chi non lo è si penta.

Maranatha. Amen.

7. Ai profeti, però, permettete di rendere grazie a loro piacimento.

 

CAPITOLO 11

1. Ora, se qualcuno venisse a insegnarvi tutte le cose sopra dette, accoglietelo;

2. ma se lo stesso maestro, pervertito, vi insegnasse un’altra dottrina allo scopo di demolire, non lo ascoltate; se invece (vi

insegna) per accrescere la giustizia e la conoscenza del Signore, accoglietelo come il Signore.

3. Riguardo agli apostoli e ai profeti, comportatevi secondo il precetto del Vangelo.

4. Ogni apostolo che venga presso di voi sia accolto come il Signore.

5. Però dovrà trattenersi un giorno solo; se ve ne fosse bisogno anche un secondo; ma se si fermasse tre giorni, egli è un falso

profeta.

6. Partendo, poi, l’apostolo non prenda per sé nulla se non il pane (sufficiente) fino al luogo dove alloggerà; se invece chiede

denaro, è un falso profeta.

7. E non metterete alla prova né giudicherete ogni profeta che parla per ispirazione, perché qualunque peccato sarà perdonato,

ma questo peccato non sarà perdonato.

8. Non tutti, però, quelli che parlano per ispirazione sono profeti, ma solo coloro che praticano i costumi del Signore. Dai

costumi, dunque, si distingueranno il falso profeta e il profeta.

9. Ogni profeta che per ispirazione abbia fatto imbandire una mensa eviterà di prendere cibo da essa, altrimenti è un falso

profeta.

10. Ogni profeta, poi, che insegna la verità, se non mette in pratica i precetti che insegna, è un falso profeta.

11. Ogni profeta provato come veritiero, che opera per il mistero terrestre della chiesa, ma che tuttavia non insegna che si

debbano fare quelle cose che egli fa, non sarà da voi giudicato, perché ha il giudizio da parte di Dio; allo stesso modo, infatti, si

comportarono anche gli antichi profeti.

12. Se qualcuno dicesse per ispirazione: dammi del denaro o qualche altra cosa, non gli darete ascolto; ma se dicesse di dare

per altri che hanno bisogno, nessuno lo giudichi.

 

CAPITOLO 12

1. Chiunque, poi, viene nel nome del Signore, sia accolto. In seguito, dopo averlo messo alla prova, lo potrete conoscere,

poiché avrete senno quanto alla destra e alla sinistra.

2. Ma se colui che giunge è di passaggio, aiutatelo secondo le vostre possibilità; non dovrà però rimanere presso di voi che due

o tre giorni, se ce ne fosse bisogno.

3. Nel caso che volesse stabilirsi presso di voi e che esercitasse un mestiere, lavori e mangi.

4. Se invece non ha alcun mestiere, con il vostro buon senso cercate di vedere come possa un cristiano vivere tra voi senza

stare in ozio.

5. Se non vuole comportarsi in questo modo, è uno che fa commercio di Cristo. Guardatevi da gente simile.

 

CAPITOLO 13

1. Ogni vero profeta che vuole stabilirsi presso di voi è degno del suo nutrimento.

2. Così pure il vero dottore è degno, come l’operaio, del suo nutrimento.

3. Prenderai perciò le primizie di tutti i prodotti del torchio e della messe, dei buoi e delle pecore e le darai ai profeti, perché

essi sono i vostri Sommi Sacerdoti.

4. Se però non avete un profeta, date ai poveri.

5. Se fai il pane, prendi la primizia e dà secondo il precetto.

6. E così, se apri un’anfora di vino o di olio, prendi le primizie e dalle ai profeti.

7. Del denaro, del vestiario e di tutto quello che possiedi, prendi poi le primizie come ti sembra più opportuno e dà secondo il

precetto.

 

CAPITOLO 14

1. Nel giorno del Signore, riuniti, spezzate il pane e rendete grazie dopo aver confessato i vostri peccati, affinché il vostro

sacrificio sia puro.

2. Ma tutti quelli che hanno qualche discordia con il loro compagno, non si uniscano a voi prima di essersi riconciliati, affinché il

vostro sacrificio non sia profanato.

3. Questo è infatti il sacrificio di cui il Signore ha detto: “In ogni luogo e in ogni tempo offritemi un sacrificio puro, perché un re

grande sono io – dice il Signore – e mirabile è il mio nome fra le genti”.

 

CAPITOLO 15

1. Eleggetevi quindi episcopi e diaconi degni del Signore, uomini miti, disinteressati, veraci e sicuri; infatti anch’essi compiono

per voi lo stesso ministero dei profeti e dei dottori.

2. Perciò non guardateli con superbia, perché essi, insieme ai profeti e ai dottori, sono tra voi ragguardevoli.

3. Correggetevi a vicenda, non nell’ira ma nella pace, come avete nel vangelo. A chiunque abbia offeso il prossimo nessuno

parli: non abbia ad ascoltare neppure una parola da voi finché non si sia ravveduto.

4. E fate le vostre preghiere, le elemosine e tutte le vostre azioni così come avete nel vangelo del Signore nostro.

 

CAPITOLO 16

1. Vigilate sulla vostra vita. Non spegnete le vostre fiaccole e non sciogliete le cinture dai vostri fianchi, ma state preparati

perché non sapete l’ora in cui il nostro Signore viene.

2. Vi radunerete di frequente per ricercare ciò che si conviene alle anime vostre, perché non vi gioverà tutto il tempo della

vostra fede se non sarete perfetti nell’ultimo istante.

3. Infatti negli ultimi giorni si moltiplicheranno i falsi profeti e i corruttori, e le pecore si muteranno in lupi, e la carità si muterà in

odio;

4. finché, crescendo l’iniquità, si odieranno l’un l’altro, si perseguiteranno e si tradiranno, e allora il seduttore del mondo apparirà

come figlio di Dio e opererà miracoli e prodigi, e la terra sarà consegnata nelle sue mani, e compirà iniquità quali non avvennero

mai dal principio del tempo.

5. E allora la stirpe degli uomini andrà verso il fuoco della prova, e molti saranno scandalizzati e periranno; ma coloro che

avranno perseverato nella loro fede saranno salvati da quel giudizio di maledizione.

6. E allora appariranno i segni della verità: primo segno l’apertura nel cielo, quindi il segno del suono di tuba e terzo la

resurrezione dei morti;

7. non di tutti, però, ma, come fu detto: “Verrà il Signore e tutti i santi con lui. Allora il mondo vedrà il Signore venire sopra le

nubi del cielo.”

 

Overwegingen

KORTE OVERWEGINGEN VAN VADER PAÏSSIOS

 

Monnik van de Athosberg

 

 

 

De nederige mens, die geen eigen wil heeft,noch hoogmoedig is, wordt verlicht door God. En als hij nederig de raadgevingen volgt, dan wordt hij zelfs “filosoof”

 

Om zich te onderwerpen aan anderen, moet hij ofwel hem respecteren, of hem vrezen. De onderwerping door respect is een spirituele onderwerping, terwijl de onderwerping door angst een militaire discipline is.

 

Doe je geen geweld aan door hoogmoedig de ascese boven uw krachten te beleven,want je zal er angst aan overhouden. Christus is geen tiran, maar een vader vol tederheid en Hij verheugt zich om de strijd die wij leveren met ijver.

 

Opdat een mens de boodschap van het Woord zou horen en getransformeerd zou worden, moet hij de knop van de ontvanger omdraaien en het regelen op de frequentie van Christus, vanuit het Evangelie, en zijn geboden met godsvrucht vervullen.

 

De spirituele vooruitgang van een leerling hangt niet af van zijn geestelijke Vader, of die goed is of niet, maar van de goed “gedachten”van de leerling

 

De zuivere gedachten hebben een veel grotere spirituele kracht dan alle andere ascetische praktijken, zoals het vasten, het  waken des nachts…,voor hen die zich inspannen om hun fysische en spirituele zuiverheid te bewaren.

 

De slechte gedachten, gebonden aan de oude mens veroorzaken een dubbel kwaad in de ziel, evenzeer als de duivel verbonden met de mens een dubbel kwaad in de wereld veroorzaakt.

 

De grootste ziekte van onze tijd, zijn de ijdele gedachten van de mensen van de wereld, en dit veroorzaakt angst. De genezing kan alleen Christus teweegbrengen door aan de ziel de vrede te verlenen alsook de Eeuwigheid. Daarvoor moet de mens berouw tonen en zich tot Christus richten.

 

Een grote zondaar heeft nood aan nederigheid, en een nederig mens ontvangt de goddelijke Genade. Opdat de mens vervolgens deze  Genade zou bewaren, volstaat het de gelegenheden en de oorzaken van de zonde te mijden.

 

De woestijn helpt veel om de passies van de ziel uit te roeien. Want zelfs het kweekgras verdwijnt in de dorre woestijn, terwijl zij in het moeras tot riet uitgroeien.

Bewonder niet hen die naar de maan reizen, maar wel  hen die de geest van de wereld ontvluchten. Zij naderen tot God en jubelen.

 

De mens die ver van God verwijderd is vindt geen rust voor zijn ziel, noch in dit voorbijgaande leven, noch in het Eeuwige Le
ven. Want hij die niet in God gelooft, alsook niet in het Eeuwig Leven  vindt geen troost in dit leven en veroordeelt zijn ziel voor de Eeuwigheid.

 

Hoe meer de mens zich verwijdert van het eenvoudige en natuurlijk leven en de luxe opzoekt, hoe meer zijn angst toeneemt. En hoe meer hij de hoffelijkheid van de wereld nastreeft, hoe meer de eenvoud, de vreugde en de glimlach verdwijnen.

 

God is oneindige Geest, en het is door Zijn geest dat de mens verwant is met God, en het is door Zijn geest dat hij tot Hem nadert. God is oneindige Liefde, en het is met een zuiver hart dat de mens leeft in God. God is eenvoud, en het is met eenvoud dat de mens gelooft  in God. Leidt uw strijd in eenvoud en philotimo(grieks woord  dat de verhevenheid van de ziel, de goedheid , de dankbaarheid uitdrukt. Het drukt ook de liefde uit die nooit zijn eigenbelang nastreeft, het is de gezuiverde en bevrijdende liefde die eigenliefde uitsluit) en “leef” de mysteries van God.

 

Jaren gaan voorbij, mensen verouderen. Blijf niet staan op het kruispunt van de wegen. Kies een kruis in functie van uw ijver voor God, zet u op weg op een van de twee wegen door de Kerk voorgesteld(monachisme en huwelijk), en volg Christus in zijn kruisiging indien je Zijn Verrijzenis wilt smaken.

 

De beste remedie tegen elke beproeving die ons overkomt is een beproeving voor de geest te houden die nog veel zwaarder is : de beproeving van onze naaste.

 

Wens je dat uw gebed gezegd wordt met het hart, en door God wordt aanvaardt ? Maak dan van het lijden van je broeder, je eigen lijden. Eén enkele zucht in het hart voor uw naaste brengt positieve vruchten voort. De verzekering dat zijn gebed door God verhoord is , is een goddelijke troost dat de mens na het gebed ervaart.

 

Het gebed in de stilte van de nacht help meer door zijn vrede en brengt meer vruchten voort voor onze spirituele groei, dan het gebed gedurende de dag. Juist zoals de zachte nachtelijke regen meer groeikracht geeft aan de planten, dan de regen gedurende de dag.

 

De mens ontvangt  de goddelijke hulp in functie van het gebed en het offer dat hij volbrengt voor hem zelf en zijn naaste

 

Het vertrouwen in God voor alles wat menselijk gezien onmogelijk is, is een mystiek en onafgebroken gebed.Dit brengt positieve resultaten voort.

Hij die verstrouwen stelt in God zaait lofprijzing en verzamelt de goddelijke vreugde, alsook de eeuwige zegen. Hij die ontevredenheid zaait oogst ontevredenheid en angst.

 

De vreugde die een mens ervaart door een ‘zegen’ te ontvangen is een menselijke vreugde, terwijl de zegen die hij ervaart door iets te ‘geven’ ieen goddelijke vreugde is. De goddelijke vreugde komt met de gave !

 

De geestelijke verandering en de vreugde van het hart welke de mens gewaarwordt door een klein aalmoes te geven of door een daad van goedheid jegens zijn naaste te stellen, kan zelfs de grootste cardioloog van de wereld niet opwekken, zelfs al ontving hij er een zak vol dollars voor.

 

Hij die zich uit zuivere liefde vermoeit voor zijn broeder, zal rust vinden in zijn moeheid. Daarentegen, hij die zichzelf bemint en lui is, zal zelfs zittende moe worden.

 

De mens die nederig de fouten van zijn broeder draagt heeft een veel nobeler liefde dan hij die de zware reiszak van zijn gezel op weg draagt.

 

Aanvaardt de onrechtvaardigheid als een grote zegen en gij zult de hemelse zegen ontvangen. Maar zoek niet dat men onrechtvaardig zou zijn tegenover u, want deze houding verbergt het kwaad onder de schijn van het goede

 

Wanneer iemand je  kwaad heeft gedaan , zeg niet :’Dat God het hem moge vergelden’, want het is hem vervloeken met  hoffelijkheid.

 

Vergeef elke keer met goedheid aan hem die u oprecht om vergeving vraagt als hij iets tegenover u heeft misdaan, en bemint hem van nabij. Maar aan de boosaardige die u zogezegd vergiffenis vraagt om zo zijn werk te kunnen voortzetten en u wil in de war brengen met zijn intriges en die ook spiritueel schade toebrengt aan anderen , vergeef hem 77 maal. Bemint hem van ver en bid voor hem.

 

Aanvaardt de onrechtvaardigheid met vreugde wanneer dit geen schade toebrengt aan uw ziel. Hoe spiritueler de mens is, hoe meer zijn rechten beperkt zijn in dit leven, want de rechten van de rechtvaardigen, Christus bewaart ze voor het hemelse leven.

 

Hoe meer het lichaam de ascese beoefent uit liefde voor Christus, hoe meer de ziel verheugd zal zijn  in  Christus. De mens helpt aldus zijn gelijken op een veel efficiënter manier, want hij helpt hen spiritueel.

 

 

 

De liefde tot onze naaste openbaart onze diepe liefde voor Christus. Onze verering jegens de Al-heilige (maagd Maria) en de heiligen openbaart onze diepe verering voor Christus en de Drieene God.

 

Om te kunnen vliegen als de engelen, moet de mens afstand doen van alles, ’t is te zeggen, alle passies van zijn ziel uitroeien, en zijn goederen aan de armen uitdelen, want materiële rijkdom betekent spirituele armoede.

 

Zelfs de dief kan medelijden hebben met de arme,terwijl hij de rijke op een brutale manier verarmt. Het is dus beter dat de mens arm van geest wordt, volgens het Evangelie van Christus, opdat hij het hemels Koninkrijk zou erven.

 

Als de mens het goede doet kennen dat hij doet en er zich op roemt, hij zal het verliezen. Hij vermoeit zich ten onrecht en valt in de zonde.

 

Beschouw de tijd van uw geestelijke arbeid niet als een verloren tijd, want het is een voorwaarde voor uw geestelijke vooruitgang en een positieve hulp voor uw medemensen.

 

De beschaving van de moderne tijd, heeft door zijn zondige vrijheid, een geestelijke slavernij meegebracht. De onderwerping aan Gods wil is vrijheid voor de ziel en de geestelijke leiding brengt een goddelijke zekerheid.

 

Indien de mensen eenvoudig leefden volgens het evangelie en de wil van Christus, zal Deze hen overladen met geestelijke gaven, en ze zullen niet overladen worden met angsten, die hen doet grijpen naar bittere pijnstillers en worden als planten.

 

Na het vasten is het brood zoet, na de nachtwake is de slaap zacht; en na de vermoeidheid legt men zich op een harde steen te rusten als in een zetel.

 

Hoe meer je de menselijke vertroosting vlucht, hoe meer de goddelijke vertroosting u zal achtervolgen !

 

Hij die zijn eigen wil behoudt, verjaagt de wil van God ,en verhindert de werking van de goddelijke genade.

 

Het is goed om geestelijke boeken te lezen, maar het is nog beter om ze in de praktijk om te zetten en een spiritueel leven te hebben.

 

Alle goede gedachten die in de geest van de mensen voorkomen  zijn van God. Alleen datgene wat uit onze neus loopt bij een verkoudheid is van ons !

 

Als gij u niet kunt losmaken van de wereld, vecht tenminste om u los te maken van de geest van deze wereld die in u is.

 

De beste familievader is hij die, nadat hij zijn geestelijke wedergeboorte heeft ontvangen, helpt aan de wedergeboorte van zijn spirituele kinderen om hen het Paradijs te verzekeren.

 

Zij die als invalide geboren zijn, of het geworden zijn door fouten van anderen of door hun eigen onvoorzichtigheid, dat zij zich niet beklagen, maar God nederig loven en leven volgens de wil van God. God zal hen bij de Belijders rekenen.

 

Alle mensen ontvangen de rijke zegeningen van God, maar weinigen onder hen danken God ervoor of zijn voldaan en vreugdevol in Christus.

 

Velen zijn zij die alles hebben, maar de liefde missen, want zij missen Christus.

 

 

Keuze gemaakt uit het boek ‘Fleurs du jardin de la Mère de Dieu’(1993) door Vader Païsios (1924-1994)– monnik van de Athos

Vertaling : Kris B.